De poëzie van zwart zijn in Saoedi-Arabië

Als Eritreeër in Saoedi-Arabië was ik een wandelende vloek

© Fatinha Ramos

 

Die namiddag in 1985 zat ik achterop een vrachtwagen die geparkeerd was vlak bij de markt in ons vluchtelingenkamp. We zouden dit afgelegen plekje in Soedan voorgoed verlaten. Mijn moeder, die de voorbije zeven jaar gewerkt had als huishoudhulp voor een prinses in Djedda, en haar kinderen achtergelaten had bij onze grootmoeder, was teruggekeerd om ons allemaal mee te nemen naar Saoedi-Arabië.

Ik leunde tegen de zijkant van de vrachtwagen, bewegingloos, en staarde voor de laatste keer naar de plek waarvan ik was gaan houden, met al haar schoonheid en lelijkheid. Ik liet de kleuren van het zand binnenkomen, zag de arenden vliegen tussen de zonbeschenen hutten op die manier waarop ze altijd vlogen rond dit uur van de dag.

Mijn hart twijfelde tussen blijdschap omdat ik samen met mijn moeder zou vertrekken en spijt omdat ik mijn vrienden en deze plek, waar ik stilte als moedertaal had leren spreken, moest achterlaten. Deze plek schonk me de avonden waarop ik, nadat we de vloer geveegd hadden en de dorst van de hete grond gestild hadden met water, op mijn stoel ging zitten en keek naar de dingen die me omringden, naar mensen, naar gezichten, naar de boom naast onze hut, naar de insecten die in en uit de duisternis kropen, en naar de hemel.

Ik hoorde een luide klap tegen de zijkant van de vrachtwagen en toen riep iemand mijn naam.

Sulaiman. Sulaiman.’

Ik stond op en keek naar beneden. Het was het meisje dat een paar hutten verderop woonde, tegen wie ik nooit een woord kon zeggen. Iedereen had het voortdurend over hoe mooi ze wel was, en misschien was mijn verlegenheid daardoor nog groter geworden.

 

Ik had nooit gedacht dat zij mijn aanwezigheid opgemerkt had, maar nu kwam ze afscheid nemen, en ze had een geschenk voor me meegebracht: een rode ballon en een Soedanees bankbriefje. Ik zei dankjewel en keek naar haar in stilte. Terwijl de vrachtwagen wegreed, stond ze stil, haar dikke krulhaar waaiend in de wind.

Het kamp achter haar vervaagde, maar zij werd steeds belangrijker in mijn gedachten en, later, in mijn herinnering.

Ze heette Hayat.

Wat Hayats grootste geschenk was, zou pas duidelijk worden op het andere continent. Want toen de vrachtwagen verder reed, toen we de rivier overstaken op een houten boot, toen we de bus namen naar Kassala en daarna een andere naar Khartoem, toen het Saoedische vliegtuig opsteeg in de lucht boven de Rode Zee, toen had ik me nog niet gerealiseerd dat ik onderweg was naar een land waar verliefdheid en flirten strafbare feiten zijn. Dat ik zou opgroeien in een mannenwereld, afgesloten van het gezelschap van meisjes die mijn beste vrienden geweest waren in het kamp. Dat Hayat voor vele jaren degene zou zijn die het dichtste zou komen bij iemand die ik liefste kon noemen. En dat er niet alleen neergekeken werd op zwarte schoonheid, van het soort dat me tot dan omringd had, maar dat die actief gedenigreerd werd door Saoedi-Arabië’s interpretatie van de islam.

De Saoedische politieagent controleerde mijn paspoort en grapte dat de nacht buiten en de kleur van mijn huid overeenkwamen

Het vliegtuig landde en de aankomsthal in Djedda ademde zo een koude lucht dat mijn adem erdoor afgesneden werd. Terwijl mijn moeder, mijn broers en zussen en ik aanschoven voor de paspoortcontrole, trilde mijn hart op het ritme van het zoemende geluid van de airconditioning. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik me deel voelde van een familie. We waren met zijn allen samen op dezelfde plaats. Niets zou dit bederven. Niet eens de Saoedische politieagent die mijn paspoort controleerde en grapte dat de nacht buiten en de kleur van mijn huid overeenkwamen. Mijn moeder lachte. Omdat ik zag welke vreugde er in dat geluid zat, deed ik mee.

Nu ik daar op terugkijk, herinner ik me vooral hoe hard ik haar hand vasthield, alsof ik hoopte dat de agent gelijk had en dat mijn nachtkleurige huid dit moment zou afschermen met zijn onpeilbaar diepe zwartheid, zodat de zon haar tijd kon nemen om op te komen. Maar de ochtend brak aan en mijn moeder brak mijn hart met de aankondiging dat ze niet samen met ons zou wonen in het appartement dat ze voor de familie gehuurd had. Ze was niet enkel een huishoudhulp voor de prinses, ze was een inwonende huishoudhulp.

Stilte. Eritrese keuken: zigni wot, injera. Gelach. Muziek. Daartussen altijd verdriet. En ‘s avonds keken we naar worstelen op onze nieuwe tv, en Superfly Snuka, die me met zijn sierlijke sprong vanaf het hoogste touw van de ring deed denken aan de arenden van ons kamp, werd op slag mijn favoriete worstelaar.

Maar het volgende hartzeer liet niet lang op zich wachten. Toen het schooljaar startte, ontdekte ik dat mijn zwartzijn, blijkbaar, het resultaat was van Gods toorn. Ik kwam dat te weten toen onze Saoedische leraar, als antwoord op de vraag waarom Afrikanen zwart zijn, tegen de klas zei: ‘Omdat ze de afstammelingen zijn van Cham, vervloekt door Noah, de profeet van God’.

Terwijl sommige Arabische leerlingen glimlachten en anderen lachten, alsof ze zich wentelden in de goddelijke bevestiging, keerde ik die dag in tranen terug naar huis. Ik kon dagenlang niet slapen. Ik was al ‘abdgenoemd, het Arabische woord voor slaaf. Maar dit trof me op een andere manier.

Ik had zo veel van God gehouden dat ik, in Soedan, mijn grootmoeder zelfs vroeg om me naar de moskee te brengen voor het eerste ochtendgebed, voor zonsopgang, zodat ik samen met onze soefi imam Gods glorie kon zingen. Met zijn tweeën en onze olielamp zochten we onze weg doorheen de diepste duisternis naar de plaats van eredienst. Maar nu leerde ik dat diezelfde God mij en mijn volk uit woede een schaduw donkerder dan de Arabieren gemaakt had.

Wat ik vooral vond, in dit land van censuur, waren passages die het Arabische ras hoger waardeerden dan een ander

De weken en maanden die volgden, onderzocht ik kranten en boeken die voorhanden waren in dit land van censuur, op zoek naar iets dat de uitleg die de leraar gaf aan mijn zwartzijn kon weerleggen. Niets. Wat ik vooral vond, waren passages die het Arabische ras hoger waardeerden dan een ander, en dat rechtvaardigde, in mijn jonge brein, het alomtegenwoordige misbruik van zwarte en Zuid-Aziatische arbeiders dat ik in het koninkrijk als dagelijkse routine opmerkte.

Hoe anders kon ik verklaren dat de misbruiken plaatsvonden in een koninkrijk dat baadde in rijkdom – rijkdom die volgens de Saoedi’s een zegen was van een alziende God? Het verhaal dat ik hoorde over een Eritrese vrouw die per ongeluk het kleed van een prinses verschroeide en gestraft werd door haar eigen huid met hetzelfde strijkijzer te verschroeien? Of de familieleden die herhaaldelijk in elkaar geslagen werden door hun werkgevers? En hoe zat dat met mijn verwanten die teruggevoerd waren naar een oorlogszone in Eritrea zonder ook maar een gedachte aan hun veiligheid?

Het was vanwege al die misbruiken dat mijn familie ons op het hart drukte nooit een Saoedi in de ogen te kijken. De volwassenen rondom ons vreesden voor hun leven. Ik kon nergens naartoe.

In dit gesloten land maakten we geen deel uit van de mondiale zwarte conversatie die geleid werd door intellectuelen, zoals Malcolm X en Martin Luther King, die probeerden het gekneusde zelfvertrouwen van zwarte mensen te herstellen. Ik moest het doen met aangeboren menselijk intellect – dat zich in de diepte van het menszijn bevindt, op dezelfde manier waarop water afgezet wordt in de ingewanden van de aarde – dat zo tastbaar aanwezig was geweest in het kamp, bij vrouwen die niet konden lezen of schrijven. Die vaardigheid om te observeren en besluiten te trekken.

Dus ging ik de gewoonten van Saoedi’s van nabij observeren en stelde vast dat ze een zwarte schoonheidsvlek op een gelaat even mooi konden vinden als zwarte kohl rond de ogen van vrouwen.

Ik raakte de woorden van mijn leraar niet kwijt: ik was een wandelende vloek in dit Arabische land

Zwart kon mooi zijn, maar alleen in kleine dosissen. Te veel zwart bezitten, zoals mijn lichaam deed, overdonderde. Ik raakte de woorden van mijn leraar niet kwijt: ik was een wandelende vloek in dit Arabische land.

Aangezien iets dat geschapen wordt in wraak nooit mooi kan zijn, verdroeg ik het niet om in de spiegel te kijken. Ik begon schoonheid buiten mezelf te zoeken. Ik dwaalde ‘s avonds door de straten van Djedda en bewoog me door de stad alsof het een lichaam was en ik op zoek was naar zijn hart.

 

De Rode Zee, die ons van Afrika scheidde, de zee die aan- en afgolfde aan de kust, die zee werd mijn troostplaats. Ik zat vaak op een rots, niet ver van de fontein van Koning Fahd, en staarde in het donkere water. Als ik terugdenk hoe mijn adem op en neer ging samen met de golven, hoe mijn zorgen verdwenen samen met het terugtrekkende water, dan beschouw ik de zee als een gedicht dat meer luistert dan vertelt. Een gedicht dat niet voorgedragen of uitgeschreven moet worden, want je kan het in stilte voelen. Dat leerde ik tijdens deze late, eenzame nachten aan het water.

En in die donkere omgeving bloeide mijn verbeelding open. Emily Dickinson had het helemaal juist toen ze schreef: ‘Een gewond dier springt het hoogst’.

Ik reisde terug naar de tijd in Soedan, een land waar zwartzijn geprezen noch gekleineerd werd. De vonk die me door de gang van de nacht naar mijn verleden leidde, was Hayat, en de rode ballon die ze me aangeboden had. Alles aan haar leek fris in mijn gedachten. Haar gelaat veranderde nooit. Het leek alsof zij stilstond in een wereld waarin morgen was als gisteren, en de wind van de passie stak op in de hitte van haar afwezigheid.

Drieëndertig jaar later herinner ik me nog elk detail van elk kenmerk van haar gezicht: de vorm van haar neus, die diepte van haar kalme blik, de manier waarop haar wenkbrauwen kromden, haar dikke haar dat met elke lok een fragment weefde van haar rijke en gelaagde leven in het kamp.

Het was niet enkel het mooie gezicht van Hayat dat me aan haar deed blijven denken. Alles wat ik over mijn zwartzijn te horen kreeg in Saoedi-Arabië smolt weg als ik in haar aanwezigheid was. Haar zelfvertrouwen werkte, zelfs in de herinnering, aanstekelijk. Ze was als een zwart gat dat me wegzoog van deze samenleving. Ik werd herboren telkens ik in dat moment vertoefde.

In ons vluchtelingenkamp had ik geen behoefte aan de geruststellingen van denkers of schrijvers om mezelf mooi te vinden

Voor een jonge geest heeft verlangen de kracht om afstanden in te krimpen en het verlopen van de tijd irrelevant te maken. Het leek alsof ik weer op mijn stoeltje in het kamp zat, waar ik wist hoe te genieten – naast de momenten van ellende, zorgen en problemen – terwijl ik luisterde naar de monotone geluiden van het leven rondom mij, de balkende ezels, de klokkende kippen, de kreten, het lachen van mensen zoals ikzelf, mensen die liefhadden, pijn leden, bevielen en stierven. Het was die symfonie met complexe menselijke noten, gecomponeerd door gewone mensen, die me zo beviel aan ons vluchtelingenkamp. Ik had er geen behoefte aan de geruststellingen van denkers of schrijvers om me mooi te vinden. Ik moest gewoon mezelf zien. Het gedicht in mijn poriën zien.

Het duurde jaren, maar uiteindelijk gebeurde het dat ik een glimp zwarte schoonheid opving in Djedda. Mijn grootmoeder had me gevraagd injera te gaan kopen bij een Eritrese familie die zich de Saoedische doctrines eigen gemaakt had. Een vrouw van middelbare leeftijd opende de deur en achter haar zag ik een meisje dat zich uit het zicht haastte.

De volgende keer dat ik om injera moest, werd me verteld dat de moeder niet thuis zou zijn en dat de dochter me het habeshabrood zou geven. Toen ik aanbelde, opende het gesluierde meisje de deur, maar ze hield haar lichaam verborgen achter de deurstijlen. Ze stak haar hand uit, met daarin een witte zak. Haar slanke, zwarte vingers troffen me diep. Ik staarde naar die hand die in de lucht zweefde zoals ik naar Hayats gelaat gestaard had, in stilte.

Haar hand had hetzelfde effect als wanneer je in iemands ogen de zee ziet en er op slag verliefd op wordt. Telkens ik aan dat moment terugdenk, moet ik denken aan wat Fernando Pessoa over de liefde zei, dat ‘we nooit iemand liefhebben. We beminnen alleen het idee dat we van iemand vormen. We beminnen een ontwerp van ons, en dus beminnen we onszelf’.

Ik keerde terug naar huis, zette de zak in de keuken en kroop in bed.

Na weken van tobben over de hand van het meisje – hoe snel ik haar donkere tint in mij opgenomen had, haar vorm ingeprent had zoals ik mijn lessen voor school vanbuiten leerde, de kleine littekens op haar knokkels, de tocht van haar aders tussen haar poriën alsof haar hand een stad was die door het leven zelf bereisd werd – barstten mijn gevoelens uit mij zoals de fontein van Koning Fahd water spuit over de Rode Zee, en ik maakte mijn eerste gedicht.

Ik schreef dat gedicht nooit op. De gevoelens die deze hand bij mij opwekten, konden gewoon niet geschreven worden. Ze hadden geen plaats in dit land dat alle gevoelens en alle gedachten aan liefde censureerde, in dit land dat me leerde om mijn zwartzijn af te wijzen als een vloek.

Tot op de dag van vandaag is dit gedicht over de zwarte hand, die spiegel waarin ik eindelijk durfde te kijken zonder mijn blik af te wenden, veilig weggeborgen in mijn geest, op een plek waar ook andere gedichten zich bevinden – en Hayats indrukwekkende gezicht dat tijd, Arabische suprematie, herhaalde verbanning en leeftijd overleefd heeft.

Sulaiman Addonia is geboren in Eritrea, maar vluchtte als kind met zijn familie naar Soedan. Nadat zijn vader er werd gedood, ging zijn moeder als huishoudhulp werken in Saoedi-Arabië. Zijn kinderjaren bracht hij door in een Soedanees vluchtelingenkamp, zijn tienerjaren in het Saoedische Djedda. Het vormde de inspiratie voor zijn romans ‘The Consequence of Love’ en ‘Silence is my Mother Tongue’. Vandaag woont hij Brussel. 

Dit artikel werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift