Leven in een tussentijd

Rouwen om het jaar dat achter ons ligt

© Brecht Goris

Jan Mertens

Het is misschien wel goed om ook een beetje te rouwen over het jaar dat achter ons ligt, suggereert MO*columnist Jan Mertens. Om de hoop van het nieuwe jaar te kunnen toelaten. Misschien zegt die drassige tussenplek tussen 2020 en 2021 wel iets over het echte leven.

In de krant las ik een mooi bericht: in Duitsland waren twintig treinen geblokkeerd omdat er een rouwende zwaan op de sporen stond. De vrouwtjeszwaan was ‘met haar vleugels verstrikt geraakt in de stroomkabels en op die manier overleden’.

(Het is op zich al ontroerend dat men over een dier zegt dat het overleden is. Om een of andere reden zegt men dat niet over de kerstkalkoen die te dik bleek voor de kleine bubbels en waaraan veel werk was voor de slager.)

‘Het mannetje wilde van geen wijken weten en bleef op het spoor bij zijn overleden partner zitten.’ De brandweer moest speciaal materiaal gebruiken om de beide zwanen te verwijderen, waarna de treinen weer konden rijden.

Veel mensen in de trein zijn waarschijnlijk kwaad geweest. Ze waren moe, op weg naar huis, wilden iets achter zich laten, of hunkerden naar hun geliefde die ze eindelijk nog eens van dichtbij wilden kunnen voelen en ruiken. Het verdriet komt er zomaar tussendoor fietsen, of vliegen, in dit geval.

In je hoofd wil je, om de werkelijkheid aan te kunnen, liefst heldere dingen. Niet van die onvoorziene drassigheid die beroep doet op je gevoelens, waardoor je verplicht bent om buiten jezelf te denken. Om door het raam van je comfortabele treincompartiment naar buiten te kijken.

Oefening in mildheid, elke dag

Mensen komen doodleuk vertellen dat ze na thuiskomst van het skiën eerst Nieuwjaar vieren met de familie en daarna wel in quarantaine zullen gaan.

Aan de andere kant van de oceaan is er een bang gelig mannetje dat werkelijk alles uit de kast haalt om vooral niet te moeten rouwen. Je kunt zelfs niet helemaal uitsluiten dat hij ondertussen echt zijn eigen leugens gelooft.

Misschien is hij al zijn hele leven bezig rusteloos vooruit te hollen, daarbij zoveel mogelijk verschroeide aarde achterlatend, om zo maar niet zijn diepe verdriet in de ogen te moeten kijken. Hij zal desnoods alle treinen laten stoppen in de heilloze hoop dat een beetje aandacht de pijn van het jongetje in hem zal dempen. Ik denk niet dat de zwaan aandacht zocht. Integendeel.

Leven is een oefening in mildheid, elke dag opnieuw. De werkelijkheid is weerbarstig. Soms meer als vervelende modder dan als een glad fietspad, waar je met net genoeg rugwind door kunt trappen, in een pril lentezonnetje of desnoods in een beetje malse regendruppels, geheel analoog, zonder dat er iemand anders voor je is die te traag of te breed fietst. Misschien waren we allemaal moe, bij het einde van dat in veel opzichten vreselijke jaar 2020. Ik was het ook, heel erg zelfs.

Als mens zijn we een verhalen vertellend wezen. We maken onze eigen verhalen, waardoor er zin komt in de dingen, waardoor ze een volgorde krijgen. Sommigen spreken dan over een perspectief. (Een woord dat volgens mij veel selectiever en met meer deemoed zou moeten gebruikt worden.) We organiseren zelf onze eigen rituelen.

Sommigen willen absoluut hun “recht” op een skivakantie in de bergen niet opgeven. Ze willen liever niet al te veel uit het raampje van de trein moeten kijken naar de modder. Zodra ze horen dat er strengere maatregelen komen, vertrekken ze twee dagen eerder naar huis.

Of vertellen ze doodleuk in het journaal dat ze na thuiskomst van het skiën eerst Nieuwjaar gaan vieren met de familie en dan daarna wel in quarantaine zullen gaan. Ik zag die beelden, en er kwam een hevige vermoeidheid over me heen. Misschien is skiën wel een vorm van rouwvermijding.

Troost

Bij het einde van het jaar was er goed nieuws. In Groot-Brittannië of de Verenigde Staten of Nederland lijken de ziekenhuizen echt te gaan bezwijken onder de druk van het hoge aantal besmette en ernstig zieke mensen, maar de toestand in ons land was iets beter. Het aantal overlijdens per dag was gezakt tot gemiddeld 74.

Het is natuurlijk goed nieuws dat het er minder zijn. Maar waarom zouden we wel geschokt zijn als het radiojournaal elke ochtend zou beginnen met het nieuws dat er de vorige dag weer 74 mensen verongelukt waren in het moordende autoverkeer?

Misschien is dat volgens sommigen de prijs die je nu eenmaal moet betalen voor je vrijheid. Het is dan wel een heel merkwaardige en selectieve vrijheid.

Ik zag de beelden van de verpleegkundigen die nachtdienst hadden op intensieve zorgen en met verstilde, machteloze en opstandige berusting moesten ondergaan dat er weer zoveel mensen waren gestorven. Ik heb thuis ook een gezin, zei de mevrouw in beeld. En ze leek vooral het gevoel uit te stralen dat ze op alle vlakken faalde. En ik voelde hoe ik haar wilde kunnen troosten, voor de modder.

Files van verdriet

We snakken naar hoop. Hoop dat “het” voorbij zal zijn. Dat wat zwart was ineens weer wit zal zijn. Omdat we zo zenuwachtig worden van al dat grijs, dat dan ook nog de hele tijd verandert.

Misschien is de werkelijkheid wel grijs en verandert ze steeds. Misschien zien we nu in een heel erg geconcentreerde en samengebalde versie wat in wezen normaal is, en helpen we onszelf niet echt door een verhaal te maken waarin dit alleen maar abnormaal is.

In min of meer abnormale tijden gaat de dood in overdrive. En het verdriet stropt op.

Het is gradueel, denk ik. Misschien is het goed dat we rouwen om wat eigenlijk ook een deel van het normale is. De onzekerheid, het gevoel dat je niet alles kunt controleren, de angst dat je ook naar je eigen twijfels en pijn moet kijken, ze zijn misschien wel deel van het normale. En de dood is dat ook.

In min of meer normale tijden heeft de dood een ritme, waardoor je de kans krijgt om te rouwen. In min of meer abnormale tijden gaat de dood in overdrive. En het verdriet stropt op. Er komt een file van verdriet. Maar het lijkt, in onze rush naar het volledige wit, zo normaal om niet naar die file te moeten kijken.

Sommige rituelen verdienen iets meer plaats en tijd dan andere, denk ik. Een van de dingen die me bijzonder moe maakte de voorbije weken was te zien dat er bij enkele winkels files waren. Een van die winkels was de speciale pop-upkerstwinkel. Die file, dat ritueel, begreep ik niet. Het leek een vorm van rouwvermijding. Ondertussen hangt er in de etalage van die winkel een bordje dat er forse kortingen zijn op alle producten, behalve op de mondmaskers.

Zorg voor de ander, een vorm van rouwen

Misschien kan het een oefening zijn in rouwen, in leven in de werkelijke wereld, om af en toe te denken dat we altijd in een soort tussentijd leven. Een soort limbo of voorgeborchte tussen zwart en wit. Dat daar het echte leven is. In de echte wereld.

In de echte wereld maakt gaan skiën de klimaatverandering niet minder erg, misschien wel integendeel. Als we door het raam van de trein naar buiten kijken, zien we dat 2020 een jaar was waarin de pijn van de aarde ook in overdrive ging. En we willen liever niet al dat gedoe van te moeten denken aan dingen die ons verstoren. Al schuiven we daarmee dan een deel van de pijn naar een ander.

Misschien zullen de volgende weken sommige mensen hun ouders zonder een echt afscheid los moeten laten omdat toch te veel mensen dat vliegtuig niet konden laten staan in de kerstvakantie.

In een van mijn geliefde boekhandels is er een regel dat je alleen komt winkelen, dat er maar vijf mensen binnen mogen en dat je maximaal een half uur blijft. Op die manier kan iedereen een beetje genieten. Positieve modder dus.

En toch zijn er dan mensen die netjes met zijn tweeën in de rij wachten, een voor een naar binnen gaan, om dan toch gewoon samen te kunnen winkelen, omdat zij vinden dat zij dat nodig hebben, dat zij daar wél recht op hebben. Ze maken het moeilijker voor anderen en belasten de mevrouw van de winkel die dan telkens moet zeggen dat het eigenlijk niet mag en zich daardoor een soort schoolmeester zal voelen.

Toch alleen naar de boekhandel gaan en er maar even blijven, is misschien wel een positieve vorm van rouwen.

Begin december overleed mijn moeder. De laatste twee weken van haar leven verbleef ze in de palliatieve afdeling van het ziekenhuis.

Er is veel modder in mijn hoofd. Mijn zus en ik zijn blij dat onze moeder een waardig en rustig afscheid uit dit leven heeft gehad, in die dagen. Tegelijk ben ik verdrietig door het besef dat zoveel duizenden mensen die mogelijkheid niet hebben gekregen de voorbije maanden. Tegelijk ben ik opstandig omdat mijn schoonbroer een voor hem belangrijke ingreep in het ziekenhuis misschien niet zal krijgen omdat de ziekenhuizen in Nederland overstelpt worden door te veel besmette mensen.

Misschien zullen de volgende weken sommige mensen hun ouders zonder een echt afscheid los moeten laten in het ziekenhuis omdat toch te veel mensen dat vliegtuig niet konden laten staan in de kerstvakantie. We moeten er het beste van maken in de modder, handelend vanuit de zorg voor de ander. Misschien moeten we niet al te zeer proberen onze eigen rouw te vermijden.

Alleen in de wind

Ik ben in rouw, voel ik aan mijn lichaam. Ik weet niet helemaal zeker wat die rouw betekent. Ik voel me dankbaar dat ik door de verhalen van anderen hoorde dat mijn moeder voor veel mensen veel betekende. Ik voel me verdrietig voor de pijn en het verdriet in haar leven, voor de schaduwen die anderen op haar weg hebben gelegd. Voor de pijn die werd doorgegeven door de generaties.

Misschien rouw ik ook wel een beetje voor mezelf. Ik sta daar nu ergens in de wereld, zonder ouders, zonder grootouders, zonder kinderen. Een beetje alleen in de wind. Misschien rouw ik voor het gekwetste kind in mij, dat vocht met schaduwen, doorgegeven door de tijd.

In die rouw is er ook dankbaarheid. We mochten van heel dichtbij zien hoe iemand net voor ze zou sterven ineens haar ogen weer opende en hoe die heel langzaam dicht gingen, waarna er nog een laatste trage traan kwam. Terwijl het leven in de palliatieve afdeling gewoon doorging. Verpleegsters waren lachend bezig met hun taken. In een van de kamers naast de onze was een man heel moeizaam aan het ademen. Het leven en de dood vermeden elkaar niet.

Enkele dagen geleden ben ik samen met mijn zus begonnen met het opruimen van de woning van mijn moeder. Het is een emotionele drempel die me zwaar valt. Het is telkens een hele rit vanuit Leuven naar Hoogstraten, in het noorden van het land, waar het soms zo grijs kan zijn.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Die dag werd het me extra moeilijk gemaakt. De eerste trein die ik moest halen, was afgeschaft. Door een persoonsongeval. Ik was een beetje kwaad, ging snel naar de plek waar er een vervangbus zou komen. Die kwam helemaal niet. Terug in het station bleek dat de lijn weer vrij was, en dat ik de volgende trein kon nemen. Een uur later.

Een uitnodiging tot rouw. Iemand was die ochtend waarschijnlijk uit het leven verdwenen, zou die dag niet meer thuiskomen. Zoveel mensen die verdriet zouden hebben, en dat in die koude dagen van het jaar.

Het was alsof het ook een uitnodiging was voor mijn rouw. Ik moest me overgeven aan het ritme dat buiten mijn wil om bepaald werd, om dan toch tegen de middag aan te komen op mijn bestemming en daar te beginnen aan het ritueel van het opruimen.

’s Avonds had mijn bus naar huis vertraging door de permanente file van auto’s in het dorp, waardoor ik mijn trein net miste en een uur in de koude op het perron van station Noorderkempen zat te wachten, met mijn boek. Een mooi verhaal over een vrouw die in het ziekenhuis op bezoek gaat bij een vrouw die waarschijnlijk terminaal is.

Toen ik uiteindelijk thuis kwam, had ik het gevoel dat ik onderweg was geweest. En dat was goed.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3099   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.