Tweetaligheid als zegen of vloek?

Columniste Barbara Sarafian babysit op haar nichtje van twaalf. Net als Barbara, is ze tweetalig opgevoed. Een ‘aandoening’ was het ooit. ‘Ik noem kinderen als haar nu de premature laatbloeiers van deze wereld.’

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Mijn nichtje van 12 zit haar huiswerk te maken. Redelijk zorgeloos slaat ze haar wiskundeschrift dicht. Dat heeft ze van de baan, dat heeft ze onder de knie.

‘Soms heb ik het er wel moeilijk mee hoor’, antwoordt ze zonder dat ik ook maar een vraag stel over haar voldane gevoel. Ze begrijpt woordeloos dat ik wel wat fier ben op haar.

Op naar een volgende taak: Frans. Ze leest luidop een paar zinnen, struikelt over wat vergeten accenten, maar herpakt zich met een nog zorgelozere zwier. Op naar Engels. ‘Mary is in the kitchen’, ‘James is in the garden’. Ze stopt. Haar accent klinkt aandoenlijk vlak in het Engels en ze glimlacht er zelfs om, het stoort haar niet.

Wat haar doet stokken is iets anders. Ze wil graag klakkeloos herhalen wat er staat, maar iets klopt niet.

‘Is ze aan het koken?’

Na een lange pauze, waardoor ik als babysittende tante wat ongedurig word omdat de stoverij staat te pruttelen, zegt ze iets wat ik me bij ongeveer alles ook al gans mijn leven afvraag: ‘Wat doet die Mary dan in the kitchen?’

Ik schaam me wat voor mijn simplisme, maar laat haar verder denken.

Ik doe alsof ik haar vraag niet begrijp en argumenteer dat het luidop herhalen van dat soort standaardzinnen helpt om een andere taal te leren spreken. Ik schaam me wat voor mijn simplisme, maar laat haar verder denken. ‘Is ze aan het koken?’ vraagt ze. ‘Dat weet ik niet, dat zeggen ze niet. Ze is gewoon in de keuken,’ antwoord ik. ‘Zoals ik nu ook ga doen, kom, maak je huiswerk af en dek de tafel.’

Ze blijft stil zitten en ik vertrek naar de keuken. ‘You are in the kitchen’, roept ze. ‘What are you doing in the kitchen?’ ‘I am cooking.’ ‘What are you cooking?’ ‘You, if you don’t hurry up!’ roep ik terug.

Feministische onzin

Ze leunt nu zuchtend tegen de koelkast. ‘Kijk, van jou weet ik dat je in de keuken staat te koken, van Mary weet ik niet wat ze daar doet en ik wil het eigenlijk wel weten. Waarom zetten ze dat er niet bij, dat zou me helpen de zin niet te vergeten en de ‘nuttigheid’ van haar bezigheden te kunnen plaatsen.’ ‘Wat bedoel je?’

Ze draait met de ogen. ‘Waarom zie ik nergens een zin staan die zegt dat James in die kitchen staat? Waarom moet dat Mary zijn? Hallo, een vrouw? Ze kan toch ook gewoon in de keuken door het raam aan het kijken zijn met een kop koffie in haar hand?’ ‘Ja, dat is zo’, antwoord ik.

Ze begint nu al feministische onzin uit te kramen.

Het ijs wordt met de seconde gladder. Ze begint nu al feministische onzin uit te kramen. ‘Ah ja, we weten het niet hé, want de deur van die verdomde keuken van Mary is dicht’, overdrijft mijn nichtje nu.

Ik besef nu meer dan ooit, na talloze keren haar vurigheid te hebben geobserveerd, dat ze met hetzelfde soort parameters in haar hoofd zit waar ik als kind ook al over moest dansen om mijn honger naar context te stillen.

Dikkere hippocampus

Mijn nicht is, net als ik, tweetalig opgevoed. Thuis Frans, op school Nederlands. Volgens een nieuw recent uitgebracht wetenschappelijk artikel zouden tweetalige kinderen dan toch een meer geprikkelde verbeelding hebben, een dikkere hippocampus, een uitgebreidere kijk op gebeurtenissen, een grotere nieuwsgierigheid.

Ik had vooral de indruk dat ik anderen verwarde met dat geswitch en gespring van taal naar taal. Zelf zag ik er geen graten in.

Ze zouden slimmer worden en later minder snel kans hebben op Alzheimer. De door de hersenen aangestuurde zoektocht naar de volledigheid van onder andere ruimtelijke informatie evolueert van traag naar razendsnel over de jaren heen, opdat die kinderen, eens volwassen, soepel kunnen switchen van de ene naar de andere taal.

In mijn kindertijd vormde dat voor de school toch een ontwikkelingsprobleem, ik zou het één noch het ander goed kunnen. Ik zou in continue tweestrijd leven binnenin mijn identiteit omwille van de twee talen in mijn leven, de twee moedertalen, die me zouden verwarren.

Eigenlijk had ik vooral de indruk dat ik anderen verwarde met dat geswitch en gespring van taal naar taal. Zelf zag ik er geen graten in.

Klei aan de poten

Op de toneelschool in Antwerpen kreeg ik de absolute diagnose: ‘Je hebt geen grammetje klei aan je poten hangen.’  Dus kon ik het maar vergeten om Nederlandstalige actrice te worden, ik sprak een volledig andere taal volgens de leerkrachten, lichaamstaal inbegrepen.

Fascinatie drijft je.

Het is goed gekomen, omdat het me  fascineerde wat anderen kon bezielen om in mijn geest te kruipen en om voor mij te beslissen hoe ik naar de wereld keek. Fascinatie drijft je. Een vleug vijandigheid was voelbaar. Mijn zin voor dramatiek was te oppervlakkig, te onbeladen, te weinig geaard.

Ik viel tussen twee stoelen met een surplus dat door anderen als een probleem werd gezien. Door iets teveel te kunnen, kon ik iets niet echt goed. Franstalige toneelscholen mochten trouwens geen leerlingen aannemen die geen Franstalige humaniora hadden gelopen, dat was een administratieve regel.

Je wordt een ander mens, zegt het artikel wat verder, wanneer je binnenin een gesprek van taal verandert. Ah, daar zal het aan liggen. Een soort Jeckyll and Hyde dan? Was dat dan het effect?

Vertrouwen op vakkundigheid

Dan maar naar de subtekst grijpen. Woorden zijn het laatste waar ik me vandaag zorgen om maak wanneer ik een rol aan het voorbereiden ben. De onderdompeling in de ganse sfeer, situaties en het karakter van een personage is essentiëler.

Doorgaans studeer ik de tekst, in het Frans of het Nederlands, pas twee minuten voor de scène in, dan is die fris, ontstaan uitspraken die al lang geschreven en bewerkt zijn door anderen, voor mij ter plekke. Omdat het exemplaren van een verzameling woorden zijn, die een bestaansrecht hebben omdat ik op een ander zijn vakkundigheid vertrouw.

Mijn lichaam spreekt via woorden, niet mijn verstand, en dat is nu net omdat ik altijd gezocht heb naar de betekenis van een zin. In welke taal dan ook. Als ik die volledig heb onderzocht in samenspraak met scenarist en regisseur, dan kan ik de opdringerigheid van het woord herleiden tot zaken die door mijn karakter gedreven worden, niet andersom. Het woord komt altijd later.

Het geheugen zou meer geoefend zijn ook door tweetaligheid. Ik kan blijven opsommen wat de voordelen zijn van dat gemak dat ooit een ‘aandoening’ leek.

Lachwekkende flaters

Met veel respect voor de immense inspanningen hoed ik me toch al een tijdje voor de nieuwe generatie Franssprekende Vlaamse Brusselaars. De flaters zijn bijzonder lachwekkend en soms zelfs schadelijk. Maar het is een stap, tien jaar geleden was het nog een toegeving om je aan te passen.

En wanneer ik Brussel denk, denk ik logischerwijs ook de federale regering. Ik vond deze tekst ergens: ‘In de regering is overeenstemming bereikt over het principe dat leidinggevenden in de federale administratie straks ‘functioneel tweetalig’ moeten zijn. Ze moeten de andere landstaal begrijpen, geschreven en gesproken, en ze moeten er zich mondeling in kunnen uitdrukken. Zelf schrijven is niet nodig.’

Prima! Helaas, meer dan een reproductie van wetteksten en officieel klinkende formuleringen krijgen we niet te horen. Hoe moeilijker een andere taal lijkt voor iemand, hoe monotoner en gevoellozer die wordt aangewend. En hoe ongeloofwaardiger de inhoud wordt geprojecteerd.

We lachen

Zo blijf ik niet zelden verweesd achter na het volgen van het journaal met quotes van politici die zich moeizaam uitdrukken in de andere landstaal. Samen met een pak kijkers hoef ik me niet af te vragen waarom ik de uitspraken niet geloof. We lachen met Koning Filip en verwanten, we lachen met een Vlaams politicus die tijdens een debat niet verder raakt dan twee gebrekkige zinnen in het Frans.

Ik weet eerlijk gezegd niet wanneer er precies een akkoord gesloten wordt in de federale regering. Ik heb zelfs de indruk dat een compromis momenteel moeilijk haalbaar is. Er is zoveel tijd verloren gegaan, er is te lang geoordeeld geweest louter op basis van spreektaal. Een belangrijke reden voor de hindernis is het vooroordeel.

Iemand die Frans spreekt in Vlaanderen is een bourgeois, een Waal die Vlaams spreekt vertraagt een gesprek door zijn vastberadenheid om goodwill te willen etaleren.

Elkaar aanvoelen gaat ook door andere kanalen dan woorden.

Wat ik wil zeggen: elkaar aanvoelen gaat ook door andere kanalen dan woorden. Het associatief denken verplaatst zich naar werkelijke interesse. We hoeven het onderling niet eens te zijn. Als we een verontwaardigd iemand aan het woord horen in een andere taal, dan begrijpen we dat de mens niet echt tevreden is. Omgekeerd telt dat ook. Twee talen spreken als kind is een zegen.

Rijkdom

Er is in de grotere wereld aanvankelijk wat tijd nodig om als kind die meerdere invalshoeken af te lopen om een situatie te begrijpen, maar dat lukt. Die kinderen dragen een rijkdom met zich mee en niet zelden zie ik zo’n kind zoals mijn nichtje, mijn eigen zoon, of de zoon van Marokkaanse vrienden met een zekere nieuwsgierigheid naar andermans motivaties, mooi en met zelfvertrouwen opgroeien en noem ik hen de premature laatbloeiers van deze wereld.

Louter en alleen omdat de omgeving nog steeds die ingeburgerde reflex heeft om ze een achterstand toe te schrijven. En dat heeft een nefast effect op die bloedjes.  C’est très dommage.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur