Moslims kunnen zich nooit genoeg excuseren

Columniste Tine Hens over onze harde maatschappij: ‘Zelfs als je je hoofddoek aflegt, openlijk een Koran verbrandt, lacht met de cartoons van de profeet, en een varken opeet, dan nog zal het niet voldoende zijn.’

  • © Brecht Goris ‘Wie is er naïef? Hij die denkt dat je met paracommando’s op de luchthaven de veiligheid verhoogt of hij die probeert de ander te leren kennen?’ © Brecht Goris

We hadden er nog mee gelachen, die ochtend. Met de dikkige motoragent die driftig met de armen wapperend onze straat afsloot om een stoet van drie witte wagens met loeiende sirenes vrij baan te geven.

Toen hij zelf wilde vertrekken om de karavaan af te sluiten, viel de motor stil en was het voertuig in al zijn logheid net niet tussen zijn benen geglipt. De agent had hoorbaar gevloekt, onbeholpen om zich heen gekeken, een auto die hem probeerde te passeren uitgekafferd en teruggefloten, om zo elegant mogelijk weer op zijn motorfiets te kruipen en hem met een hmpf, hmpf weer in gang te duwen.

Zigzaggend, met flikkerende zwaailichten raasde hij door de dorpskern om de stoet waarvan hij de punt vormde weer in te halen.

We hadden ermee gelachen, de twee zonen en ik.

Toen nog wel.

Salami met ham

‘Zou hij ontsnapt zijn?’ vroegen ze zich af met de gretigheid van kinderen die zich midden in een onbekend avontuur bevinden. Met ‘hij’ bedoelden ze Salah Abdeslam, op de speelplaats beter bekend als salami met ham. Die dag hadden ze er bijna allemaal hun boterhammen mee belegd. Met salami en ham. Er was ook een vegetarische variant met sla – uitgesproken als salaa en een halalvariant met salami van kip.

Iedereen zou die middag zijn tanden zetten in de meest gezochte terrorist.

Iedereen zou die middag zijn tanden zetten in de meest gezochte terrorist.

Maar dat was voor de berichten binnenstroomden en het duidelijk werd waarom de zenuwen van de dorpsagent zo strak gespannen hadden gestaan.

De boterhammen bleven die namiddag in de refter grotendeels onaangeroerd, al zeiden sommigen ook dat het beter was zo normaal mogelijk te doen en door te bijten, ook al was het met lange tanden.

‘Hoe vertellen we het aan onze kinderen’, gonsde het kort na de aanslagen als trending topic op sociale en andere media.

Terug naar de jaren tachtig

Onwillekeurig moest ik terugdenken aan de jaren dat ik zo oud was als mijn zonen nu zijn. Negen en bijna elf. Het waren de jaren tachtig. Terreur en zinloos geweld waren op een vreemde manier deel van ons leven. Er liepen bendes rond, dat wisten we, en sommigen hadden iets tegen onze levensstijl – die toen nog niet lifestyle was gedoopt. Ze ontvoerden industriëlen, politici en ze legden bommen aan ministeries. Het had met de koude oorlog te maken die – zo begrepen we zonder het echt te begrijpen – een oorlog om de geesten was.

Anderen schoten in het wilde weg om – zoals dat toen heette – terreur te zaaien en het land te destabiliseren. We hadden het erover terwijl we de knikkers uit onze washandjes schudden. Over de celulles combatantes van de CCC die we – met ons steeds rijker wordend vocabularium voor menselijke geslachtsdelen – al snel omdoopten tot ‘ambetante lullen’.

Voor de andere bende hielden we het bij de officiële naam, omdat die al mysterieus genoeg klonk. De bende van Nijvel. Die was grimmiger want veel doellozer. Ze viel grootwarenhuizen binnen op het moment dat mensen er de boodschappen voor het weekend deden. Het was een bende die moordde zonder te roven maar om een zo groot mogelijk effect te scoren. Een bende die – dat zouden we later ontdekken – nooit gevonden werd.

Over ‘hoe vertellen we dit aan kinderen’ werd niet zo druk gedaan. Het enige wat ik me herinner, is mijn vader die hoofdschuddend naar de televisie staarde en vijf keer het woord ‘onnozelaars’ herhaalde. Hij zou het blijven zeggen. ‘Onnozelaars.’

Het hielp, herinner ik me. Om er zo naar te kijken. Als naar een bende onnozelaars.

Ongemakkelijk

Terwijl de eerste cijfers van doden en gewonden binnenliepen, moest ik ook terugdenken aan het telefoongesprek dat ik een week eerder had gevoerd met de moeder van een vriendje van mijn oudste zoon. Ze is een Tunesische die de kantoren poetst waar onze diensteneconomie zich afspeelt. ‘Je m’excuse’, had ze wel twintig keer herhaald. ‘Je m’excuse’ omdat ze me vroeg of haar zoon met ons kon meerijden naar een verjaardagsfeestje in Zaventem.

‘Je m’excuse.’ Het klonk alsof ze zich wilde excuseren voor haar bestaan, haar geloof, de wereld waarin we leven, het wantrouwen waarin we ons wentelen, de muren die we overal optrekken. ‘Sorry, sorry’ zei ze, want ja ze excuseerde zich er ook voor dat haar Nederlands nog niet is wat het volgens de Vlaamse normen moet zijn.

Ik werd er ongemakkelijk van.

Het is in orde, je moet je niet verontschuldigen, waarop zij me bedankte, merci, merci, omdat ik zei dat ze zich niet moest excuseren. Bedanken is niet nodig, antwoordde ik, waarop zij zich excuseerde omdat ze zich toch weer geëxcuseerd had. Zo ging het nog even door en plots drong die vervelende waarheid tot me door.

Dat het nooit genoeg zal zijn.

Moslims kunnen zich in onze ogen nooit genoeg excuseren.

Moslims kunnen zich in onze ogen nooit genoeg excuseren.

Of ze nu witte rozen uitdelen aan de uitgang van het station, of ze nu filmpjes opnemen waarin ze hun medeleven tonen, of hun afschuw uitdrukken voor die onnozelaars met hun bomgordels en hun dwaze vissershoedje, altijd zal de vraag terugkeren of ze die rozen niet met stempelgeld hebben betaald, of ze niet moeten werken in plaats van filmpjes te posten en of die afschuw wel oprecht is?

In onze samenleving duurt het eindeloos voor je van een zij een wij wordt. Je mag nog geloven dat er niet meer dan een wil nodig is om de weg te vinden, en dat inburgeringscursussen volstaan, maar het ‘wij’ moet je gegund worden. En dan nog is het vaker voorwaardelijk dan definitief.

Wanneer hou je in dit land op een buitenstaander te zijn?

Zelfs als je je hoofddoek aflegt, openlijk een Koran verbrandt, lacht met de cartoons van de profeet, en een varken opeet, dan nog zal het niet voldoende zijn.

‘We moeten af van het politiek correcte denken’, wordt er steevast geroepen. De taboes moeten op de schop! We moeten durven zeggen waar het op staat! Alles moet gezegd worden! Maar wat moet er precies gezegd worden en wat is er nog niet gezegd? Hoe vaak een moslim zich ook mag verontschuldigen voor iets waar hij evenveel mee te maken heeft als wij met de Bende van Nijvel, het zal nooit genoeg zijn.

Tijdelijk medeleven

Zijn we hard geworden of zijn we het altijd geweest? Terwijl de beelden van het vernielde metrostel de wereld afreisden, nestelde zich in de verwarring van die ochtend nog een andere gedachte in mijn hoofd.

‘Slaapplaatsen beschikbaar’, postte ik op Twitter. ‘Dank, maar niet nodig’, antwoordde de politie. Plots ontdekte ik hoe een goed geolied reddingsapparaat eruit kan zien. Mensen werden in de sporthal van Zaventem opgevangen, van daaruit naar Leuven gebracht om ’s avonds een opgemaakt bed in de Brabanthal te vinden. Het was wonderlijk, schoon, hartverwarmend, maar het wrong ook.

Zijn we hard geworden of zijn we het altijd geweest?

Zo eenvoudig bleek het om in grote getallen tijdelijke opvangplaatsen voor gestrande reizigers uit het niets te creëren.

Zo moeilijk blijft het om mensen onderdak te bieden die vluchten voor bommen die geen nieuws meer zijn omdat ze dagelijks ontploffen.

De buitengrens van Europa is op dit moment de dodelijkste van de wereld. De opvang wordt er vooral niet uitgebreid of uitgebouwd om geen aanzuigeffect te creëren ook al is op zo veel manieren aangetoond dat dat aanzuigeffect niet aan te tonen is.

Ons onvermogen een vluchtelingenbeleid te voeren heeft al minstens tienduizenden slachtoffers gekost. Mensen die wegrennen van willekeurige terreur, van aanslagen op pleinen, aan scholen, in grootwarenhuizen. Mensen die er niet voor kiezen om van daar naar hier te verhuizen. Mensen die gedwongen worden om alles achter te laten.

Waarom is het medeleven met hen zo tijdelijk? Omdat hun verblijf hier permanent dreigt te worden en dat van de gestrande reiziger per definitie eindig is? Is het makkelijker warm te lopen voor de mens die toch weer vertrekt dan voor de mens die hier zijn leven opnieuw hoopt op te bouwen?

‘Niet naïef zijn’, klinkt het als je daarvoor begrip vraagt.

Maar wie is er naïef? Hij die denkt dat je met paracommando’s op de luchthaven de veiligheid verhoogt of hij die probeert de ander te leren kennen?

Die avond bel ik de moeder van de vriend van mijn zoon. Niet om een boterham met salami en ham te eten, wel om eindelijk die kop thee te drinken die ze me al zo lang aanbiedt. Samen komen of #sameneten zoals het op Twitter weerklonk, is iets waar je alleen maar voor kunt zijn. Tenzij je net als die onnozelaars met hun bommengordels niet wil dat we hier eindelijk beginnen samenleven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift