Wat als we onszelf meer zouden zien en voelen als deel van de natuur?

Over mondmaskerpijn en het weggooien van zorg voor anderen

© Brecht Goris

Het zicht van een mondmasker, desolaat weggegooid op de straatstenen, bracht Jan Mertens plots en intens verdriet. Was het de vermoeidheid, die net voor de vakantie toeslaat? Of het verlangen naar kleine woorden, met de stilte die daarin rust dat ons misschien wel een soort schaduwplekje kan geven in deze onzekere dagen?

Ik zal het maar eerlijk zeggen. Ik ben een beetje moe. Terwijl ik dit schrijf, gaat mijn vakantie bijna beginnen. Mijn hoofd is nu ergens tussen “alle dingen die nog even moesten gebeuren voor de vakantie zou beginnen” en de lichamelijke verwarring van die eerste vakantiedagen na zo’n toch wel intense periode. Velen zullen dat gevoel wel herkennen. De dingen vallen een beetje stil en alles aan je lichaam begint pijn te doen.

De eerste dagen van mijn vakantie heb ik altijd een zekere meningenallergie. Niet dat ik wil dat de wereld verdwijnt, niet dat ik me wil onttrekken aan alle turbulenties en gevechten, het geroep is me gewoon even te veel. Het is mijn huid die het me zegt, op een of andere manier.

Er was de voorbije dagen een verlangen naar kleine woorden. Het is natuurlijk moeilijk om te ontsnappen aan “de toestand”. Dat is dan ook het wezen van deze toestand. Hoezeer we ook denken dat we ervan weg kunnen rijden of vliegen, of dat we door ons in een of ander wild feest te storten iets kunnen “verslaan”, de toestand is er nog steeds. De cijfers beginnen weer te kantelen, in de verkeerde richting. Nieuw leed dient zich aan.

Grote woorden waren er genoeg. Ze maakten me vaak zo verdrietig. De stelligheid waarmee mensen begonnen te toeteren over het woord “perspectief” was andermaal vermoeiend. Het eindeloze gezeur over hoe onaanvaardbaar het wel was dat die kleurcodes voor andere landen zomaar en zo snel veranderden werd soms een beetje obsceen. Men had immers “recht” op een perspectief, en de overheid had dan in die redenering de plicht om te zorgen voor volledige “duidelijkheid”, en een perspectief dus.

In die redenering zijn burgers nu niet meer dan klanten van de overheid geworden en moet de overheid via een of andere magische truc volstrekt vierkant maken wat in wezen rond is. Mensen willen als perspectief de zekerheid dat ze rustig kunnen vertrekken naar de plek die ze hadden gekozen, ze willen liefst de twee voorziene weken niet meer moeten nadenken over een en ander, en dan daarna zonder problemen weer naar huis komen en rustig verder gaan met de dingen.

Het pijnlijke is dat het niet in vraag moeten stellen van de eigen leefstijl de structurele onzekerheid van de pandemie vergroot.

Het pijnlijke is dat dat soort verlangen naar een controle over de werkelijkheid, in de vorm van het vooral niet in vraag moeten stellen van de eigen leefstijl, de structurele onzekerheid van de pandemie nog vergroot. Als we onder ons verlangen naar een perspectief verstaan dat we vooral niet moeten kijken naar de wankelende werkelijkheid, wordt die alleen nog maar meer wankelend.

Er is een variant van deze redenering: ‘Het kan wel zijn dat er klimaatverandering is, ik wil het perspectief hebben dat ik zal kunnen blijven vliegen, zoveel ik wil, wanneer ik wil en waar naartoe ik wil, want ik heb er recht op.’

De werkelijkheid volgt soms een andere logica dan onze lineaire verlangens. Het verlangen naar voorspelbaarheid en het niet moeten bevragen van jezelf is waarschijnlijk heel menselijk. Het heeft ook iets “losgekoppeld”. Een beter woord vind ik er niet meteen voor.

Het heeft iets te maken met het verdriet dat ik soms ervaar. Als we onszelf meer zouden zien en voelen als een deel van de natuur, als ten diepste één met de andere wezens en met de onbestendigheid van de dingen, zou het dan gemakkelijker zijn om verbonden te blijven en onszelf niet los te koppelen? Zouden we dan gemakkelijker kleine woorden kiezen en ons zo gedragen dat we anderen ook de hele tijd mee dragen en beschermen?

Hoe ik van die kleurcodes bij deze overweging ben gekomen, is me niet helemaal duidelijk. Misschien zegt het meer over mijn vermoeidheid en mijn verlangen naar geheeld worden. Deemoed is het woord dat bij me opkomt. Misschien is dat een oud woord. Het is wel een heel mooi woord. Helemaal niet in de betekenis dat je jezelf klein zou moeten maken voor een of andere god of aardse macht. Of dat je je willoos zou moeten schikken in een of ander lot, integendeel. Wel iets van een rustige, zelfgekozen nederigheid en zachtheid, en de vrijheid die er in die houding kan rusten.

Een mooie vrouw herinnerde me eraan, de voorbije dagen. Ze vroeg me waarom niet meer mensen gewoon voelen dat ze een deel zijn van de natuur, waardoor ze toch meteen ook zouden voelen dat je anders zou moeten omgaan met de aarde. Het was een ontwapenende vraag. Ze bleef door mijn lichaam bewegen. Het was alsof ik een aanknopingspunt zocht, om er iets mee te kunnen doen.

Ze vroeg me waarom niet meer mensen gewoon voelen dat ze een deel zijn van de natuur, waardoor anders zouden omgaan met de aarde.

Soms zoek je naar een beeld dat je helpt om iets te begrijpen of om een weg te zien in de mist van de dingen. Ik had haar verteld over hoe ik als jongen van een jaar of veertien tekeningen maakte vanuit een vaag spiritueel gevoel dat samen te vatten was als: worden = zijn. Zoals zo vaak, begreep ik zelf nauwelijks wat er in mijn hoofd kwam. Misschien was ik zonder het te beseffen stiekem een amateurboeddhist of zo. Maar er was een vaag prewoordelijk gevoel (of verlangen) dat het voortdurend veranderen (zoals de seizoenen of zoals het getij van de zee) zelf een zijn is. Het wezenlijke van wie ik als mens ben, is niet iets dat ergens in een hemel van onveranderlijkheid, weg van de aarde en de tijd is. Losgekoppeld dus. Als ik sterf, verdwijn ik in mijn geliefden. En in steeds nieuwe, veranderlijke vormen, ga ik zo nooit verloren, of zoiets.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Mijn excuses voor deze spirituele omweg, die voor velen waarschijnlijk iets te tenenkrullend drassig is. Het is alleen een omweg om te begrijpen waarom ik zo’n intense mondmaskerpijn voelde.

Het is niet zo dat ik mijn mondmaskers veel te strak aan mijn dikke kop snoer waardoor ik me ook nog eens een strakke hoofdpijn aan zou doen. Het is meer laag bij de grond eigenlijk. Ik was op weg naar huis en zag op straat een weggegooid lichtblauw mondmasker op de kasseien liggen. En ik voelde in mijn hele lichaam een acute scheut van mondmaskerpijn. Dat zicht is zo desolaat pijnlijk, zo hoogmoedig achteloos dat het je intens verdrietig kan maken.

Het heeft iets te maken met het weggooien van wat kostbaar is. Het weggooien van verantwoordelijkheid. Het weggooien van zorg voor anderen. In die pijn voelde ik die loskoppeling, op een manier die me zelf heel even eenzaam maakte. Misschien raakte die pijn de verlatenheid die al in mijn lichaam was ingeschreven in de tijd. Misschien was ik gewoon opstandig of verontwaardigd. Misschien was het moedeloosheid.

Dat mondmasker op de kasseien, het heeft iets te maken met weggooien van wat kostbaar is.

Toen ik thuiskwam, kwam het woord deemoed in me op. Ik knoopte mijn herbruikbaar mondmasker los, stopte het samen met enkele andere dingen in de wasmachine, legde het nadien zorgvuldig op het droogrekje. Dat maakte me weer rustig. Ik heb blijkbaar een circulair verlangen dat me op een of andere manier een minder afgesloten gevoel geeft.

Daarna dacht ik aan Lego. (Sorry voor deze andermaal rare hersenkronkel van mijn vermoeide hoofd.) Als kind had ik veel Lego. Die zat in enkele mooie houten kisten die mijn vader voor me gemaakt had. Vorig jaar hebben we het ouderlijk huis leeg gemaakt, en kwam de Lego terug naar mij. Ik zocht naar een bestemming, en daarin kwam dat circulaire verlangen ook weer naar boven. Ik heb zelf jammer genoeg geen kinderen, en dat is een groot verdriet in mijn leven. Er zijn wel kinderen waar ik een sterke band mee heb, en voor wie ik iemand mag zijn.

En er is Julia, de dochter die ik zou gehad hebben, en die in mijn lichaam leeft. Ze heeft de naam van mijn lieve grootmoeder, de oude Julia, die 97 geworden is. ‘Waarom wil je kinderen?’ Die vraag krijg ik weleens, en ze is moeilijk te beantwoorden. Ik had gehoopt zelf ooit een kind te hebben, dat ik dan in de armen van de oude Julia zou leggen, en dan zou alles goed zijn. Dan zou me niets kunnen overkomen, want ik zou deel zijn van de eeuwige onveranderlijke veranderlijkheid van de tijd. Of zoiets.

Maar dat kind is er dus niet gekomen. Ik had aan een heel dierbare vriendin gevraagd of haar kinderen en kleinkinderen misschien graag de Lego zouden hebben. En ze zei ja. Het ontroerde me heel diep, te weten dat die houten kisten toch weer in de kringloop zouden komen. Onlangs kwam ze de kisten ophalen. Een van haar kleinzonen was erbij. Hij was een beetje onwennig toen hij binnenkwam. Tot ik de kist openzette, en hij heel voorzichtig naar de Lego kwam, waarna hij al snel helemaal weg was in het spel. Ik herinnerde me nog alles van elk blokje en kon de verhalen vertellen. Zoals over die overzetboot van Lego, waarvan in de grijze onderplaat een barst zat. Omdat nonkel Nelles erop had getrapt. En ik was zo gelukkig.

Ik weet niet wat dit hele verhaal eigenlijk met “de toestand” te maken heeft. Misschien hoeft dat ook niet. Misschien kunnen deemoed en Lego helpen tegen mondmaskerpijn. Dat lijkt me wel een mooie gedachte om de vakantie mee te beginnen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.