De discussie over een basisinkomen is meer dan een discussie over centjes

Column

De maand van Marie-Laure Mulayi

De discussie over een basisinkomen is meer dan een discussie over centjes

12 mei 2023
De discussie over een basisinkomen is meer dan een discussie over centjes
De discussie over een basisinkomen is meer dan een discussie over centjes

Of een basisinkomen wel of niet een goed idee is, daarover spreekt MO*columniste Marie-Laure Mulayi zich niet uit. Maar een open debat is dat zeker wél. ‘Zolang je alleen de vraag stelt wie dat moet betalen, vermijd je broodnodige discussies over de pijnpunten in onze sociale zekerheid.’

© Konstantinos Tsanakas

Marie-Laure Mulayi: ‘Iedereen gratis geld geven? Dat is toch onbetaalbaar!’ Zo klinkt het eeuwige duiveltje op ieders schouder die elke open discussie over het basisinkomen resoluut wil tegenhouden.’

© Konstantinos Tsanakas

Of een basisinkomen invoeren dan wel of niet een goed idee is, daarover spreekt MO*columniste en doctoraatsonderzoekster Marie-Laure Mulayi zich niet uit. Maar er een open debat over voeren is dat zeker wél. ‘Zolang je alleen de vraag stelt wie dat moet betalen, vermijd je broodnodige discussies over de pijnpunten in onze sociale zekerheid.’

‘Its the economy, stupid’__. Het is een bekende oneliner die zijn oorsprong vindt tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1992. Bill Clinton haalde toen een verpletterende overwinning tegen zittend president George H. Bush.

Die overwinning zou te danken zijn aan Clintons politiek adviseur James Carville. Hij zou destijds voorgesteld hebben om de verkiezingscampagne te richten op economische kwesties, als tegengewicht voor de campagne van Bush, gericht op zijn “succesvol” buitenlandbeleid.

Carville was er rotsvast van overtuigd dat economische groei, meer werkgelegenheid en meer welvaart hét belangrijkst waren voor Amerikanen. De strategie bleek te lonen, want het leverde Clinton het presidentschap op.

Economische indicatoren zijn nog te vaak een argument om beleidsvoorstellen af te schieten.

Tot vandaag worden economische indicatoren nog te vaak als hét argument naar voren geschoven om bepaalde beleidsvoorstellen af te schieten. Dat is bijvoorbeeld het geval bij voorstellen of vragen over een basisinkomen.

‘Iedereen gratis geld geven? Dat is toch onbetaalbaar!’ Zo klinkt het eeuwige duiveltje op ieders schouder die elke open discussie over het basisinkomen resoluut wil tegenhouden. Het voorstel om een basisinkomen in te voeren roept telkens hevige emoties op, hoewel het nog nergens in de praktijk is gebracht — met uitzondering van onder meer enkele experimenten van korte duur in Namibië en Finland dan.

‘En wie gaat dat betalen?’

Mijn doctoraat gaat over de politieke haalbaarheid van een basisinkomen, en meer bepaald over de mate waarin dergelijk beleidsvoorstel kan rekenen op voldoende publieke steun. Wanneer ik mensen rondom me hierover vertel, stuit ik vaak op twee reacties.

De eerste is de enthousiaste reactie. Het gaat om mensen die het verrassend en tegelijk moedig vinden dat ik onderzoek doe naar ‘iets dat (nog) niet bestaat’.

De tweede reactie komt van mensen die hardnekkig geloven dat een basisinkomen een utopie is. ‘Wie gaat dat betalen?’, klinkt het dan. De financiering van een basisinkomen vermelden is vaak voldoende om elke vorm van debat van tafel te vegen.

Uiteraard is dat vraagstuk van groot belang en mag de discussie over de kost van een basisinkomen niet zomaar worden vermeden. Bij een Zwitsers referendum over de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen in 2016 stemde de overgrote meerderheid (76,9%) tegen. De Zwitsers maakten zich vooral zorgen over de gevolgen voor het overheidsbudget en de ontmoediging van de zoektocht naar werk.

Maar hoewel het voorstel toen niet werd aangenomen, slaagden de iniatiefnemers van het referendum er wel in om het politieke debat dat eraan vooraf ging te verrijken met radicaal nieuwe ideeën over de sociale zekerheid. Want aan het referendum ging een debat vooraf over de toekomst van werk in tijden van toenemende automatisering. Voorstanders zagen het basisinkomen als een oplossing voor mensen die daardoor hun baan zouden verliezen.

In België gebeurde dat intussen ook al, al zijn het vooral Franstalige politieke partijen die het voortouw nemen met enkele concrete voorstellen.

Zo kwam MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez met het voorstel om iedereen op arbeidsleeftijd een basisinkomen van 1000 euro te verlenen. Die zou dan weliswaar een aantal uitkeringen, zoals het leefloon en de werkloosheidsuitkering vervangen.

De PS ziet dan weer meer in een basisinkomen dat uitsluitend voor jongeren bestemd zou zijn. Les Engagés (Waalse centrumpartij) verkiest een participatie-inkomen dat gekoppeld wordt aan zogenaamde nuttige maatschappelijke activiteiten zoals het volgen van een opleiding of gemeenschapswerk.

Dergelijke politieke voorstellen moeten ook gezien worden als een soort van tegenbod tussen politieke tegenstanders, maar het maakt eender hoe het debat op basis van concrete voorstellen wel mogelijk. Ook maken de specifieke posities die de partijen openlijk innemen zichtbaar hoe verschillend een basisinkomen ingevuld kan worden.

Aan Vlaamse zijde daarentegen blijft het muisstil. Daar lijkt het pleidooi om ‘realistisch’ en zuinig om te gaan met publieke financiën de bovenhand te nemen. Alleen verarmt dat het maatschappelijke debat en houdt het diepgaande discussies over systeemverandering tegen.

Achilleshiel

De achilleshiel van het louter economische tegenargument is de afkeer om de discussie aan te gaan over de pijnpunten van het bestaande sociale stelsel. Een basisinkomen kan daarvoor nochtans als inspiratiebron dienen.

De discussie mag zeker niét gaan over mensen die geen uitkering ontvangen waar ze wettelijk gezien wél recht op hebben.

Binnen de louter budgettaire discussie mag het zeker niét gaan over mensen die geen uitkering ontvangen waar ze wettelijk gezien wél recht op hebben.

Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen toonden bijvoorbeeld aan dat 48% van wie recht zou hebben op een leefloon dat niet ontvangt. Sommigen weten niet dat ze er recht op hebben, anderen worden ontmoedigd door de lange en ingrijpende procedures, en anderen doen geen aanvraag uit schaamte.

In die context zou een basisinkomen het aandeel van mensen dat geen uitkering ontvangt verminderen. Iedereen krijgt per definitie automatisch een inkomen uitgekeerd.

Ook mag het zeker niét gaan over de onderbescherming van bepaalde sociale groepen. Denk maar aan jongeren, die doorgaans minder social rechten hebben opgebouwd, of alleenstaanden, die een aanzienlijk hogere kans hebben om in armoede terecht te komen.

Er is een groeiende groep mensen die het moeilijker heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Uit onderzoek van adviesbureau Deloitte, in samenwerking met de Universiteit Gent en Argenta, blijkt dat 64% van de ondervraagden moeite heeft om hun rekeningen te betalen. 54% zegt op het einde van de maand niets over te hebben om nog te kunnen sparen. Voor die mensen kan een maandelijks basisinkomen dus wel degelijk een verschil maken.

Het mag tot slot ook zeker niét gaan over de toegenomen voorwaardelijkheid en regeldrift waardoor het ontvangen van uitkeringen moeilijker wordt. Voor een leefloon moeten mensen 25 horden over springen eer ze het krijgen. Ook maatschappelijke werkers zien door de bomen het bos niet meer.

Nogmaals: ook hier kan het idee van een basisinkomen, als echte vloer onder de welvaartsstaat, dienen als leidraad, zonder dat het per se en onmiddellijk aan iedereen moet worden uitgekeerd.

Breekijzer

Het mag duidelijk zijn: de discussie over een basisinkomen is veel meer dan een discussie over centjes. Of het een wondermiddel is voor dergelijke maatschappelijke problemen, laat ik nog in het midden. Maar kan dienen als breekijzer om de vanzelfsprekendheden over onze sociale zekerheid open te breken.

Een goede discussie over een basisinkomen durft ook in vraag stellen wie een uitkering mag ontvangen, wat die persoon moet doen om ze te krijgen, hoeveel ze bedraagt en — de meest fundamentele vraag — waarvoor de uitkering uiteindelijk moet dienen.

In een tijd waarin het publieke debat vaak gaat over “politieke vernieuwing” is het logisch dat discussies over een basisinkomen niet uit de weg worden gegaan. En het mag duidelijk zijn dat die discussies zeker niet alleen over budgetten moeten worden gevoerd.

Een basisinkomen is net een middel om economische kwestie te verzoenen met fundamentele debatten over de toekomst van ons sociale stelsel. Er is dus nood aan een holistisch debat dat nadenkt over hoe ons systeem de sociale uitdagingen van vandaag, maar vooral morgen, zal aanpakken.

It’s (not only) the economy, stupid.