Sven Gatz en het yin en yang van Brussel

Een Brusselse vertelling

© Brecht Goris

Geert Van Istendael

Sven Gatz is van het slag liberale politici voor wie ik heimelijk een boontje heb. Hij kijkt wat weemoedig de wereld in. Hij verheft nooit zijn stem. Hij kleineert nooit zijn politieke tegenstanders. Hij trekt nooit ten strijde op twitter. Hij doet nooit kleinzerig. Een man van rustig fatsoen in een hennenkot waar ontketende bendes verongelijkte calimerokuikentjes oorverdovend hun zelfbeklag uitkakelen.

Daarnaast houd ik van zijn licht schurende Brusselse tongval, maar dat laatste is natuurlijk chauvinisme. En ik houd, zoals Gatz, van bier. Ik heb ooit het onvermengde genoegen gesmaakt een paar versjes te mogen schrijven voor een van de ten onrechte minder bekende boeken die Sven Gatz heeft laten verschijnen, Gruuten Dëst. 101 toffe cafés en kroegen in Brussel en omgeving.

Nee, ’t is dat ik nog nooit op de liberalen heb gestemd en dat ik op 26 mei hier in mijn dorp niet voor Brusselaar Gatz zal kúnnen stemmen, zo niet had ik het misschien overwogen. Één keertje maar. Iemand anders mag het altijd in mijn plaats doen. Een mens moet niet voortdurend consequent zijn.

Sven Gatz heeft een nieuw boek geschreven. De titel is: Molenbeek/Maalbeek. De ondertitel: Een Brusselse vertelling. Op de kaft staat een klein deel van het Brusselse metro- en tramnetwerk afgebeeld. Georges Henri en Merode zie ik. Het zijn de twee stations waartussen ik zevenendertig jaar van mijn leven heb doorgebracht, het ene drie minuten wandelen van mijn voordeur, het andere vijf minuten. Vanuit Merode rij je in acht minuten naar het centrum, naar Brouckère, altijd via Maalbeek.

Links opzij, bijna aan de rand van de kaft, zie je dan ook: Maalbeek/Maelbeek. Dat bescheiden metrostation is de kern van dit boek. In de inhoudsopgave heeft Gatz na het voorwoord geschreven: Brussel, 22 maart 2016. Die dag vermoordde een man met een bommengordel 21 passagiers en zichzelf in metrostation Maalbeek. Iets meer dan een uur eerder ontploften in de luchthaven van Zaventem veertien mensen, de twee daders incluis.

De dubbele titel Molenbeek/Maalbeek is een vondst. Het is zeker niet Gatz’ bedoeling om het demonische dat in Maalbeek explodeerde één op één terug te voeren tot helse oorsprongen in Molenbeek. Maar hij weet, zoals wij allen weten, dat die twee namen het nieuws, hier en in de wereld, hebben gedomineerd, geobsedeerd, tot lang na de aanslagen.

In Molenbeek komen de arme mensen binnen. Rond Maalbeek werkt en ageert de geïmmigreerde rijkdom. Schuman ligt op loopafstand.

Gatz weet echter meer. Véél meer. Gatz kent Brussel van de haver tot de gort. Hij weet dat Brussel de stad is van een dubbele en veelvormige immigratie. Veelvormig: afkomstig van overal op de aardbol. Dubbel: arm en rijk. Terecht noemt hij Molenbeek een stuk stad van aankomst. Maalbeek en Molenbeek zijn het yin en yang van Brussel. In Molenbeek komen de arme mensen binnen, vroeger Vlamingen en Walen, daarna Italianen en Polen, gevolgd door Marokkanen en Turken en vandaag zowat de hele wereld. Rond Maalbeek werkt en ageert de geïmmigreerde rijkdom. Schuman ligt op loopafstand.

Gatz heeft ieder hoofdstukje in zijn boek de naam gegeven van een man of een vrouw. Een VRT-technicus uit Lennik. Een Belgisch-Marokkaanse schoonmaakster uit Molenbeek, getrouwd met een trambestuurder, drie kinderen, de oudste aan de universiteit. Een Britse eurocraat die al meer dan dertig jaar in en om Brussel woont. Een Franstalige jurist-zakenman uit Ukkel. Een brandweervrouw, ze woont in Wavre. Een jonge vrouw uit Jette, Vlaams Brussels. Een Afghaanse vluchteling, net geen achttien jaar oud.

Het bestaan van de ene wrijft soms rakelings tegen het bestaan van de andere. Één voorbeeld. De vrouw uit Molenbeek maakt het appartement van de eurocraat schoon. Gatz heeft hun zwerftochten door Brussel kundig verweven, maar hij doet het altijd heel even, terloops, nauwelijks. Ik moet eigenlijk zeggen: bijna helemaal niet verweven. De personages beseffen niet wat de lezer wel beseft: dat ze op die ene dag met elkaar verbonden raken door de moorddadige aanslagen. Daarnaast of daaronder, in tweede orde, geeft Gatz mee dat zijn personages ook voor en na de tragische dag in maart dezelfde stad delen.

Delen is misschien een te optimistisch woord. Ze lopen door dezelfde stad, maar de wegen die ze kiezen, waaieren uiteen en raken toch weer met elkaar verknoopt. Ze komen een boel andere mensen tegen, de brandweervrouw haar collega’s, de man uit Ukkel zijn maten, stuk voor stuk Franstalige bourgeois, de vrouw uit Molenbeek haar fundamentalistische broer, de eurocraat een oud-collega. Enzovoort.

Gatz laat in de verschillende hoofdstukken allerlei ideeën en standpunten en observaties over Brussel doorschemeren, altijd vanuit het perspectief van de personages. De personages zijn niet meteen de handpoppen van de auteur. Je leert, altijd fragmentair, maar zo is Brussel nu eenmaal, onbekende en onverwachte kanten van Brussel kennen, zowel geografisch als mentaal.

Bijvoorbeeld Théâtre Le Public, gelegen in een straat van Sint-Joost ten Node zonder aanzien of kapsones, zoals er honderden straten in Brussel zijn. Een ander voorbeeld, één uit vele: de Franstalige bewondering voor de Vlaamse dynamiek in Brussel, zeker inzake cultuur: Franstaligen maken hier wel de meerderheid uit en controleren de hardware in Brussel, maar jullie bepalen de software met jullie scholen en cultuurhuizen. Deze stad heeft jullie creativiteit nodig.

Gatz heeft een even zijdelingse als efficiënte manier gevonden om het kolossaal aanzwellende verkeersprobleem aan de kaak te stellen.

Heel knap bekeken vind ik dat hoofdstuk na hoofdstuk na hoofdstuk telkens weer iemand hopeloos geblokkeerd raakt in de onoverzichtelijke verkeersverlamming. 22 maart 2016 was nog een heel eind chaotischer dan normale dagen, omdat trams, metro’s en bussen niet reden. Maar de verwijzingen naar de zogezegd normale dagen liegen er niet om. Gatz heeft een even zijdelingse als efficiënte manier gevonden om het kolossaal aanzwellende verkeersprobleem, dag na dag na dag, onbeheersbaar, onoplosbaar, tot nu toe toch, aan de kaak te stellen.

In één hoofdstuk voert hij zichzelf op als politicus en vader die zijn volwassen dochter helpt een huis te renoveren. Aan de ene kant gelooft hij in wat politiek vermag, anders was hij er niet in gestapt, aan de andere kant beseft hij terdege hoe beperkt de dingen zijn die politiek vermag: Dingen veranderen niet alleen door de politiek. Gelukkig maar. Die laatste twee woorden volstaan om mijn waardering voor het soort politicus dat Gatz is geweldig te laten stijgen. En mijn waardering stijgt helemaal in de wolken als ik lees hoe hij over de functie van kunst denkt: die van spiegel, van de kritische vragen, van de irritatie.

Ik zei het al, Gatz kent Brussel zoals weinig anderen Brussel kennen. Gatz weet dan ook precies hoe mensen uit allerlei sociale klassen reageren. Maar evengoed weet hij hoe pendelaars uit Vlaams- en Waals-Brabant reageren. Zijn indrukwekkende kennis van Brusselse zaken gebruikt hij om genuanceerde portretten te tekenen met vele perspectieven tegelijkertijd, portretten van Brusselse vrouwen en mannen die kampen met kleine, praktische, dagelijkse, nogal vermoeiende problemen, maar die daarnaast en daarin antwoorden zoeken op existentiële, bedreigende vragen, zeker vanaf 22 maart 2016.

Gatz moffelt de onfraaie kanten van Brussel niet weg. Zo is er het botte racisme van een huisbaas. De broer van de vrouw uit Molenbeek, Berber tegen Berber, is dan weer boosaardig agressief. Terloops opgemerkt, aan Gatz is een begaafd dialogenschrijver voor onze theaters verloren gegaan. Elders laat hij overtuigend zien hoe je een pakkend verhaal moet schrijven. De manier waarop hij de afschuwelijke dag van de Waalse brandweervrouw Françoise vertelt, het is een indringend stuk werk.

Tot slot een paar citaten.

Waarom de eurocraat van de Brusselaars is gaan houden: Het is een vorm van vrijheid en zotheid, van leven en laten leven, van zachte anarchie, van zelfrelativering ook, die als Brusselse zwans weleens echte zelfspot kan worden. Het is niet altijd even fraai, het is zeker geen hogere levensvorm, maar het helpt wel om de druilerigheid van het leven de baas te kunnen. Of zou dit misschien een poging tot zelfportret kunnen zijn van Gatz?

Waarom zagen de Vlamingen niet in dat de godsdienst voor een moslim even belangrijk is voor zijn identiteit als taal dat is voor de identiteit van veel Vlamingen?

Hoe de Marokkaanse-Belgische vrouw denkt over godsdienst en identiteit – let op de vragende vorm: Waarom zagen de Vlamingen bijvoorbeeld niet in dat de godsdienst voor een moslim even belangrijk is voor zijn identiteit als taal dat is voor de identiteit van veel Vlamingen?

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
En dan een citaat uit de epiloog.

En waarom niet resoluut gaan voor drietaligheid voor elke Brusselaar: Frans Nederlands én een derde taal? Dat mag Engels zijn, maar ook Duits, Spaans, Arabisch of Turks.

Vind ik heel wat verstandiger dan het idee van professor Van Parijs om iedereen de officiële taal van het neoliberalisme op te dringen, de taal van het Imperium Trumpanum. Anderzijds, in de opsomming van Gatz had ik toch liever Tamazight, de taal van de Berbers, gezien. De grote meerderheid van onze medeburgers van Marokkaanse herkomst is Berbers. Arabisch is de taal die de hunne onderdrukt, al langer dan duizend jaar. Tijd voor eerherstel. In Brussel.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.