Hoeveel kinderen moeten er nog sterven?

Naar school gaan is onze dagelijkse strijd. Niet om te gaan, wel om er te geraken.

  • © Brecht Goris Tine Hens © Brecht Goris

‘Wil je dood?’

Het antwoord op die vraag is meestal nee.

Zeker als je een kind van tien bent.

‘Wil je dood?’

De buschauffeur hing half uit het raam van zijn bus en riep het naar mijn zoon die onverwacht moest uitwijken voor een stuk zwerfvuil dat in de smalle goot lag waarin hij tot dan gefietst had. Hij slingerde naar links, voor de neus van de bus. Soms komt alles samen: hoe zwerfvuil en het niet bestaan van statiegeld op drankverpakkingen een mogelijk ongeval kan veroorzaken. Maar we hadden geluk. Want daarvan hangt het verschil tussen dood en leven onderweg al te vaak af. De buschauffeur was niet te moe die ochtend, hij was niet afgeleid, hij trapte op zijn rem en reageerde de angst die hem om het hart sloeg af op het fietsertje dat angstvallig zijn stuur omklemde.

‘Wil je dood?’

Hij schreeuwde er nog ‘idioot’ achteraan, trok zijn raam weer dicht en slalomde voorbij het kind dat duidelijk nog moest leren wat zijn plaats was in de ochtendspits en in de hiërarchie van het doorrijdende verkeer. In theorie helemaal bovenaan natuurlijk, in praktijk ergens in de kelder.

Het komt hard aan bij een kind van tien dat al de dagen van zijn leven geleerd heeft dat vloeken niet kan, dat schelden niet mag, en dat fietsen goed is voor de eigen gezondheid, maar ook voor de rest van de samenleving. Er knapte iets. Hij stapte af. Dikke tranen rolden over zijn wangen. Een auto toeterde. Weer werd een autoraam omlaag geschoven. Weer werd er geroepen in plaats van gevraagd.

Of hij niet op de stoep kon staan grienen, hij hinderde de doorstroom die toch al niet zo vlot verliep. De man had duidelijk geen tijd meer te verliezen nu hij al zo veel tijd verloren had.

De ochtendstond had ooit goud in de mond, nu haalt hij het slechtste in de mens naar boven. 

De ochtendstond had ooit goud in de mond, nu haalt hij het slechtste in de mens naar boven. Want allemaal moeten we ons op hetzelfde moment door diezelfde straten wringen, allemaal voelen we het dwingende getik van de klok in ons lijf. De buschauffeur moet zijn uurregeling respecteren, de vrachtwagenchauffeur de leveringstijden en de uren van de werknemers die zo veel van hun werk houden dat ze er liefst zo ver mogelijk vanaf gaan wonen, zijn strikt gereglementeerd. Omdat we verder vrije burgers zijn, laten we ons vooral niet voorschrijven hoe we ons van en naar het werk verplaatsen. Tenzij een deel van het salaris een wagen is.

Mijn zoon smeet zijn fiets op de stoep en zette zich neer.

‘Ik wil niet dood en ik wil niet meer.’

Ook hij eiste zijn vrijheid op. Hij ging in staking.

Het is onze dagelijkse strijd. Wachten aan het zebrapad voordat er een autobestuurder zich zijn theoretisch examen herinnert en zo lief, zo goed en zo bereidwillig is om te stoppen; slalommen tussen auto’s waarvan de bestuurders ouders en grootouders zijn die in het kader van ‘eigen veiligheid eerst’ zo dicht mogelijk bij de schoolpoort parkeren. Iedere dag opnieuw vindt hier een wonder plaats. Het wonder is dat er geen ongeluk gebeurt. Het zou een zekerheid moeten zijn. Dat is het niet.

Weeffout

We geloven graag dat we rationele wezens zijn. Dat wordt ons geleerd en wijsgemaakt. Ons economische verdienmodel is gebaseerd op die veronderstelling. De mens heeft de grootste herseninhoud van alle levende wezens. Het kan niet anders dat hij die hersenen gebruikt om altijd weer weloverwogen keuzes te maken. Of hij nu voor het rek met confituur staat in de supermarkt, of zich op de weg begeeft: de mens kiest wat het beste is voor hem. En als we met z’n allen kiezen wat het beste is voor onszelf, komt dat uiteindelijk de hele samenleving ten goede. Zo luidt al honderdvijftig jaar de redenering.

Het is de weeffout van ons systeem. Een weeffout die steeds vaker voor blokkeringen, stuiptrekkingen en crashes zorgt. Of voor oververhitting in een debat waar de hysterie het wel vaker haalt van de ratio.

Er patrouilleren al bijna een jaar militairen op straat om het reële gevaar van even denkbeeldige als werkelijke vijanden te verhinderen, om ons collectieve veiligheidsgevoel op te krikken, maar de legale terreur van het verkeer blijven we ondergaan alsof we geen keuze hebben. Alsof wat we nu hebben de best mogelijke oplossing is.

Dat wegen niet anders kunnen dan gemaakt zijn op maat van auto’s en vrachtwagens. Dat fietsers en voetgangers altijd genoegen zullen moeten nemen met de schaamstroken langs de kant van die wegen. Dat fietspaden nu eenmaal abrupt eindigen als de weg te smal wordt voor al het verkeer dat men geacht wordt er door te laten. Dat men eerst nieuwe wijken aanlegt en dan bedenkt hoe het met de verkeersstroom moet. Dat dat het meest rationele gebruik van de publieke ruimte is.

We weten

Een vriendin vertelde dat het het eerste is wat ze vluchtelingen moeten leren. Hoe gevaarlijk onze wegen kunnen zijn. Hun kinderen razen zonder te kijken de berg af en de straat over. Zo onaantastbaar voelen ze zich op deze wegen van asfalt met witte middenstrepen. ‘Stoppen! Remmen! Kijken!’ Het zijn niet de eerste woorden Nederlands die ze kennen, maar ze leren snel ze te begrijpen. Ook in een land zonder oorlog kunnen slachtoffers vallen.

Wat moet die jongen van zes zich de koning te rijk hebben gevoeld. Zijn hele leven had hij niets anders dan oorlog gekend.

Ik kijk naar de fiets van mijn kind op de stoep en moet denken aan de verwrongen kinderfiets onder de wielen van de vrachtwagen. Hoe klein en minuscuul dat staal afstak tegen het reusachtige van die rubberen banden. Wat moet die jongen van zes zich de koning te rijk hebben gevoeld. Zijn hele leven had hij niets anders dan oorlog gekend. Nu was hij hier in dit land waar vliegtuigen altijd mensen en nooit bommen vervoeren, waar de lucht nooit zwaar was van de geweerschoten, waar je in de tuin van het kleine huis niet bang moest zijn om een mijn op te graven. Hij kon naar school. Met een fiets. De eerste fiets die hij ooit had gekregen. Nu was hij dood. Een vrachtwagenchauffeur had te snel op zijn gaspedaal gedrukt. De klant wachtte. Hij had een lading te leveren.

Er is veel dat we weten.

We weten dat uitlaatgassen schadelijk zijn, dat ze onze lucht verpesten.

We weten dat we massaal veel tijd verliezen door samen files te maken.

We weten dat van meer autowegen meer auto’s komen.

We weten dat we te dik worden van te weinig bewegen en te veel zitten.

We weten dat vrachtwagens niet thuishoren op wegen die rechtstreeks naar scholen leiden.

We hebben statistieken die ons vertellen dat het verkeer de bekendste moordenaar is. We hebben studiegroepen, verkeerskundigen, adviesraden, mobiliteitsverantwoordelijken, rapporten en verslagen die allemaal uitgetekend en berekend hebben hoe de ideale wegen eruit zouden kunnen zien. Allemaal hebben ze het over de maat van het kind en de ouderling. Richt de straat in zodat kinderen en oudere mensen zich in alle veiligheid van puntje naar paaltje kunnen bewegen. Dat komt iedereen ten goede.

We weten het allemaal.

Maar als puntje bij paaltje komt, doen we het niet.

Er is altijd een reden te verzinnen waarom het nu niet kan of nog niet werkt of waarom het gewoon te moeilijk en te ingewikkeld is. We zijn niet alleen rationele wezens, we zijn ook getraind in het bedenken van tegenargumenten. We morrelen een beetje in de marge, verzinnen een extra verkeersbord of signaalpaal, schilderen een grote 30 op de straat en verder kruisen we de vingers en hopen we zoals bedevaarders die kaarsjes branden dat het voldoende zal zijn, dat het even afschrikwekkend werkt als een bende soldaten op straat. Nog steeds geloven we meer dan dat we denken. Maar als we eerlijk zijn, kunnen we niet anders dan het erover eens zijn. Kinderen horen op straat. Ze horen niet op straat te sterven. Dat is de enige mogelijke prioriteit. Of moeten we eerst de economische kost van ons hedendaags kanonnenvlees berekenen?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's