‘Dit verhaal bepaalde hoe ik naar mijn land leerde kijken’

Essay

Regisseur Ilyas Yourish over film ‘‘Kamay’’

‘Dit verhaal bepaalde hoe ik naar mijn land leerde kijken’

'Still' uit de film kamay

 

'Still' uit de film kamay

 

Ilyas Yourish

06 maart 202616 min leestijd

In zijn eerste documentaire, Kamay, volgt de Afghaanse Hazara-regisseur Ilyas Yourish zes jaar lang een familie uit Centraal-Afghanistan na het overlijden van hun dochter Zahra. Hij beschrijft hoe hij de dood van één jonge vrouw probeerde te begrijpen, en hoe die poging uiteindelijk zou uitgroeien tot een film over rouw en volharding.

Lang voordat haar dochter overleed, had Hawa de adem van de dood al op haar huid gevoeld. Op een bergpad kruiste een enorme herdershond haar weg. Iets in de roerloosheid van het dier maakte haar onrustig. Op de terugweg viel het beest haar aan. Het beet zich vast in haar sjaal en sprong naar haar gezicht.

Minutenlang worstelde Hawa met het dier. Ze verloor veel bloed. In haar dorp was geen arts, laat staan een ziekenhuis. De dichtstbijzijnde kliniek lag uren verderop. Zonder medische hulp herstelde ze langzaam. Het werk kon niet wachten: ze bleef zorgen voor de amandelbomen en het vee die het gezin in leven hielden.

Het was niet de eerste keer dat Hawa voor haar leven vocht, en evenmin de laatste. Maar ditmaal streed ze niet alleen voor zichzelf: ze was zwanger van een zoon, Ibrahim, genoemd naar Haji Ibrahim Gawsawar, een Hazara-held die zich midden twintigste eeuw verzette tegen de Afghaanse koning.

Hawa en haar gezin zijn Hazara, een volk met Turks-Mongoolse wortels en Centraal-Aziatische kenmerken en tradities. Al eeuwenlang wonen zij in wat vandaag Centraal-Afghanistan is. Aan het einde van de negentiende eeuw werden Hazara’s het doelwit van een bijzonder gewelddadige campagne.

Abdul Rahman Khan, van 1880 tot 1901 emir van Afghanistan, probeerde hen uit te schakelen als aparte politieke en etnische groep. Dorpen werden verwoest, land onteigend. Mannen, vrouwen en kinderen belandden als slaven op markten in Kabul en Kandahar. Minaretten werden gebouwd uit de hoofden van verslagen rebellen. Sommige historici spreken van genocide.

Dat geweld viel samen met de vorming van Afghanistan als bufferstaat tussen rivaliserende grootmachten. Abdul Rahman presenteerde zijn oorlog als jihad en bestempelde de overwegend sjiitische Hazara’s als ongelovigen.

Het narratief waarmee hij zijn macht vestigde, verdween niet met hem, het eist nog steeds levens. De Taliban, IS en andere extremistische groeperingen rechtvaardigen hun massamoorden op Hazara’s als een heilige daad, een religieus fanatisme dat diepgeworteld is in historische vooroordelen.

Ik groeide op met verhalen over het verzet van de Hazara, maar ook met latere herinneringen: de strijd tegen de Sovjets en tegen de eerste Talibanregering. Het waren wintervertellingen in Kabul, gedeeld bij zwak lamplicht.

openluchtklas voor meisjes

Doelwit

Op 19 november 2017 in Kabul waren het niet die verhalen waar ik aan dacht. We werden al jaren wakker met berichten over aanslagen door de Taliban en IS: op scholen, sportclubs, huwelijken, bussen en ziekenhuizen in Hazara-wijken. Elke plek waar Hazara’s samenkwamen, kon een doelwit zijn.

Die dag verscheen een bericht op sociale media: een meisje genaamd Zahra Khawari, studente aan de faculteit Diergeneeskunde, had zichzelf van het leven beroofd in de meisjesslaapzaal van de universiteit van Kabul. Ondanks de dagelijkse cijfers over doden en gewonden trof dit nieuws mij onmiddellijk. Er was iets ongewoons aan.

De universiteit lag op loopafstand van ons huis en was nauw met mijn familie verbonden. Mijn moeder gaf er les tot ze tijdens het communistische regime werd ontslagen. Mijn oudste zus studeerde er geneeskunde – een dagelijks gevecht, als vrouw en als Hazara. Mijn tweede zus schreef zich in voor een rechtenstudie, maar hield het na enkele maanden voor bekeken. De discriminatie werd ondraaglijk. Zelf studeerde ik er journalistiek en werkte ik later mee aan onderzoek naar islamitisch extremisme en sektarisch geweld op de campus.

Wat daar voor politiek doorging, had weinig te maken met debat of uitwisseling, maar des te meer met intimidatie, uitsluiting en fysiek geweld. Vooral in de mannenslaapzaal werden Hazara-studenten herhaaldelijk aangevallen, onder het voorwendsel van religie, etniciteit of overtuiging. Slaapzaalmoskeeën vaardigden fatwa’s uit die menigtes op de been brachten. Bij die confrontaties vielen gewonden, soms doden.

Zahra Khawari kwam uit Centraal-Afghanistan. Ze behoorde tot de duizenden Hazara-meisjes en -jongens die na de val van de Taliban in 2001 naar Kabul trokken, gedreven door de belofte van onderwijs zonder discriminatie. Maar in Afghanistan volstaat inzet doorgaans niet. Toegelaten worden is altijd een dubbeltje op zijn kant,

en voor meisjes nog meer. Universiteiten en slaapzalen werkten met etnische quota per provincie, vastgelegd in een land zonder betrouwbare volkstelling, maar met hardnekkige aannames over wie waar thuishoort. Voor meisjes uit afgelegen berggebieden betekende één bed vaak het verschil tussen blijven en vertrekken tussen studeren

en verdwijnen.

Zahra werd toegelaten tot de faculteit Diergeneeskunde en kreeg een plaats in de meisjesslaapzaal. Ze had geluk, maar liep ook gevaar. Voor Hazara – en meer nog voor Hazara-vrouwen – was de universiteit geen bastion van kennis en vooruitgang, maar een arena waarin een machtsstrijd langs etnische en religieuze lijnen fysiek werd uitgevochten. Dat geweld bleef meestal verzwegen, maar maakte voor Hazara-studenten deel uit van het dagelijkse leven.

‘Deur staat altijd open’

Zahra’s dood doorbrak die stilte. Op sociale media volgden reacties elkaar snel op. Ik ging naar de campus en zag hoe studenten voor het rectoraat riepen om gerechtigheid. Ze eisten verantwoordelijkheid, transparantie en een onderzoek. De leuzen golfden door de menigte: gerechtigheid, gerechtigheid, gerechtigheid.

Ik sprak met Zahra’s medestudenten en kwam via een klasgenote uit haar geboorteregio in contact met haar schoonbroer, Amin Joya. Hij vertegenwoordigde de familie in Kabul en diende klacht in tegen de faculteit en tegen de professor die haar eindwerk had begeleid. Ik besloot zijn queeste op film vast te leggen. Dat werd het begin van Kamay.

meisje met een bundel hout op haar hoofd

Amin sprak snel, met de beheersing van iemand die weet hoe dossiers werken en met de vermoeidheid van iemand die beseft dat de regels niet voor iedereen gelden. Hij vertelde dat Zahra’s vader haar lichaam in het ziekenhuis in Kabul had opgehaald. Er was korte media-aandacht, een verklaring voor de camera’s. Daarna vertrok hij met familieleden naar het dorp waar Zahra werd begraven, hoog in de bergen, op het voorouderlijke kerkhof.

Ik belde Zahra’s vader met de vraag of ik een documentaire over haar mocht maken. ‘Als je de waarheid spreekt,’ zei hij, ‘en werkelijk een film over haar wil maken, dan staat mijn deur altijd voor je open. Dan ben je familie.’

Ik had geen verdere aanmoediging nodig en vertrok via snelweg nummer 2 naar Zahra’s geboorteplaats in Shahristan, op bijna een dag reizen van Kabul. Het is

een eeuwenoude weg. Ooit maakte hij deel uit van de Zijderoute, vandaag verbindt hij de hoofdstad met het lang gemarginaliseerde Hazara-gebied.

In de vroege ochtend hing er een voelbare spanning in Kote Sangi, de vertrekplaats in West-Kabul. Passagiers zaten dicht tegen elkaar aan en spraken nauwelijks. Iedereen wist wat Jalrez betekende.

Toen het minibusje dat gebied naderde, viel een doodse stilte. De radio ging uit. Op de ruwe, verwoeste weg was alleen het geluid van de motor te horen. Pas toen we het achter ons lieten, veranderde de sfeer. De chauffeur zette de radio weer aan: een eerste teken dat de dreiging was geweken.

Na bijna vierentwintig uur onderweg stapte ik uit en belde Younus vanaf het afgesproken punt: links de meisjesschool waar Zahra had gestudeerd, rechts een heuvel met een opvallende boom. Zijn broer kwam me ophalen en bracht me naar het laatste huis van een dorp in de bergen, dat van de familie Khawari.

Het huis was warm en stil. Hawa bakte brood in een met rook gevulde keuken. Younus zaagde een droge amandelboom in stukken. Ibrahim zat roerloos, zijn blik gericht op een smalle lichtstraal die door het raam viel. Hij is verlamd, een letsel dat de familie verbindt aan de aanval van de herdershond op Hawa tijdens haar zwangerschap. Soms zingt hij zacht voor zichzelf. De noten klinken vals, maar lijken deel uit te maken van het huis.

Ibrahim is intelligent en gevoelig. Zijn ouders zijn gek op hem. Hawa vertelde dat ze meteen na zijn geboorte met haar zoon naar de dokter wilde, maar artsen zijn ver en vervoer is schaars. Toen ze na acht maanden uiteindelijk op consultatie kon, was het te laat. Zijn toestand is in dit huis een blijvende herinnering aan wat uitsluiting betekent voor wie ver van zorg en staat leeft.

Zijn jongere zus Freshta, die later de verteller van de film zou worden, doorbrak de stilte. ‘Ik weet niet wat Zahra doormaakte’, zei ze. ‘De stad Kabul, de universiteit, de docenten: welke invloed hadden ze op haar?’

Zoektocht naar gerechtigheid

Bijna zes jaar lang volgden we Hawa en Younus. Ze brachten dagen door in gangen van rechtbanken en in wachtzalen van administraties in Kabul, op zoek naar gerechtigheid. Dossiers bleken onvindbaar, bevoegde functionarissen afwezig. Telkens keerden ze terug: uitgeput, maar vastbesloten om door te gaan.

Freshta zag wat dit van haar ouders vergde en begon zich af te vragen wat gerechtigheid eigenlijk betekende. Ze stond op het punt om toelatingsexamens af te leggen voor dezelfde universiteit waar haar zus was gestorven. Gezeten tussen haar boeken stelde ze een vraag waarop niemand een antwoord heeft: kan een plek die jonge vrouwen ombrengt een universiteit worden genoemd?

Breedbeeld van wandelende mensen op een bergrug

De exacte omstandigheden rond Zahra’s dood blijven onduidelijk. Steeds opnieuw vertelden haar verwanten over Zahra’s onvermoeibare arbeid in het laatste jaar van haar leven. En over de afwijzing die daarop volgde.

Aan de universiteit hield Zahra zich afzijdig. Ze stond bekend als stil en vastberaden. Waar plagiaat en de verkoop van bachelorproeven schering en inslag waren, koos zij voor eerlijk veldonderzoek. Ze wilde begrijpen, meten, aantonen. Haar eerste bachelorproef ging over de invloed van het lokale kruid kamay op de voeding van vee. Het onderwerp was geworteld in haar leefwereld: kamay groeit in de bergen rond haar dorp en wordt al generaties lang door herders gebruikt.

Samen met haar moeder, haar officieuze onderzoeksassistente, bracht Zahra geld bijeen voor een weegschaal, meetmateriaal en het kruid zelf, dat in de winter moeilijk te vinden is. Het onderzoeksobject was een van de schapen van de familie. Van zonsopgang tot zonsondergang woog, voedde en noteerde ze nauwgezet.

In onze film probeerden we de familie te begrijpen: hun bestaan, hun verdriet, hun strijd tegen de universiteit en de systemen die hen in onzekerheid achterlieten. Hun tempo was dat van de bergen: traag, stil, maar vol kracht.

De begeleiding bleef ondermaats. De communicatie met de promotor was moeizaam, soms vijandig. Toen Zahra vroeg naar de wetenschappelijke benaming van kamay, kreeg ze als antwoord: ‘Wij kennen jullie Hazara’s al niet, laat staan jullie planten.’

De eerste versie van haar bachelorproef werd nauwelijks bekeken. Later werd haar gevraagd vers kamay mee te brengen. Pas na maanden wachten kwam dat kruid in Kabul aan. Zahra spoelde het stof van de bergen en de snelweg weg en hing het buiten haar slaapzaalraam te drogen. Eén winderige nacht volstond om het te laten verdwijnen.

Ze moest herbeginnen. Dit keer koos ze voor een studie naar kippenvoeding. Opnieuw botste ze op weerstand. Onderzoek buiten de campus werd geweigerd, een andere begeleider aanvragen was “onwenselijk”. Pas na aandringen kreeg ze toestemming om een verlaten container te gebruiken. Nadat ze jarenlang opgehoopt afval had verwijderd, schilderde ze die wit. Ze kocht drieëndertig eendagskuikens en verzorgde ze achtenveertig dagen lang, zonder enige hulp.

Tegen het einde van haar studie stond Zahra op de campus en in haar dorp bekend om haar volharding.

Er volgden meerdere jobaanbiedingen. Het afstuderen kwam dichterbij. Haar moeder begon plannen te maken voor een feest en stuurde appels en vlees naar Kabul om uit te delen aan haar klasgenoten.

Oneindig ver, pijnlijk dichtbij

Toen kwam het telefoontje, vroeg in de ochtend. Zahra’s stem klonk alsof ze de hele nacht had gehuild. Ze wilde met iedereen spreken. Aan het einde vroeg ze haar moeder om vergeving. Daarna verbrak ze de verbinding. Ze nam de telefoon niet meer op.

Volgens de familie had Zahra de dag voordien rattengif gekocht. Medestudenten vonden haar in de badkamer van de slaapzaal. Toen zij haar naar het ziekenhuis wilden brengen, hielden bewakers en personeel hen tegen.

Ze eisten haar studentenkaart – die op dat moment onvindbaar was – en stelden dat eerst op de politie moest worden gewacht. Zo ging kostbare tijd verloren.

In het ziekenhuis kreeg Zahra medicatie en werd ze weggestuurd. De volgende dag overleed ze in een kleine kliniek in het westen van Kabul.

De verontwaardiging was kort. Er kwam geen verder onderzoek. Zahra werd vergeten. In onze film probeerden we de familie te begrijpen: hun bestaan, hun verdriet, hun strijd tegen de universiteit en de systemen die hen in onzekerheid achterlieten. Hun tempo was dat van de bergen: traag, stil, maar vol kracht.

In juli 2021 filmden we hen voor het laatst. Op de terugweg zagen we vluchtende families uit Bamyan. Geruchten over de opmars van de Taliban bleken snel waar. We stopten de opnames.

Kort daarop verliet de familie het dorp. In de maanden die volgden, hielpen we hen naar Duitsland vluchten. Het was een zenuwslopende tijd, vol onzekerheid en slapeloze nachten. Zonder de steun van vrienden uit de filmwereld was het nooit gelukt. Begin 2022 bevonden alle teamleden en de Khawari’s zich in ballingschap, verspreid over Europa.

Kamay is geen onderzoek naar schuld, maar een film over het leven nadien. Ik groeide op met verhalen over overleven, verhalen van lichamen die doorstonden wat de geschiedenis probeerde uit te wissen. Lang voordat ik Hawa ontmoette, voordat ik een camera vastnam of de naam Zahra hoorde, bepaalden die verhalen hoe ik naar mijn land leerde kijken.

Toen ik begon te werken aan Kamay, wist ik niet dat de film me zou terugvoeren naar de bergen van Centraal-Afghanistan, naar een geschiedenis die ik had geërfd maar nooit werkelijk onder ogen had gezien. Ik begreep dat deze film geen poging kon zijn om uit te leggen, maar om aanwezig te blijven: bij mensen, bij stilte, bij wat zich niet laat samenvatten.

Terwijl ik dit schrijf vanuit Brussel, voelt het lege huis van Zahra’s familie tegelijk oneindig ver weg en pijnlijk dichtbij. Het laatste beeld van de film blijft hangen in de stilte van dat huis. Het stelt een vraag die groter is dan één familie of één dood: welke geschiedenissen zijn we bereid te zien en welke stiltes laten we voortbestaan?

Ilyas Yourish richtte in 2018 Kamay Film op om verhalen uit zijn vaderland Afghanistan te vertellen. Voordien werkte hij aan onderzoeksprojecten over extremisme, radicalisering, vrouwenrechten en machtsverhoudingen in conflictgebieden. Nadat de Taliban in 2021 aan de macht waren gekomen, ging hij gedwongen in ballingschap. Sindsdien woont en werkt hij in België. Kamay is zijn eerste documentaire. De film kwam tot stand met een bijdrage van regisseur Shahrokh Bikaran.

Kamay wordt op 8 maart uitgezonden op VRT Canvas en is te bekijken op VRT Max.

Dit essay werd geschreven voor MO*159, het lentenummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.

cover van MO*159, getiteld: USAID en met ondertitel ‘De Amerikaanse middelvinger naar de meest kwetsbaren’
USAID

De Amerikaanse middelvinger naar de meest kwetsbaren

Word proMO*

Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in