Zachte verhalen in plaats van harde woorden

Op stap met mijn kleinzoon

© Brecht Goris

Jan Mertens

Je kiest niet waar en wanneer je geboren wordt. Je wordt in het leven geworpen. Als je geluk hebt, kom je terecht op een plek waar mensen je warmte en geborgenheid geven. Als je pech hebt, zal een stuk van wie je bent je hele leven op de vlucht zijn, met net iets te veel littekens. Je woont niet alleen in een huis dat hopelijk ook een thuis kan zijn, je woont ook een beetje in de verhalen. De verhalen dragen je in het leven, doorheen de tijd.

Om een stukje te kunnen schrijven moet je altijd een beetje wachten op een onderwerp dat naar je toe komt. De vorige dagen voelde ik me soms een beetje moe door de grote woorden. Een verkiezingsperiode is in veel opzichten een feest, maar het is soms ook een beetje vermoeiend. Dromen kunnen heel groot zijn, soms zelfs pijn doen, maar daarom moeten de woorden niet altijd zo groot en zo stellig zijn, denk ik weleens.

Ik denk dat ik steeds minder bestand ben tegen het harde en cynische geroep van mannen die zichzelf heel stoer of “vastberaden” vinden en blijkbaar glimmen van trots als ze weer eens hard hebben kunnen uithalen naar die zogenaamd naïeve jongeren die maar blijven zagen over het klimaat. De woorden doen pijn. Ze openen geen deuren, wat ze hadden kunnen doen door het toelaten van een beetje twijfel of kwetsbaarheid. Ze sluiten deuren, en dat was ook de bedoeling.

Wanneer zou mijn onderwerp komen? Ik liep in Brussel, op weg van het station naar mijn werk, en zag die Afrikaanse moeder voor me lopen, met haar twee dochtertjes. (Ik vraag me altijd af hoeveel tijd er kruipt in het maken van die vlechtjes…) En ik dacht aan mijn grootvader. Fons. Ik verlangde eigenlijk naar de verhalen van mijn grootvader. Blijkbaar zou hij mijn onderwerp worden.

De E10 was zo’n beetje de rand van ons universum. De grens met Nederland was een andere rand.

Fons was geboren in 1900. Ik in 1965. Ik herinner me nog hoe ik als klein jongetje na school in de zetel tegen mijn grootvader aan ging zitten. En dan las hij voor. Ik herinner me nog zijn geur. Hij was schrijnwerker, en dat kon ik ruiken. Samen gingen we vaak met de fiets op stap. We reden dan tot aan de bruggen over (toen nog) de E10. Die snelweg was zo’n beetje de rand van ons universum. De grens met Nederland was een andere rand.

Bij thuiskomst kreeg ik van hem een klein glaasje Babycham. Hij vertelde vaak over de oorlogen, over hoe hij als jonge man ging feesten twee dorpen verder, over hoe hij met de brandweer een schuur moest gaan blussen. Hij keek – zo beleefde ik het toch – vol verwondering naar de nieuwe tijden. ‘Wat ze tegenwoordig allemaal al niet kunnen…’ Hij stond te kijken naar de allereerste videorecorder die we hadden, en ik probeerde hem uit te leggen wat dat immense apparaat (een Sony Betamax) eigenlijk deed.

Vanaf mijn tienerjaren begon het een beetje te schuren tussen mij en de wereld. Het waren de jaren van de raketten, de grote jeugdwerkloosheid, … Ik was heel erg kwaad op de wereld, op de generatie van mijn ouders. Het was alsof ik in de wereld geworpen was op een moment dat het al te laat was. Die stomme raketten, die stomme kernenergie, die vervuiling, ik had er niet voor gekozen maar moest het wel in mijn hoofd proberen te krijgen. (Dat hoofd was toen ook al redelijk groot, maar het lukte toch niet altijd.)

Hij zou tegelijk verwonderd en ook een beetje bang en teruggetrokken staan kijken naar het snelle leven dat zo anders was dan het dorp waar wij vandaan kwamen.

Misschien was ik een beetje ontheemd. Misschien had ik no direction home (ook in die jaren leerde ik Bob Dylan kennen). Op een of andere manier had ik het gevoel dat het gemakkelijker zou zijn als ik kon voelen in mijn lichaam hoe het was geweest “voor” dit moment dat al te laat was. In mijn hoofd voegde ik, door zijn verhalen, die 65 jaar van mijn grootvader toe. En dat gaf me het gevoel dat ik iets steviger in de aarde stond, een beetje meer bestand tegen de wind.

Ik miste zijn verhalen, besefte ik. Er was een groot verlangen om hem mee op stap te nemen. We zouden een beetje rondwandelen in Brussel. Hij zou tegelijk verwonderd en ook een beetje bang en teruggetrokken staan kijken naar het snelle leven dat zo anders was dan het dorp waar wij vandaan kwamen. En we zouden in het park op een bank gaan zitten. Ik zou voor hem opnieuw zo’n klein flesje Babycham bovenhalen, met dat lichtblauwe zilverpapier. En ik zou hem vragen nog eens te vertellen over die Duitse soldaat die hem tegenhield toen hij naar de brandweerkazerne liep om mee een brand te gaan blussen.

Ik ben blij dat ik in zijn verhalen kan wonen. Ze beschermen me nog steeds een beetje tegen de wind. (De grote woorden over die ene identiteit die ik zou moeten hebben doen dat niet, integendeel.) Het is echter een moeilijke vraag: welke verhalen zou ik aan mijn kleinkinderen vertellen?

Ik liep achter die vrouw met de twee dartelende meisjes met de vlechtjes. En ik dacht aan Julia, de dochter die ik nooit gehad heb. Ik ben 54 nu, dus technisch gezien had ik zelfs al bijna grootvader kunnen zijn. Een klein jongetje, misschien wel met de naam Fons, wie weet. (Genoeg gefantaseerd Jean, spreek ik mezelf streng toe.)

De voorbije weken heb ik regelmatig staan klappen voor de klimaatjongeren die in groep voorbij stapten. Ik stond dan weleens tussen de grootouders voor het klimaat. (Enkel omwille van het woord “groot” in grootouders mocht ik daar staan, denk ik. Hoewel de anderen het blijkbaar heel normaal vonden dat ik er stond.) En ik vroeg me vaak af in welke verhalen die mooie jonge mensen kunnen wonen.

Het is een moeilijke vraag: zou ik een veilige plek kunnen zijn voor dat kleine jongetje dat dan mijn kleinzoon zou zijn? Waarschijnlijk zou ik vertellen over mijn grootvader. Misschien zou ik verhalen verzinnen, zoals ik dat vroeger deed voor mijn zus als ze niet kon slapen. (Ik vroeg dan eerst of het een verhaal moest zijn “om te griezelen” of net niet.) Misschien zou dat kleine jongetje zeggen aan mij dat het niet zo zou uitmaken wat ik zou vertellen, als ik maar vertelde, telkens opnieuw.

De ene zegt: ‘Onze mensen eerst.’ De andere zegt: ‘Onze mensen moeten altijd kunnen vliegen.’ Op een bepaalde manier is er niet zoveel verschil, denk ik.

Ik denk niet dat die wandeling met mijn grootvader een vorm van nostalgie is. Ik wil niet terug naar toen. Ik ben blij dat ik het dorp in mijn hoofd heb, zoals het was in 1900, maar ik zou er niet naartoe willen. Om een of andere reden denk ik dat Fons in mijn hoofd me helpt om rustiger naar de toekomst te kijken en om alles te blijven doen om de deuren open te houden.

Ik denk dat die verhalen iets zachter maken. Die brullende mannen die het hebben over WIJ, NU, HIER maken iets harder, denk ik. De ene zegt: ‘Onze mensen eerst.’ De andere zegt: ‘Onze mensen moeten altijd kunnen vliegen.’ Op een bepaalde manier is er niet zoveel verschil, denk ik.

Het is een softe gedachte in deze harde tijden, maar ik denk dat we op een of andere manier onszelf een vorm van verwondering moeten aanleren. Verwondering, als iets dat je elke dag een beetje moet oefenen, zou ons kunnen helpen om de moed te hebben om te doen wat we tot nu toe te weinig deden. Om van de toekomst een open deur te maken hebben we die moed nodig, denk ik. Mijn kleinzoon die nu tegen me aan zou kruipen om zich veilig te voelen, mijn kleinzoon die dan later zou vragen of ik met hem op stap wil gaan door de stad. Het is een zachter verhaal dan de harde woorden van de vastberaden venten.

Eigenlijk weet ik nog altijd niet wat nu eigenlijk het onderwerp van dit stukje is. Het heeft iets met mijn grootvader te maken, maar ik zou niet goed kunnen zeggen wat. Misschien heeft het gewoon zichzelf geschreven. Zoals verhalen mensen dragen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.