Het bedreigende zelfvertrouwen van een moslim

Jaren geleden leerde ik in een moskee in Genk een belangrijke les over henna-tatoeages en zelfvertrouwen. Een vrouw gaf een lezing waarin ze besprak waarom het onder Marokkaanse meisjes een plotse nieuwe trend werd om hun handen trots te versieren met henna. ‘Wanneer gebeurde dit?’, vroeg ze ons. ‘Henna werd bij jullie populair nadat Madonna in haar videoclips henna-tatoeages had.’

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Haar analyse lokte een kleine discussie uit. Sommigen twijfelden en anderen voelden zich betrapt. Ik hoorde bij die laatste groep. Hoewel ik van jongs af aan elk jaar henna op mijn handen kreeg bij speciale gelegenheden, werd het voor mij als tiener specialer toen een bekende artieste als Madonna dat ook deed. Toch drong het belang van de boodschap die we tijdens die lezing hoorden nog niet volledig tot me door.

Bijna tien jaar later denk ik regelmatig terug aan die bijeenkomst in de moskee. Nu denk ik telkens aan de henna-les als we als moslims of als bruine of zwarte Belgen niet voldoende zelfvertrouwen hebben om onze tradities te eren of om gewoon te zijn wie we zijn zonder eerst van buitenaf een goedkeuring te krijgen. Want daar ging de lezing eigenlijk over: hoe we soms onze eigen cultuur en religie niet waarderen totdat een witte Westerling die waardeert.

Brussel

Zelfvertrouwen, zelfzekerheid. Het gevoel en de overtuiging dat we niet meer en minder waard zijn dan anderen. Dat we niet meer of minder speciaal, talentvol, crimineel, intelligent of vreemd zijn dan anderen. Dat we niet constant handelen met een drang om aanvaard te worden. Dat we een eigen agenda vormen en niet enkel denken vanuit een verdedigingspositie of een positie waarin we onszelf en onze gemeenschap moeten uitleggen, ons bestaan moeten rechtvaardigen of onszelf moeten onderscheiden van anderen die tot dezelfde geracialiseerde groep behoren zodat onze vrijheid geen bedreiging vormt.

De henna-les komt bij me op als ik lees dat een school in Hasselt geen reisje naar Brussel plant omdat het daar te onveilig zou zijn. Het imago van Brussel als stad met gevaarlijke criminele en zelfs terroristische migranten wordt zo versterkt bij leerlingen in Limburg van wie velen dezelfde afkomst hebben als die zogenaamde gevaarlijke migranten in Brussel. Wat zou dat doen met een kind om te horen dat een stad onveilig is door de aanwezigheid van mensen die ook Ibrahim heten of ook Allah aanbidden. Zo zal de school het wellicht niet uitleggen, maar dat is wel wat de massa – bewust of onbewust – onthoudt.

In een poging om het vertrouwen van witte autochtonen te winnen zullen Limburgse moslims zich soms van moslims of andere minderheden uit Brussel, of uit een andere beruchte plaats als Borgerhout, distantiëren. “Daar heb je inderdaad slechte Marokkanen, maar in Limburg hebben wij die problemen niet”, is een zin die ik hoorde tijdens mijn tienerjaren bij een gesprek over het verschil tussen Marokkanen uit Limburg en de rest van België.

Daarom dacht ik ook aan de henna-les toen ik een tekst las van Arzu Merali van de Islamitische Mensenrechtencommissie in Groot-Brittannië: “..Als we het grotere plaatje vergeten, of als we onopzettelijk vinden dat sommige leden van onze gemeenschap negatieve reacties uitlokken, dan houden we het idee van onze minderwaardigheid en gebrek aan waarde in stand.”

Offerfeest

Ik vraag me soms af of we ons echt minderwaardig voelen als ik zie wat we doen om ons aan te passen voor een goedkeurende witte blik die de blik is van de dominante groep. Vaak praten, schrijven en organiseren we ons om die blik te plezieren en gerust te stellen. Zo durven we soms niet rap iets islamitisch te noemen en omschrijven we onze verenigingen liever als ‘humanistisch’. We verwijzen liever naar de universele verklaring van de rechten van de mens en aarzelen om te zeggen dat onze religie onze inspiratiebron kan zijn voor mensenrechten.

De link met zelfzekerheid brengt de henna-les bij het Offerfeest. Dit heeft niet alleen te maken met de jaarlijkse henna-avond op de dag voor het Offerfeest. Zelfzekerheid schept immers een ruimte waarin we zonder complexen of vrees kunnen genieten van onze tradities en feestelijkheden. Die ruimte is wat van ons afgenomen wordt als we de twee weken voor de dagen van het Offerfeest tijd en energie steken in boos worden en discussiëren over waarom we wel het recht hebben om een dier onverdoofd te slachten. Of boos worden omdat we geportretteerd worden als een groep barbaren die niet geven om dierenwelzijn.

Het is echter niet de eerste keer we iets laten afnemen en dat onze zelfzekerheid duidelijk aangetast is. We staan al jaren toe dat onze zogenaamde vertegenwoordigers akkoord gaan met een aparte discriminerende belasting voor het Offerfeest. We staan onrecht toe in onze drang om geaccepteerd te worden omdat we bij een weigering van dat onrecht ‘radicaal’ zouden overkomen. Of omdat we geen negatieve berichtgeving meer willen.

Bedreiging

Alsof we eerst moeten tonen hoe vredelievend of nuttig we kunnen zijn vooraleer we eisen mogen stellen.

De angst voor die negatieve berichtgeving is begrijpelijk maar heeft ons veel te onzeker gemaakt. Dat werd duidelijk toen sommigen van ons begonnen te juichen omdat een groep moslims besloot om gratis het vuil van anderen op te rapen. Toen waren we voor media duidelijk geen bedreiging maar wel vredelievende moslims die zelfs hun recht op een loon willen opgeven. Alsof we eerst moeten tonen hoe vredelievend of nuttig we kunnen zijn vooraleer we eisen mogen stellen.

Daarom brengt de henna-les me ook bij een tekst van Olivia Rutazibwa uit 2012 waarin ze stelt dat ‘…zij die onderaan de klasse, raciale of culturalistische ladder staan’ best hun tijd en energie gebruiken ‘…om zichzelf te overtuigen van hun gelijkwaardigheid of de legitimiteit van hun eisen, en die dichter bij huis af te dwingen.’

De boodschap uit de tekst van Rutazibwa komt voor mij telkens tot uiting als een moslim niet aarzelt om een beeld van haarzelf met een hoofddoek te gebruiken zonder de vrees dat dat beeld haar werk zal labelen als “partijdig” of “niet objectief of neutraal”. Of wanneer ik een vrouw zie met henna op haar handen die zich niets aantrekt van de rare blikken en niet wacht op een Westerse artiest die henna weer extra populair maakt. Hopelijk ook wanneer moslims niet meer in een rij staan om een voor een hun afkeuring voor een terreurgroep te tonen. En misschien is het dat wat het meest bedreigend overkomt: moslims die zich niet verontschuldigen voor hun bestaan.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Journaliste geboeid door politiek, identiteit, en feminisme

    Hasna Ankal is geboren in Marokko en groeide op in Genk. Ze heeft een bachelor in de Journalistiek en was bijna twee jaar journaliste bij Het Belang van Limburg.