Leven met een kankerfamilie

Geen grote meningen vandaag van onze columnist Jan Mertens. Wel iets over foute mannen die mensen tegen elkaar willen opzetten en families die je niet zelf kiest, maar waarin je je wel thuis kunt voelen, op een langzame manier.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Misschien is het het troosteloze regenweer buiten, terwijl ik dit schrijf. Misschien is het een sluimerend verdriet ergens onder mijn huid. Misschien is het een nood aan stilte in mijn hoofd. Maar ik ben niet zo in staat tot grote meningen vandaag.

Ik had me vanmorgen tijdens het ontbijt nochtans voorgenomen een stukje te schrijven over Donald Trump.

Net als iedereen kijk ik met verbijstering toe naar het hallucinante schouwspel dat zijn campagne is. De beelden van zijn fans slaan me met verstomming.

Maar wat kun je nog zeggen? De eindeloze reeks opiniestukken in de kranten maakt me niet minder zenuwachtig. Ik krijg alleszins koude rillingen, om het beleefd uit te drukken, van de manier waarop de man wiens naam we nu niet meer gaan noemen mensen schoffeert en tegen elkaar opzet. Het geeft velen blijkbaar een goed gevoel om aan te kunnen duiden wie de “slechten” zijn. En velen willen dat dat wordt gezegd door een foute man, met fout haar en ideeën over “leiderschap” die volgens mij enigszins in de richting van het pathologische gaan. (Heb ik nu toch per ongeluk een mening geuit?)

Een man die in een debat nog even indirect moet benadrukken dat hij toch echt wel een grote penis heeft, dat is “beyond” vermoeiend (ik blijf beleefd). Gelukkig heeft ondertussen ook Miley Cyrus twittergewijs en in niet al te vriendelijke woorden verklaard dat ze zal verhuizen als het creatuur dat we dus niet meer bij naam noemen president zou worden.

… En er zijn families waar je niet voor had gekozen. Mijn kankerfamilie is er daar een van.

Maar geen grote meningen vandaag, dus. Wel een verlangen naar samen, om allerlei redenen. En ik dacht aan families. Er zijn families waar je in wordt geboren. Ze zijn altijd wel ergens bij je, of je dat leuk vindt of niet. Er zijn families die je kiest, je vrienden en geliefden. Met hen ga je door alle stormen. Zij komen wat dichter bij jou zitten als je verdrietig bent en ze laten je voelen dat ze er morgen ook nog zullen zijn. En er zijn families waar je niet voor had gekozen. Mijn kankerfamilie is er daar een van.

Enkele dagen geleden moest ik weer naar het ziekenhuis voor een controle. Ik werd ziek in 1999, en sindsdien mag ik elk jaar, wanneer de lente eraan komt, naar het ziekenhuis. Elk jaar is er een basiscontrole, en om de twee jaar is het wat meer. Dit jaar was het de full option: een colonoscopie en dit keer ook nog eens een gastroscopie. Binnen enkele weken krijg ik de uitslagen. Tegen dan zullen normaal ook de resultaten bekend zijn van een genetisch onderzoek op de tumor van zoveel jaar geleden. (Het blijft me wel fascineren, hoe ze dat doen, nu al voor de derde keer dat kleine ding dat ze uit mijn lijf haalden binnenstebuiten keren…)

Zo’n onderzoek heeft iets van familie. Je gaat van alleen naar samen. De dagen voor het onderzoek ben je alleen, thuis bezig met de voorbereidingen ervan. Laten we zeggen dat dat het minst prettige deel is van het geheel. Terwijl je thuis bent, komen de herinneringen terug. Toen, hoe het was toen, en hoe toen onherroepelijk altijd naar nu komt.

En op de ochtend van het onderzoek ga je dan op weg. Een beetje slapjes en leeg. (Nadat ze mij in het ziekenhuis met enige aandrang hadden uitgelegd dat het ECHT geen goed idee is om met de fiets naar zo’n onderzoek te komen, heb ik andere oplossingen gezocht.) Je neemt de bus, en kijkt wat om je heen. Veel studenten, maar ook anderen, op weg naar het ziekenhuis.

En dan loop je door die gangen, je stelt vast dat je geen kleur moest vragen, je kent de weg ondertussen.

Je komt die grote hal binnen, ziet al die mensen die wachten om zich aan te melden. Ik ben altijd een beetje zenuwachtig dat ik – zoals in het postkantoor – niet meteen zal zien wanneer mijn nummertje verschijnt op het scherm.

En dan loop je door die gangen, je stelt vast dat je geen kleur moest vragen, je kent de weg ondertussen.

Zoals elke keer spraken de mevrouwen aan het onthaal van die afdeling me een beetje streng toe. Of ik de voorbereiding wel helemaal goed had gedaan? Euh, ja. Waarna ik binnen mocht. En in de wachtzaal was het samen weer daar. Een beetje schroomvol bekeek ik de gezichten van de andere mensen rondom mij. Ik zag (vooral) oude mannen door de gangen gaan, met hun partners of familieleden bij hen. En ik zag verhalen in hun ogen (zij misschien ook bij mij). En ik wist: dit is de familie.

Even later moest ik op mijn linkerzijde op de tafel gaan liggen. De verpleegster en de dokter begonnen met hun onderzoeken. Ik dacht op dat moment dat ik er helemaal bij was, maar dat is schijn, met zo’n halve verdoving. Niet lang daarna lag ik in de kamer waar we allemaal wat mochten bijkomen. De verpleegster sprak zacht en vriendelijk, en keek me met warme ogen aan. Soms keek ik even rond naar de anderen, in hun bedden. En ik vroeg me af (een klein beetje, want mijn hoofd was nog heel ijl) wat hun verhaal zou zijn, wat ons met elkaar verbond. En het maakte me rustig, om een of andere reden.

Het is iets waar je voor kunt kiezen, de verbondenheid voelen met anderen die door het lot in dezelfde situatie zijn geworpen.

Nadien kwam het naar me toe, dat beeld van een “langzame familie”. Ik begrijp die uitdrukking eigenlijk zelf niet helemaal, maar ze klopt wel, denk ik. Het is ook een familie die er altijd is. En soms dringt ze zich op, laat ze zich niet ontkennen. Heel vaak is ze ook gewoon ergens in de achtergrond. Sinds 1999 heb ik altijd het gevoel gehad dat ik lid wilde blijven van die familie.

Het is een keuze, die er tegelijk ook geen is. Het is iets waar je voor kunt kiezen, de verbondenheid voelen met anderen die door het lot in dezelfde situatie zijn geworpen. (Een klein beetje zoals je ook kunt kiezen om je verbonden te voelen met anderen die ook in dezelfde maatschappij geworpen zijn.)

Die woensdag in het ziekenhuis, ik zag het in mijn agenda, is ook de dag waarop mijn vader stierf, in 2008. Hij stierf aan kanker. Hij was dus ook een beetje bij me. En ik dacht aan die dierbare vrienden die ik al verloor aan die kloteziekte, en aan de vrienden die op dit moment met hun behandeling bezig zijn of net te horen kregen dat ook zij tot de familie zullen gaan behoren. Op die ene woensdag kwamen de drie soorten families dus zomaar samen. Ze deden het voorzichtig, en langzaam. Het besef sijpelde in mijn hoofd naar binnen, en ik voelde me omringd, door verbondenheid, verdriet, liefde en opstandigheid tegelijk.

Binnen enkele weken mag ik weer naar het ziekenhuis. Dan krijg ik de uitslagen. (Dan zal ik trouwens wel met de fiets gaan.) In de wachtzaal, een lange gang, zal ik kijken naar de gezichten. Sommigen van hen zal ik herkennen van vorige jaren. Het is niet dat ik ooit voor hen gekozen heb, maar ze zijn wel mijn familie. Een familie die mij gekozen heeft. En dat is goed.

En misschien is dit dan toch een mening geworden, een omwegmening, een langzame omwegmening.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.