Stop met schelden en ontdek de kunst van het gesprek

De knipperlichten staan op Trumpiaans oranje. We belanden in een tijd van weghonen en overschreeuwen. Of gewoon negeren. Terwijl we net wél meningsverschillen moeten aandurven, vindt columniste Tine Hens. Want het gesprek, zo citeert zij de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, is de overtreffende trap van het debat. 

  • © Brecht Goris Tine Hens © Brecht Goris

Dag 25 is het vandaag. Dag 25 sinds de dag waarop men in de Verenigde Staten een ongeleid projectiel tot president promoveerde. De voorbije weken rolden de analyses, verklaringen en beschuldigen over elkaar. Het kwam door de Republikeinen! Door de Democraten! Door de boze blanke mannen! En hun vrouwen! Door de elite! Door de politiek correcte culturele stedelijke elite! Door de achterlijke hilliebilly’s uit de zompige voorsteden! Door de lage middenklasse die naar beneden natrapte! Door de oude mensen die zich vastklampten aan een onbestaand verleden!

Er werd betoogd, verzet georganiseerd, gerouwd om de verloren toekomst. Er werd gejammerd en gebruld. Wraakzuchtig door de ene. Als een gewond dier door de andere. Er werd gesust en gemompeld dat het ‘wel zo erg niet zou zijn want het was toch nooit zo erg als het leek?’; er werd gepleit voor samenwerking, voor afwachtende houdingen, voor rationaliteit. Altijd weer die rationaliteit. Alsof rationaliteit de dam vormt tegen rampspoed. Zou het kunnen dat dat voortdurend rationaliseren van alles wat samenleven mogelijk maakt – van de zorg over het onderwijs tot de postbedeling – mee oorzaak is van emotionele uitbarstingen in het stemhokje?

Het gesprek, zo stelt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, is de overtreffende trap van het debat. Maar, voegt hij eraan toe, wij zijn een maatschappij van het debat geworden.

Ik weet het niet. Ik werd de voorbije weken zo moe van alle meningen, van alle debatten en ik vroeg me af: waar zijn we het verleerd? Waar zijn we het gesprek verleerd? De dialoog? Het luisteren, nadenken en misschien wel zeggen: zo had ik het nog niet bekeken, hier moet ik even over nadenken. Het gesprek, zo stelt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, is de overtreffende trap van het debat. Maar, voegt hij eraan toe, wij zijn een maatschappij van het debat geworden. Hij tegen meestal een andere hij. Of wij tegen zij. Het heeft het voordeel van de duidelijkheid, het nadeel van de onverzoenlijkheid. Samenwerking, meent Sennett, is een vaardigheid die een mens van nature heeft, maar die hij moet ontwikkelen. Sociaal zijn is wat ons tot mens maakt. En daarvoor heeft hij de ander nodig. Of moet hij op z’n minst erkennen dat hij die ander nodig heeft.

Het zijn kwetsbare woorden om uit te spreken. Die zo makkelijk overschreeuwd worden, van tafel geveegd of weggehoond. Softie! Naïeveling! Dwaze idealist! En de ergste aller zonden op dit moment: poco! Het rechtstreekse effect van de verkiezing van Trump is alvast dat roepen, tieren en brullen het nieuwe praten is geworden. Als sociaal zijn ons tot mens maakt, ontmenselijkt asociaal gedrag ons dan? Is dit het tijdperk van de de-humanisering?

Die oranjekleurige man

Ik heb de voorbije weken de dagen nauwgezet bijgehouden. Ik ben stiekem een nieuwe tijdrekening begonnen. De Trumptijd. Mijn liefste zegt dat ik de man te veel eer aan doe. Ik zeg dat ik het doe om wakker te blijven. Om me niet in slaap te laten sussen door al wie beweert dat we die oranjekleurige man een kans moeten geven.

Als kind had ik een buurvrouw die elke zaterdag de bus naar de stad nam. Altijd stapte ze uit aan dezelfde halte. Ze bond een roze voile om haar hoofd, hing haar handtas om de schouder en beende met stevige tred naar het standbeeld van de bakker, in het midden van de winkelstraat.

Daar haalde ze een kaars uit haar handtas, stak hem aan, zette hem voor zich op de grond. Met behangerskleefband plakte ze haar mond dicht. Wie wilde weten wat ze te zeggen had, moest het A4’tje lezen dat ze tegen haar boezem drukte.

‘Vrede is een mensenrecht.’

Ze stond daar in stilte vrede te eisen.

Elke zaterdag van 9 tot 12.

Ik bewonderde haar. Toch bezorgde zo veel standvastigheid me ook een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Aan de tafel bij ons thuis lachten we met haar. Ik lachte mee. Omdat iedereen het deed.

Wat klonk dat lachen hol en licht in vergelijking met het gewicht van haar stilte.

Het waren de zaken waar ik aan dacht toen ik op 9 november ‘s ochtends hoorde wat er de voorbije nacht gebeurd was. Ik had niets gemerkt, ik was dwars door Duitsland gereisd, van München naar Keulen. ‘Wat vind je ervan dat Trump gewonnen heeft’, vroeg een radioreporter in de stationshall aan twee giechelende meiden. Het was het eerste wat zij ervan hoorden. Het was het eerste wat ik ervan hoorde. Ik keek om me heen. Er klonk geen wanhoopskreet op. Niemand stortte neer, niemand vertraagde zijn pas tijdens de dagelijkse ochtendrush.

De normaliteit deed er alles aan om het abnormale van de dag ongrijpbaar en onzichtbaar te maken. Het leven ging onverstoord door. De schokgolf was virtueel ingedamd.

Ik zag wel tranen in de ogen van een vrouw die oud genoeg was om de officieel laatste wereldoorlog te hebben meegemaakt. Een man vloekte tussen de lippen. ‘Die verdamte nationalisten.’ Op smartphones werd hoofdschuddend naar de overwinningstoespraak gekeken. Met een zucht schoof een man het beeld weg en keerde terug naar zijn orde van de dag: de beursberichten. De normaliteit deed er alles aan om het abnormale van de dag ongrijpbaar en onzichtbaar te maken. Het leven ging onverstoord door. De schokgolf was virtueel ingedamd. Toch bleef er een beeld op mijn netvlies hangen. De schreeuw van Münch. De geluidloze schreeuw. De schreeuw van een pijnlijke stilte. 9 november was tot dan de verjaardag van de val van de Muur geweest, vanaf nu zou het ook de dag zijn van de overwinning van het gekrijs. Het begin van de Trumptijd.

Wat te doen? Wat te doen? De vraag borrelde gelijktijdig met het nieuws om me heen op. Mensen wilden en deden plots vanalles. Dingen die ze altijd weer hadden uitgesteld omdat het allemaal niet zo urgent was. Lid worden van een politieke partij. Vluchtelingen in huis opnemen. De oude buurvrouw thuis uitnodigen. Zou dat het antwoord zijn op ontmenselijking? Meer mens zijn? Bruggen slaan, verbindingen leggen, gesprekken aangaan die we in onze echokamers op sociale media al te makkelijk kunnen afwimpelen of blokkeren?

Noodzakelijke boeken

De afgelopen weken heb ik vaak aan de gepensioneerde professor natuurkunde in Thessaloniki gedacht. Kostas. In 1974 had hij in Athene op de barricade gestaan, hij had betoogd, was door de oproerpolitie in elkaar geramd, maar hij was blijven roepen: ‘Democratie, nu!’

Je kan de democratie niet aan de politiek overlaten. De democratie, dat zijn wij allemaal.

Amper veertig jaar geleden, dat vergeten we misschien wat snel, waren Griekenland, Spanje en Portugal dictaturen, samen met het hele Oosten van Europa. Kostas had zich verzet en het verzet had het gehaald. De democratie was er gekomen, maar – zei Kostas – we waren één ding vergeten: dat een democratie maar levensvatbaar is als je ervoor blijft vechten. Je kan de democratie niet aan de politiek overlaten. De democratie, dat zijn wij allemaal. Hij had het met lede ogen zien gebeuren. Hoe de democratie waar ze hun examens voor hadden gelaten, waarvoor ze hun kans op carrières aan de kant hadden geschoven, uitgelepeld was tot wat hij een corpocratie noemde. De democratie was uitverkocht. Aan de hoogst biedende en de minst eisende. De elite van zijn denkwereld was het multinationale bedrijfsleven.

Dat heb ik de voorbije dagen ook geleerd: iedereen heeft zo zijn eigen elite om op te spuwen. Maar terug naar Kostas. Want de neergang van de democratie had hem niet neerslachtig gemaakt. Meer dan ooit was hij ervan overtuigd dat weerstand bieden nodig was. Hoe hij het bleef volhouden, wilde ik van hem weten. Zijn ogen hadden geflikkerd. ‘Als ik merk dat de zaken anders lopen dan ik zou willen, dan trek ik me even terug. Ik lees, ik onderzoek en ik studeer om te begrijpen.’

Met een president die graag mag beweren dat boeken stinken en die er bovendien trots op is dat hij sinds de middelbare school geen boek meer aanraakte, is het al een daad van verzet om te leren, te lezen, na te denken en te studeren. Ik ben begonnen met een lijst aan te leggen. Noodzakelijke boeken noem ik ze.

Ze waren vreemden in eigen land geworden. Iedereen negeerde hen. Want ja, ze hielden er oerconservatieve en zeer twijfelachtige ideeën op na. Over ras, religie en seks.

Bovenop de stapel ligt Strangers in their own land van de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild. Waarom stemmen mensen op kandidaten wier programma hen niet vooruithelpt? Waarom kiezen mensen tegen hun eigen belangen? Het is de paradox die telkens weer opduikt in onze representatieve democratieën. Om te onderzoeken wat mensen beroert om tegen zichzelf te kiezen, reisde Hochschild naar het land van de onverschillige, boze en achtergebleven burger. Allemaal hadden ze een verkiezingsbord van Trump in hun voortuinen, naast hun woonwagens of op hun veranda’s neergepoot. Als een nukkig wegwerpgebaar. Als een schreeuwerige daad van zelfbevestiging. Hochschild ging bij hen aan tafel zitten, at met hen mee en luisterde naar hun levensverhalen. Ze voelden zich langs alle kanten voorbijgestoken. Ze hadden meegebouwd aan een bepaald soort welvaart en waren allemaal op een bepaald moment afgedankt. De hoop die ze ooit hadden gekoesterd was stille wanhoop geworden. Er was nog weinig dat hen aan het leven buiten hun eigen levens bond. De boel mocht wat hen betrof gerust ontploffen. ‘Ze verlangen ernaar zich trots te voelen’, schrijft Hochschild. ‘Maar hebben zich de laatste jaren vooral geschaamd.’ Ze waren vreemden in eigen land geworden. Iedereen negeerde hen. Want ja, ze hielden er oerconservatieve en zeer twijfelachtige ideeën op na. Over ras, religie en seks.

Maar is negeren niet gewoon een geciviliseerde vorm van schelden? Wat als we een gezamenlijke poging ondernemen om de kunst van het gesprek te herstellen? En als dat niet helpt: om humor als ultieme wapen boven te halen. En ja, dat kan tot de nodige misverstanden leiden. Maar is dat niet de essentie van de democratie: het georganiseerde meningsverschil? Maar we moeten dat meningsverschil wel aandurven. Het is praten zonder gelijk te willen halen. Luisteren zonder je antwoord al klaar te hebben. Het is de dialoog aangaan. Ook – en vooral – met mensen met wie je niets deelt en aan wie je schijnbaar niets te vertellen hebt. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur