Was ist Aufklärung?

‘Wanneer u het woord “Verlichting” leest, vraag u dan af: welke Verlichting?’

© Brecht Goris

 

Vorige week had ik de eer Mary Beard te ontmoeten en een publieke discussie te voeren over haar laatste boek Women in Power. Hoewel we het over veel substantiële filosofische en politieke problemen niet eens zijn, waren we in staat die zowel publiek als privé te bespreken. Het was een broodnodige herinnering dat het oneens zijn met iemand zowel plezierig als verhelderend kan zijn.

Gezien de recente spanning bij universiteiten om ‘safe spaces’ te creëren, maar tegelijk hun vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid te behouden, was dit niet vanzelfsprekend. In de vragenronde met onze studenten deelde Beard wat zij dacht over het doel van de universiteit – en niet alleen voor de geesteswetenschappen. Haar eloquente antwoord luidde dat de universiteit haar studenten ervan bewust moet maken dat wat simpel en vanzelfsprekend lijkt, in werkelijkheid altijd veel complexer en genuanceerder is. De voetnoot die ik toevoegde, was dat goede docenten deze complexiteit en nuance moeten overbrengen en studenten nieuwsgierig moeten maken om ze verder te onderzoeken. Wat ik zal proberen doen in deze column over de beroemde filosofische vraag Was ist Aufklärung?

Was ist Aufklärung?

De eerste complexiteiten en nuances die ik wil introduceren, zijn verre van triviaal. Wanneer iemand de term Verlichting gebruikt, is het belangrijk om te vragen welke Verlichting bedoeld wordt. De Radicale Verlichting? De Schotse Verlichting? De Verlichting in Europa, Oost of West? Of die buiten Europa? Filosofen en historici debatteren ook nog steeds over die andere essentiële ‘nuance’: wanneer vond het plaats? Was het van 1650 tot 1750? Of van 1650 tot 1690? Of in de achttiende eeuw?

Hoewel Spinoza voor sommigen geldt als de vader van de Radicale Verlichting, is hij volgens anderen slechts een voorloper en valt die eer te beurt aan John Locke, de vader van het liberalisme (waarmee de Verlichting in feite zou gaan over eigendom, economie en individualisme).

In het hedendaagse discours wordt de Verlichting vaak toegeschreven aan bepaalde hedendaagse politieke ideeën (links én rechts), die door eerdere denkers werden geïnspireerd, maar pas gerealiseerd in de afgelopen eeuw. Daarnaast moet nog worden gevraagd in welk veld de Verlichting plaatsvond: filosofie of wetenschap (een wat anachronistische vraag, aangezien de twee destijds niet duidelijk gescheiden waren)?

Verlichting voor wie?

Voor ik zelf aan de inhoud van de Verlichting toekom, moet ik nog een cruciale complexiteit bevragen: de Verlichting voor wie? Is het acceptabel om te spreken over de ideeën en idealen van de Verlichting, zonder aandacht te besteden aan de (gebrekkige) verwezenlijking van deze idealen en de vele contradicties die er inherent aan zijn?

Is het acceptabel om te spreken over de ideeën en idealen van de Verlichting, zonder aandacht te besteden aan de (gebrekkige) verwezenlijking van deze idealen en de vele contradicties die er inherent aan zijn?

Het verhaal dat veel (vooral West-) Europeanen zichzelf graag vertellen en via het onderwijssysteem verspreiden, is dat de Verlichting de wereld veranderde. Natuurlijk wordt aangenomen dat die verandering een verbetering was. Helaas is dat voor de meeste mensen in de wereld, inclusief minderheden, vrouwen en armen in Europa, verre van de waarheid - zowel in het verleden als vandaag de dag.

Sommige Verlichtingsidealen, zoals het door Darwin geïnspireerde vooruitgangsideaal, zijn problematisch, omdat ze nog steeds ideeën als cultureel racisme helpen rechtvaardigen. Wanneer men een mondiaal perspectief inneemt, is de kloof tussen theorie en praktijk van Verlichtingsidealen niet alleen onoverbrugbaar, maar onvergefelijk.

Hoewel ik al die complexiteiten in een korte column nooit recht kan aandoen, zal ik (voor de discussie) samenvatten wat de meeste mensen leren over de Verlichting:

Le Siècle des Lumières begon ergens laat in de zeventiende eeuw en duurde ongeveer een eeuw. Het was vooral een Noord-Europese intellectuele beweging (overlappend met de elite, maar niet altijd elitair in haar wortels of inhoud), die sterk geloofde in het individu, kritische reflectie en rationaliteit.

Dat laatste was de sleutel naar vooruitgang en de verbetering van de mensheid – zowel een methode als een principe. De Rede maakte het mogelijk traditionele dogma’s en autoriteit in twijfel te trekken en het individu van zijn onwetendheid te bevrijden. Hoewel het omstreden is, wordt de Verlichting vaak geassocieerd met liberalisme.

Even controversieel is haar relatie tot religie. Omdat de Verlichting na de religieuze oorlogen (zestiende en zeventiende eeuw) plaatsvond, en na de ‘Vrede’ van Westfalen, wordt het vaak gepresenteerd als een totale afwijzing van geloof en omarming van wetenschap. In werkelijkheid pleitten veel centrale Verlichtingsdenkers juist voor absolute religieuze vrijheid, de vrijheid om te geloven en religie te belijden, zowel in de publieke als de private sfeer (een debat over de betekenis en grenzen van tolerantie dat vandaag nog steeds woedt). De karikatuur van de Verlichting als afwijzing van religie is het resultaat van geschiedschrijving door haar ‘seculiere’ winnaars.

Kloof tussen theorie en praktijk

De karikatuur van de Verlichting als afwijzing van religie is het resultaat van geschiedschrijving door haar ‘seculiere’ winnaars

Laat me duidelijk zijn, zoals veel van mijn lezers (met goedkeuring dan wel afkeuring) wilde ik geloven wat me was geleerd. Net zoals ik wilde geloven dat Europa haar lessen had geleerd van de Shoah. Ik geloof in de idealen van kritisch denken, gelijkheid en menselijkheid die door zo veel Verlichtingsdenkers gedeeld worden.

Maar zoals het spreekwoord luidt: ‘de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens’. Hoewel veel van de Verlichtingsidealen me dierbaar zijn, liggen in die idealen veel ernstige politieke onrechtvaardigheden verborgen. De kloof tussen theorie en praktijk is een schande.

Om dit ‘behapbaar’ te houden, hoop ik dit duidelijk te maken door te me te richten op twee Verlichtingsdenkers, Kant en Locke, en twee onrechtvaardigheden, racisme en seksisme. Dit vormt natuurlijk slechts een klein deel van de contradicties en complexiteiten. Er is – zoals altijd – nog veel meer te zeggen over de Verlichting.

Wikimedia Commons

Immanuel Kant (links) en John Locke (rechts) tonen en schokkende contradicties van de Verlichting

Aan Verlichtingsdenkers wordt vaak toegeschreven dat ze het ‘Vrouwenvraagstuk’ op de politieke agenda zetten – met name wat onderwijs betreft. Maar dit is meer mythe dan feit. Het enige wat buiten kijf staat is dat Verlichtingsdenkers verschillende en tegengestelde meningen hadden over vrouwen. Rijke witte vrouwen mochten spreken in de salons waar ze gastvrouw waren, maar tegelijk waren er zeer weinig - als ze er al waren - vrouwelijke Verlichtingsdenkers, en dus veel mansplaining ‘avant la lettre’. Dit was natuurlijk deel van het probleem. Sommige mannelijke denkers waren met goede intenties voorstander van (sommige) vrouwenkwesties, maar dat is slechts de helft van het verhaal. Helaas dachten de meeste belangrijke denkers in de Verlichtingstijd dat hun cultuur én hun gender superieur waren aan alle andere. Rousseau, bijvoorbeeld, vond dat vrouwen niet hetzelfde onderwijs mochten genieten als mannen, omdat ze ‘passief en zwak’ moesten blijven om mannen te behagen – hun primaire doel in het leven.

Andere voorbeelden, die mogelijk met religieuze vooroordelen te maken hebben, vinden we in Moses Mendelssohn’s essay over de Verlichting. Hoewel hij de wedstrijd die Kant’s essay Was ist Aufklärung beroemd maakte, daadwerkelijk won, worden Mendelssohn en zijn essay vaak vergeten. Zijn onzichtbaarheid in de canon kan toeval zijn, maar ik betwijfel het, aangezien het meestal de Anderen zijn wiens prestaties vergeten worden. Velen deelden Voltaire’s mening over de Joden dat ‘dit volk, in menig opzicht, het meest verwerpelijke [is] dat ooit de aarde heeft bevuild’. Het feit dat Mendelssohn Joods was maakte zijn overwinning schandelijk en onacceptabel. Hoe kon een jood nu verlicht zijn?

Blijkbaar stond het zijn van een ‘verlichte’ Jood niet op gespannen voet met het zijn van een seksist en een racist. Volgens Mendelssohn zijn ‘de inwoners van Nürnberg meer beschaafd, die van Berlijn en England meer Verlicht, de Chinezen zeer beschaafd, maar zeer weinig Verlicht en beschikten de Grieken over beide kwaliteiten […] Het misbruik van deze Verlichting verzwakt het morele gevoel, leidt tot gevoelloosheid, egoïsme, a-religie en anarchie. Misbruik van de Beschaving brengt losbandigheid, hypocrisie, verwijfdheid, bijgeloof en slavernij met zich mee.’

Om van tegenstrijdigheden te spreken. Cultureel racisme was blijkbaar acceptabel, maar slavernij (gelukkig) niet, hoewel het in één adem genoemd wordt met verwijfdheid als minstens even problematisch.

Als het gaat om slavernij, een economisch project dat mogelijk werd gemaakt door ‘wetenschappelijk’ en cultureel racisme, zijn de contradicties van de Verlichting schokkend. Laten we beginnen met Kant en daarna Locke bekijken.

De mensheid bestaat uit álle mensen, maar niet iedereen is mens

Kant is de denker die we het meest met de Verlichting associëren, vooral door zijn essay ‘Was ist Aufklärung?’ (1794). In dit essay beschrijft Kant de Verlichting als ‘het verlaten’ van onvolwassenheid door de mensheid, of het individu. Het individu moet zijn [sic] ‘intellectuele’ onvolwassenheid verlaten door de Rede te gebruiken.

Wikimedia Commons

De essay van Immanuel Kant, ‘Was ist Aufklärung?’

Hier zien we meteen tegenstrijdigheden. De mensheid zou bestaan uit álle individuen – álle mensen – gezien de universalistische en kosmopolitische geest van Kants filosofie. Toch wordt niet ieder mens gezien als capabel, als volledig menselijk – of het nu gaat om ras of gender. Zo geloofde Kant dat Aziaten zonder hulp niet Verlicht konden worden, een mooi staaltje cultureel racisme. Ook schreef hij: ‘de Moren hebben net zoals alle inwoners van warme zones, een dikke huid; wanneer men hen disciplineert, dan moet men hen niet met een stok slaan, maar liever met een zweep, zodat het bloed een weg naar buiten kan vinden en niet gaat etteren onder de huid’.

Duitse ‘zigeuners’ en zwarten waren volgens Kant niet bereid om te werken. Zo verdedigde hij zijn steun voor de slavernij van Afrikanen

In zijn essay zegt Kant dat het bewonderenswaardige motto van de Verlichting aude sapere zou moeten zijn: ‘durf te weten’, of ‘heb de moed om te weten’. Geïnspireerd door dit motto, bracht ik vele jaren door in onkritische bewondering van Kants genie. Pas toen ik Kant uitgebreid bestudeerde, vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat dezelfde denker zowel seksistisch als racistisch was. Zijn analogie tussen Duitse ‘zigeuners’ en zwarten ontdekken, was een schok. Beiden waren volgens Kant niet bereid om te werken. Hiermee verdedigde hij zijn steun voor de slavernij van Afrikanen – een gangbare praktijk die voor veel Verlichtingsdenkers onomstreden was. Hoe kon Kant deze positie verenigen met zijn bewonderenswaardige verdediging van de First Nations tegen kolonialisme?

Het was één specifieke voetnoot in zijn Anthropologische Vorlesungen die me echt tegen zijn gedachtegoed deed keren. Een voetnoot die niet zomaar weggewuifd kan worden: ‘alle rassen zullen uitgeroeid worden … alleen niet de Blanken’ (1520). Tot mijn verdriet werd dit idee gedeeld door Kants intellectuele sparringpartner Hume: ‘Ik neig ertoe negers en in het algemeen alle andere mensensoorten te beschouwen als van nature minderwaardig aan het blanke ras, want noch op het terrein van de industrie, noch op dat van de kunst of wetenschap hebben zij ooit iets voortgebracht.’

Hoe kunnen die ideeën verenigd worden met Kants kosmopolitische morele universalisme? Dat die onrechtvaardigheden deel waren van een tijdsgeest is geen excuus. Velen in de tijd van Kant bestreden racisme en riepen Kant publiekelijk op zijn denkbeelden te veranderen, iets wat hij – gezien zijn eigen motto – had moeten doen.

John Locke, deelnemer of criticus van slavernij?

Laten we kijken of Locke (1632-1704), de vader van het liberalisme, het er beter vanaf brengt. Een twijfelachtig, maar veelgehoord excuus is dat Kant een ‘ivoren toren’-filosoof was die Königsberg nooit verliet. Het geldt niet voor Locke, die in de administratie van het Britse Rijk een sleutelrol speelde en persoonlijk deelnam aan de Afrikaanse slavenhandel. Het zou ons meteen wantrouwig moeten maken over zijn ware staat van ‘Verlichting’.

Zoals Bernasconi en Maaza Maan aantonen, hielp Locke een grondwet opstellen die slavenhouders ‘absolute macht en autoriteit’ over hun slaven gaf. Volgens sommigen was Locke persoonlijk verantwoordelijk voor het toevoegen van de term ‘macht’. Opnieuw, hoe kunnen we dit verzoenen met zijn kritiek op slavernij in het Second Treatise?

Een ‘oplossing’ voor die tegenstelling is dat Locke slavernij in Europa bekritiseerde, maar het op andere plaatsen ter wereld wel degelijk geoorloofd vond. Of misschien vond Locke het tot slaaf maken van Christenen onacceptabel (een gangbare mening), maar gold dat niet voor niet-Christenen, die niet als volledig menselijk werden gezien. Een andere verklaring zou zijn dat Locke’s economische liberalisme zijn ethiek overtroefde - een ‘oplossing’ die we vandaag de dag maar al te goed kennen. Welke van de twee is de Locke die aanbidders van de Verlichting op een voetstuk plaatsen?

Wat is nu de ‘echte’ Verlichting?

Het zou een ironische tragedie zijn als we uitgerekend de Verlichting laten verworden tot een onbekritiseerbare heilige koe

Het antwoord is natuurlijk: al het bovenstaande, zowel de inspirerende idealen van emancipatie als hun tragische verwezenlijking. Hoewel veel Verlichtingsidealen politieke veranderingen en revoluties inspireerden, met oog op emancipatie, gelijkheid en vrijheid, blijven die idealen – toen en nu – vol tegenstellingen.

Hoewel ik het kind niet met het badwater wil weggooien, is het belangrijk zowel het kind als het badwater nader te onderzoeken. Vraag u volgende keer dat u het woord ‘Verlichting’ leest, alstublief, af: welke Verlichting? Vanuit wiens perspectief? Dát is aude sapere – durf te vragen, durf kritisch te zijn. Het zou een ironische tragedie zijn als we uitgerekend de Verlichting laten verworden tot een onbekritiseerbare heilige koe - iets wat we vandaag de dag helaas maar al te vaak zien.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • politiek filosofe

    Dr. Anya Topolski, geboren en getogen in Canada, is associate professor in de Politieke Filosofie en Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.