Ook met tranen in de ogen kan je strijden

Ik wil het in deze column niet hebben over het al dan niet afschaffen van de overblijfselen van het kolonialisme die nog zichtbaar zijn in België, want alles is al gezegd geweest. Dat dat echter niet genoeg is, omdat België eerst en vooral onderwezen moet worden over zijn bloederig verleden in Afrika, is voor mij evident. Daarom wil ik deze maand gewoon over mijn verdriet praten, als Rwandese vluchteling in “post”-koloniaal België. En ja, noem dit maar een klaagzang.

  • © Brecht Goris Sabrine Ingabire © Brecht Goris

Op de Engelstalige website Buzzfeed staat een eenvoudige quiz om te meten hoe geprivilegieerd je bent: je moet ieder onderdeel aanvinken dat toepasselijk is op je leven. De quiz zelf is niet echt volledig en is geschreven voor Buzzfeed India, dus 100% accuraat was die niet voor mij. Ik heb ze tot het einde ingevuld, maar stokte bij de laatste twee puntjes:

“I feel safe.”

“I feel free.”

Ik staarde er even naar: ik wou ze zo graag aanduiden. Maar toen heb ik de quiz afgerond, met tranen in mijn ogen, zonder die twee gevoelens aan te vinken. Omdat ik mij helemaal niet veilig of vrij voel. En wat ben ik toch jaloers op iedereen die zich wel veilig of vrij voelt. Maar vooral ben ik boos dat ik zo jaloers ben op hen, terwijl ik toch nog heel geprivilegieerd ben.

Ik kon school lopen, ik ben drietalig, ik mag werken en verder studeren, ik ben heteroseksueel, ik mag mijn vrienden en mijn man vrij kiezen, ik mag stemmen en verkozen worden, ik mag reizen en de wereld zien. In vele opzichten ben ik heel veilig, en heel vrij. Maar in veel andere opzichten ben ik nog steeds niet veilig of vrij genoeg.

Ik ben onderdrukt, maar geprivilegieerd. Met die privileges gaat veel dankbaarheid gepaard – en dan vooral dankbaarheid naar mijn tante toe, terwijl de onderdrukking leidt tot een grote identiteitscrisis. En over deze crisis wil ik het hebben.

Ik weet wie ik ben, maar ik weet niet waar ik thuis hoor.

Begrijp me niet verkeerd: ik weet wie ik ben. Sabrine, 21, trotse Belg, trotse Rwandees. Mijn ouders heb ik nooit gekend. Mijn tante is de sterkste vrouw die ik ken. Mijn oma is de wijste persoon die er bestaat – en dat is wetenschappelijk bewezen, jawel.

Schrijfster, lezeres, rechtenstudente met onmogelijke dromen. Veel vrienden, de meeste wit. Onbegrepen door een groot deel van mijn familie omdat ik te westerse, liberale ideeën heb. Onbegrepen door mijn witte vrienden, omdat zij mijn onderdrukking niet delen. Ik weet wie ik ben, maar ik weet niet waar ik thuis hoor.

Mijn nicht, ook een beste vriendin, ging vorig jaar naar Rwanda. Toen we aan het bellen waren, vertelde ze me hoe moeilijk de eerste dagen daar waren voor haar. Onze familie was heel blij om haar terug te zien, maar ze maakten veel opmerkingen over het feit dat ze geen Kinyarwanda spreekt. ‘Die kinderen gaan naar Europa en vergeten van waar ze komen’, luidde het.

Het ironische was natuurlijk dat zij in Parijs geboren is. Ik kan me niet inbeelden wat het zou zijn als ik zou terugkeren, aangezien ik ooit wel Kinyarwanda sprak. Ze vertelde me droevig dat ze op straat bekeken werd. Dat mensen zagen dat ze daar niet behoorde te zijn. Dat ze een toerist was. Ook na twee maanden, bekeken mensen haar zo. Het was afschuwelijk om aan te horen. Want daardoor werd het duidelijk dat de thuis van onze ouders niet onze thuis is.

En met de dag wordt het duidelijker dat de westerse wereld mijn thuis ook niet is. Ik schreef een opiniestuk voor De Morgen, waarin ik zei dat ik mij niet meer veilig voelde in Vlaanderen sinds ik de politiek volg. But who am I kidding? Het probleem is niet alleen in Vlaanderen aanwezig; het is een Belgisch probleem. Hoewel ik mij veilig(er) in Brussel voel, voel ik mij daarom niet welkom:

Ik ben in het huis gaan wonen van zij die mijn thuis hebben bestolen en afgebrand om hun eigen huis te kunnen bouwen en — wanhopig — vraag ik hen dan dat ze me evenveel rechten zouden toekennen als aan hun eigen kinderen. En wanneer ze weigeren, wanneer ze duidelijk maken dat ze niet eens willen dat ik daar zou wonen, wanneer ze al dan niet subtiel wijzen op hun superioriteit, vraag ik het luider, roep ik harder, eis ik mijn rechten op. Ik ben als een ongenode gast die weigert te vertrekken, en daarbovenop haar plaats met trots durft op te eisen, niet begrijpend dat ze daar niet gewenst is. En ik vraag me af waarom ik dat doe. In een verblindende en droevige flash, wordt het echter duidelijk: mijn thuis is bestolen en afgebrand. Ik heb niets anders. Ik kan nergens anders heen.

Vanuit mijn kamer, waar ik dit aan het schrijven ben, heb ik een prachtig zicht op de Basiliek van Koekelberg. Leopold II heeft die laten bouwen in 1905. Al een jaar kijk ik hier naar, en denk ik aan de Afrikaanse levens die opgeofferd werden, opdat hij ook een mooie “Sacré-Coeur” zou kunnen hebben. Telkens als ik me naar het centrum van Brussel begeef, moet ik de Leopold II-laan nemen. Meestal sta ik er niet bij stil.

Maar een klein moment is genoeg om te beseffen dat de man die meer dan een ton Congolese kinderhanden per dag liet afhakken omdat hun vader niet genoeg rubber leverde, nog geëerd wordt in “mijn” land. De man die “rasechte” Congolezen naar België liet komen om ze tentoon te stellen in “menselijke dierentuinen” tijdens de Koloniale tentoonstelling, en dan de zeven overledenen niet eens waardig genoeg achtte om te begraven, wordt nog geëerd in “mijn” land. Is het dan echt mijn land?

Op een dag liep ik verloren in het centrum van Brussel, zoals het alleen gebeurt wanneer je niet wakker genoeg bent, en besefte ik dat een van de straten die ik zo vaak bewandel “Koloniënstraat” heet. Ik begon alweer bijna te wenen. Ik begreep mijn reactie evenwel niet: keek ik niet iedere dag naar de Basiliek? Stapte ik niet regelmatig door de Leopold II-laan? Wou ik niet gaan pleiten in het Justitiepaleis? Was er geen map vol foto’s van het station Antwerpen-Centraal op mijn computer, genomen door een vijftienjarige Sabrine vol bewondering? Had ik niet een volledig jaar naast het Atomium gewoond, en waren er daar geen gruwelijke dingen in 1958 gebeurd?

En nu we het hierover hebben, hoe absurd is het dat de kinderen die werden tentoongesteld in het Congolese dorp van Expo 58, nu jonger zijn dan sommige grootouders? Het zijn mensen die hier zouden kunnen rondlopen, die we zouden kunnen kennen. Hoe gek is het dat we iemand zouden kunnen kennen die in een “menselijke dierentuin” heeft geleefd? En worden jullie niet misselijk van die term?

Racisme is iets waarmee ik geconfronteerd werd zodra ik als vijfjarige in België aankwam en sindsdien dagelijks meemaak, maar in sommige landen is het nog erger.

Ik vind het zo ongelooflijk zwaar om hier te wonen. Wie mij kent, weet dat ik al moeite heb met het concept “leven”, en dat ik een erg depressief en gebroken iemand ben. En in België wonen, maakt het niet makkelijker. Toch is dit waarschijnlijk de beste optie.

Want dit is de waarheid: racisme is iets waarmee ik geconfronteerd werd zodra ik als vijfjarige in België aankwam en sindsdien dagelijks meemaak, maar in sommige landen is het nog erger. Zwarte mensen worden doodgeschoten door politie in Amerika. Zwarte vrouwen krijgen nergens het respect dat ze, als mens, verschuldigd zijn.

Overal in de westerse wereld zijn er relikwieën van mensen die mij het leven niet gunnen – en op sommige plaatsen in Afrika ook. Met deze kennis leven, is zwaar. Maar een van de zwaarste dingen, is weten dat ik klasgenoten en vrienden heb gehad die in de superioriteit van het witte ras geloven. En dat ik kennissen heb van wie overgrootouders in Congo en Rwanda zaten, en van wie de familie collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor sommigen maken mijn huidskleur, en/of geslachtsdelen, mij inherent minderwaardig. En ik wou dat ik jullie kon beschrijven hoe ik me voel wanneer ik mezelf toelaat te beseffen dat er mensen zijn die mij niet ontmoet hebben en toch protesteren opdat ik zou ophouden met leven, met bestaan, met gelijke rechten op te eisen. Maar dat kan ik niet. Mijn hart breekt gewoon, telkens opnieuw. En telkens opnieuw voel ik de zwaarte van mijn bestaan, de pijn van mijn strijd, het zout van mijn tranen.

Maar ook wenend kan je strijden, en ook wanneer je niet welkom bent, kan je je gerechtigde plaats opeisen; en ik geloof dat, op een dag, alle standbeelden uit het straatbeeld zullen verdwijnen, alle straatnamen zullen veranderen, en de geschiedenis van alle gebouwen verhelderd zal worden. Een zwarte vrouw zal het Belgische staatshoofd zijn, en haar vrouw zal een speech houden over hoe zij iedere dag wakker wordt in een land dat gebouwd werd met slavengeld. En dan zullen we alvast dichter staan bij de veiligheid, en de vrijheid, waar ik zo naar verlang.

Sabrine Ingabire is schrijfster, activiste en studente. Je kan haar op Facebook volgen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur