Een gedicht over ontreddering, thuisloosheid en hoop

Het verhaal van de illegaal

© Reuters / Amir Cohen

 

Op vraag van MO* en het Vlaams-Nederlands huis deBuren schreef Sumai Yahya Het verhaal van de illegaal, een beklijvend gedicht over ontreddering, thuisloosheid en hoop. ‘Hetzelfde wenste ik toen ik mijn land verliet en de Middellandse Zee voor me had, waarachter “Europa” lag. Oh, als ik die zee voor me met mijn vingers weg kon halen, alsof het een sticker was. Maar de zee bestond!’

© Serge Ligtenberg

 

Sumai Yahya (2000) schrijft gedichten en kortverhalen, maakt films en doet aan fotografie. Hij werd geboren in Syrië en studeerde aan de internationale school UWC Maastricht. In 2018 won hij op het literatuurfestival Winternachten in Den Haag de Jonge Campert-prijs voor beste dichter.

In de verte staat een palmboom, rustend op het open strand. Ik zou moeten slapen, maar door de tocht, de tocht van mijn leven, de tocht over de grote zee en het beeld van mijn slapende baby in mijn hoofd, ben ik slapeloos.

Ik voer op een rubberboot, dwaalde op zee en verloor het kompas. En nu zit ik op de rotsen met lege handen, de boot op zijn kant, ogen die op het punt staan om in huilen uit te barsten. Een kleurrijke, giftige emotie in mijn keel brandt mijn nek langzaam als smeulende kool, mijn huid is als plastic. Het creëert een gat. Achter mij de zee. Voor mij de zee. Aan weerskanten een waterval. En boven mij, de stille lucht.

Ik sta op een afstand en kwam niet onder jullie mantel te staan. De mantel die jullie met jullie bloed en vingers naaiden, verscheurden en met trillende handen opnieuw naaiden en soms verbrandden. Alsof jullie in het water van een lopende rivier spetterden, toen jullie met jullie schouders en handen een loodzwaar standbeeld van Maria optilden. Water kwam jullie monden binnengelopen, velen verdronken. Terwijl de waterdruppels langzaam, als stukken gebroken glas, de zon langzaam naderden en haar dan … sneden.

En de zon stroomde als een rivier van vuur naar de aarde. Als een verlichte trap naar de hemel. Alsof een standbeeld van een ondeugend, vreemd kind vanuit de ruimte op de aarde plast. Dat zware standbeeld van Maria, van wie ik de hand niet mag kussen en van wie ik de wijn niet mag drinken, zodat ik mijn eigen bloed moet drinken. Uit een kom, als een dorstige hond.

Ik ben de dakloze, mijn speer van blauw vuur werd niet geworpen door de bliksem van een vrouw. In plaats daarvan viel ze en doofde ze in de oceaan, met zicht op de ruïnes van jullie “Atlantis”.

En waar is mijn vrouw? Ik zie haar in het regenwater, wanneer het ‘s nachts over het asfalt naar het riool wegloopt. De reflectie van de lichten vloeit met het water en eindigt als eenzame sterren. Ze plaatst haar herinnering als een droom van katoen, als een fantoom van mist, op mijn woedende gezicht waarop de nacht aanmeert. Mijn gezicht stroomt als het water in de straat. Een van de vele straten in deze donkere stad van enge droomhuizen, nog altijd omhelsd door de resten van de antieke tijd. De bomen bewegen nog altijd mee met de wind van verstopte kreunen, ver en diep, in dat donkere bos, waar mensen hun vrees verbergen.

Ik wil naar de levenloosheid. Naar die eeuwige beweging en transformatie van dingen in slaap.

Ik staar naar de stadsbewoners wanneer de schemering zwaar op me valt, me haar jurk omslaat en me haar blauwe mist stuurt. Wanneer mijn benen zo moe zijn van het zwerven tijdens de dag en ik met honger wandel. Dan zie ik een bezorger bij een deur aankloppen. Een man verschijnt. Hij ziet er comfortabel uit, genietend. Dan komt zijn dochter aangesprongen: ‘Papa, papa.’ Ze lacht hard. Ze bedanken de bezorger en trekken de deur achter zich dicht. Ik kijk door het raam. Het wordt verlegen, nat en ongemakkelijk bij de vallende regen.

De vader legt de pizza in de woonkamer neer en een vrouw komt de kamer binnen. Weer laait de brand in mijn keel op. Kon ik het glas van het raam maar breken! Of was ik maar een onzichtbare schaduw, zodat ik kon binnengaan, de rest van mijn leven tussen huizen kon dwalen en dat streepje inkt op mijn papieren kon laten vloeien. Dan zou ik in mijn verleden en mijn droom kunnen dwalen, met mijn vrouw en kind kunnen samensmelten. Ze zijn net zoals mijn ruggengraat, die mijn ziel met het bestaan verbindt.

Hetzelfde wenste ik toen ik mijn land verliet en de Middellandse Zee voor me had, waarachter “Europa” lag. Oh, als ik die zee voor me met mijn vingers weg kon halen, alsof het een sticker was. Maar de zee bestond! En het raam bestaat. En ik ook! Staand buiten dat huis, vliegend in mijn fantasie en wensen, en terugkerend naar die zwarte cirkel, die mij soms omringt. Oh, die momenten. Waar ben ik dan? Wat gebeurt er met me? Hoe ‘s nachts, als een hondsdolle hond in een gracht, mijn woede alle kanten op slaat.

Ik lig alleen in mijn schuilplaats. Mijn ogen gloeien blauw. De hele wereld komt binnen in mijn ogen. Ze omwikkelt mij en gooit mij naakt op haar afgelegen kusten. En ik, verdronken in mijn glasachtige lichaam, neem in een snelle seconde een vreselijke ademteug en slik geforceerd mijn eigen ziel in. Ik, dat geschokte wormpje uit het riool, voel mijn bed en sijpel erover.

Weg met dit lichaam! Laat het sijpelen! Laat dit leven, deze botten en deze huid uitlekken. En laat mij samensmelten met de vieze matras onder mij, zodat ik niet meer als een zwerfhond door de straten hoef te lopen. Laat mij maar vuil en vacht worden, morsig, nadat mijn lichaam vanzelf is gescheurd. Weg met dit project! Deze verzameling van grote druppels: blauw, paars … die mijn ziel is. Ik wil naar de levenloosheid. Naar die eeuwige beweging en transformatie van dingen in slaap. Ik wil erin springen, zodat ik word vermengd met het stof en naar mijn huis terugkeer. Dat huis van glazen vergetelheid. En verbrijzel deze Ammar. Vernietig zijn identiteit. Sloop zijn dromen, zuig ze weg van deze wereld en breng mij in een vacuüm met een voortdurend onbestaande droom.

Als een zeil zwervend in de lucht landde ik op de fakkel van het Vrijheidsbeeld, toen mijn boot op de hemel voer en het eerste stuk land omarmde. Ik ben hier nog en kijk naar New York, terwijl ik mijn ellende en wanhoop van mijn djellaba drink, wanneer waterdruppels uit de hemel vallen. Jullie zien mij niet. Jullie zien alleen de grote vlam van vrijheid, waarop ik er waarschijnlijk zo klein uitzie als een mier.

New York bestaat slechts uit grote kubussen, levenloos. In de hemel varen vliegtuigen daarnaartoe. Misschien zit ik te diep in de oceaan, zodat ze alleen duisternis zien. Dat is mijn verhaal, een onzichtbaar touw van lucht, uitgerekt tussen de wolken. Een verzameling stuifmeelkorrels die aan de wanden van een bijenkorf hangt, nat en slaperig gewikkeld in mist en kou. Een eeuwig verlangen naar gemak.

Of sneeuw in de avond, waar ik door het raam gehypnotiseerd naar staar. Wormen komen de kamer binnen:

‘Mijn lievelingen, oh nee, ik ben jullie niet vergeten. Oooooo.’

En hij glimlacht verdoofd. Terwijl de wormen hem kruipend naderen. En hij, nog wat vermoeider en meer teleurgesteld, met een lage stem als van een dronkaard:

‘Ik staarde altijd naar jullie! Toen jullie vuil waren.’

Geplaatst door de tijd in een van zijn uitbarstingen op het plafond, de hoeken en op de matras waarover ik vaak sijpelde. De vacht van de wormen is verlaten! Ruim en spectaculair, met honderd eeuwige tochten.

‘Waarin ik dwaal en jullie probeer te naderen, en misschien zelfs probeer aan te raken. Maar ik ben gevangen in dit bed, waarin ik vaak ontzettend rusteloos raak. Ik kan jullie niet meer uitstaan! Zo dichtbij en zo onmogelijk ver zijn jullie!’

Ondertussen is er een worm op zijn lichaam gekropen. Terwijl hij nog altijd spreekt, drijvend op deze hallucinatie. De worm komt dicht bij zijn kin. Hij is er zich nog altijd onbewust van, blijft luid spreken en zijn mond openen. De vacht van de worm raakt zijn kin en hij voelt een streling: ‘Die warme golf van leven.’

Vriendelijker en met meer zin, vraagt hij dan: ‘Wat doe je hier eigenlijk?’ Terwijl hij zijn hand optilt om de worm te strelen en hij badend in het zweet ligt. De worm stopt met kruipen en tilt zijn hoofd op, en alles rinkelt.

Zijn ogen, ook blauw gloeiend: ‘Ik weet het niet. Dit is mijn pad en hier, naast jou, eindig ik. Zo is het zwerven. Alles beweegt.’

De worm kijkt naar achteren. Naar het verre blauwe licht, gereflecteerd op een heel nabije planeet en kijkt terug. ‘Ik besta niet. Ik zwerf en kruip, om geen enkele reden’.

Ammar is geschokt. De worm raakt zijn mond. Het maakt hem emotioneel, klaar om te huilen op een schouder van een vriend – of liever: van Hubba, een vrouw die ooit bestond voor hem.

De worm kruipt verder en tuimelt in Ammars mond! Hij stikt! Legt zijn handen op zijn keel. Zijn lichaam probeert, emotieloos als een machine, zijn afzonderlijke organen te coördineren. Om de worm eruit te spugen! Zijn nek kreukt. Het lukt! Hij spuugt de worm hard de hemel in, waar een vliegtuig op touwen van lucht kruipt. Boos, totaal opgewonden, blij en hysterisch glanst de worm naar het bestaan:

‘Ik was niet gemaakt om in deze kamer te blijven!’ De worm neemt dan uit zijn lichaam een gloeiende blauwe diamant. Ammar is extatisch om het vliegtuig dichterbij te zien vliegen en naar New York te gaan. Het vliegtuig komt dichtbij. Alles ziet eruit als in een droom. De wolken. De zonsondergang. Ammar kijkt ernaar met diepe waardering voor het uitzicht en in zijn verwondering vergeet hij zichzelf. Hij denkt aan de schoonheid die hij zag in alle tochten in de vacht in het verleden. Hij voelt een golf van geluk door zich stromen. En het is dan, wanneer de piloot zo is gefocust op het landen in New York en hem niet ziet vliegen, dat het vliegtuig Ammar doodslaat.

Op vrijdag 16 december draagt Sumai Yahya dit gedicht voor tijdens de MO*talks ‘Iedereen legaal?!’ op het Festival van de Gelijkheid in VIERNULVIER (De Vooruit) in Gent. Schrijf je in op festivalvandegelijkheid.be.

Dit gedicht werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dat proMO* voor slechts 4 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift