12 auteurs over feit & fictie, waarheid & verbeelding

Verbeelding in literatuur is het tegengestelde van verzonnen feiten in journalistiek

© Nicola Preti

 

Elk huis heeft zijn geesten. Die van nummer 124, de plek waar het grootste gedeelte van Beminde van Toni Morrison zich afspeelt, zijn behoorlijk gewelddadig. 124 is bezeten door de mokkende, gekwetste en mishandelde zielen van vrouwen die binnen zijn muren gestorven zijn. Toch schrijft Morrison geen phantasy of horror. Toni Morrison: ‘Ik schrijf boeken waarin ik de echte geschiedenis van mijn land probeer te reconstrueren. Ik ben opgegroeid zonder dat de geschiedenis van zwarte mensen deel uitmaakte van de nationale geschiedenis.’

De waanzin die ze beschrijft in Beminde ‘was trouwens heel rationeel’, zegt ze: ‘Sethe wou haar dochter, door haar te vermoorden, beschermen tegen het onuitspreekbare leed dat ze zelf gekend had. De dood als de betere optie.’

Het kan ook wat vriendelijker, zoals in Het huis van de geesten van Isabel Allende. Ik sprak Allende begin maart dit jaar in Sausalito, Californië, in een huis dat zo niet bezeten is, dan toch bewoond wordt door geesten: het diende eind negentiende eeuw eerst als luxebordeel, werd daarna een pinksterkerk en een chocoladefabriek, en is nu het kantoor van Isabel Allende én van de Isabel Allende Foundation. Die stichting investeert ongeveer een miljoen dollar per jaar in projecten die gericht zijn op gelijke kansen voor meisjes, gelijk loon voor gelijk werk en seksuele en reproductieve rechten voor vrouwen.

In het gesprek ging het uiteraard ook over het originele huis in Chili, waar Allende voor het eerst besefte dat vrouwen minder kansen en minder rechten hadden dan mannen. Ze werd samen met haar moeder opgevangen in het huis van haar grootvader, maar haar moeder werd daardoor voor alle keuzes en beslissingen afhankelijk van mannen.

​Fictie is waar, nepnieuws is censuur

‘Het maakte mij op zeer jonge leeftijd opstandig en hoe ouder ik werd, hoe meer die woede zich tegen alle vormen van autoriteit begon te richten.’ De journalistiek bij een feministisch maandblad bood haar een eerste constructieve uitlaatklep voor die woede. Toch stapte ze van de journalistiek over op het schrijven van fictie.

Lezers hebben die grondlaag aan waarheid en geloofwaardigheid nodig om zich aan fictie over te geven

Waarom? ‘Ik was als journaliste al een verhalenverteller, veel meer dan een onderzoeker of een berichtgever’, zegt ze. ‘Journalistiek is heel onmiddellijk en jachtig, literatuur biedt mij de vrijheid om de waarheid te vertellen zonder beperkt te worden door bewijzen of feiten, of door de eenzijdigheid van mijn eigen standpunt. Anderzijds werkt fictie die niet geworteld is in de werkelijkheid niet. Lezers hebben die grondlaag aan waarheid en geloofwaardigheid nodig om zich aan fictie over te geven.’

Op de vervolgvraag: ‘Zijn de “alternatieve feiten” van de nieuwe Amerikaanse president dan ook een vorm van fictie?’ reageert Allende scherp. ‘Nee, dát zijn leugens. Mijn fictie is gebaseerd op diepgaand onderzoek, hun leugens zijn bedoeld om de werkelijkheid te verbergen. In die zin zijn alternatieve feiten en nepnieuws hedendaagse varianten van de oude censuur die bestond onder de militaire dictaturen van de jaren zeventig. Kunst probeert daarentegen het leven op te tekenen en er zin aan te geven. Dat is een manier om naar waarheid te zoeken.’

Het verhaal opent de mogelijkheid om tot de waarheid door te dringen

Het ‘onderzoek naar de echte geschiedenis’ van Morrison en de ‘zoektocht naar waarheid’ van Allende werpen de vraag op of en hoe verbeelding voor toegevoegde waarheidswaarde kan zorgen in tijden van nepnieuws, alternatieve feiten en veralgemeende corruptie van informatie. Is fictie, met andere woorden, bij uitstek geschikt om het ware verhaal van deze tijd te vertellen? En hoe verhouden feiten en verbeelding zich dan tot elkaar?

‘Fictie en objectieve waarheid blijven twee verschillende dingen’, reageert schrijfster Chika Unigwe. ‘In tijden waarin alternatieve feiten en nepnieuws de integriteit van de pers en zelfs van de feiten op losse schroeven zetten, en zelfs het begrip waarheid helemaal ondergraven, is het verschil tussen fictie en objectieve waarheid van groot belang. Fictie geeft ons wel de mogelijkheden om de werkelijkheid beter te begrijpen, en schrijvers hebben altijd fictie gebruikt om alternatieve mogelijkheden uit te tekenen, een soort blauwdruk van wat ook zou kunnen. Fictie daagt ons uit om ons die andere mogelijkheden voor te stellen.’

Rachida Lamrabet: ‘De waarheid en de harde feiten zijn een verantwoordelijkheid van de non-fictie of de journalistiek. Maar fictie geeft diepgang en gaat over wat er allemaal mogelijk is’

Collega-auteur Rachida Lamrabet ziet het ook zo: ‘De waarheid en de harde feiten zijn een verantwoordelijkheid van de non-fictie of de journalistiek. Maar fictie geeft diepgang en gaat over wat er allemaal mogelijk is, het legt de innerlijke drijfveren van personages bloot. En hoewel fictie over het imaginaire verhaalt, is fictie niet onwaar, omdat ze ware dingen zegt over het fenomeen mens en het leven zelf. Goede fictie is waarachtig zonder daarvoor noodzakelijk een waarheidsaanspraak te hebben.’

© Nicola Preti

 

‘Instinctief dachten we allemaal wel ongeveer te weten waar de scheidslijn ligt tussen fictie en journalistiek’, reageert journalist in ruste Piet Piryns. ‘Van een journalist verwachtten we bij wijze van spreken dat hij proces-verbaal opmaakte: wie-wat-waar-wanneer en als het even kon ook nog waarom. Voor een schrijver gold het oude grapje dat de feiten een mooi verhaal nooit in de weg mogen staan. Een schrijver mocht dus liegen, een journalist niet.’

Schrijfster Annelies Verbeke gelooft ‘dat fictie het voordeel heeft te laten zien dat er niet één waarheid in de werkelijkheid te vinden is, maar vele waarheden, naast elkaar’. Verbeke ziet het schrijven ‘als een levenslang onderzoek naar antwoorden op de vraag: wat is de werkelijkheid? Allemaal leven we in zekere mate in ficties, we maken elk ons verhaal over de werkelijkheid. Iemand met een psychose ervaart de werkelijkheid zeer afwijkend, maar ook mensen die normaal worden geacht zien verschillende werkelijkheden, anders zouden er geen meningsverschillen zijn, geen politieke partijen ook. Ik denk dat het daarom zeker loont veel fictie te lezen, liefst uit alle continenten en uit verschillende eeuwen, en te ontdekken wat universeel is, wat specifiek, en hoe sommige interpretaties van de werkelijkheid terugkeren in andere contexten.’

Geen letterlijke feitelijkheid, maar waarachtigheid

Als we auteur Stefan Hertmans de vraag stellen of fictie een alternatieve manier levert om naar de waarheid in de werkelijkheid te zoeken, en of ze daarin toegevoegde waarde heeft tegenover non-fictie of journalistiek, antwoordt hij: ‘Volgens mij moet de vraag anders worden gesteld: is verbeelding in staat om een bepaald waarheidsaspect te onderzoeken? Met andere woorden: kan je aan de hand van verbeelding in verhalende literatuur iets zeggen over de feitelijke, maatschappelijke en politieke werkelijkheid daarbuiten? De vraag is al ontelbare keren positief beantwoord en het antwoord is nog altijd geldig: verbeelding is een mogelijkheidsdimensie van werkelijkheid. Ze maakt dus deel uit van werkelijkheidsonderzoek. Literatuur – het kan ook een episch gedicht zijn – draait niet om waarheid maar om waarachtigheid.’

Hertmans’ stelling is een wat intellectuele verwoording van wat ik in 2011 optekende van de Pakistaanse auteur Mohsin Hamid, die onlangs Exit West uitbracht: ‘Een analyse dient om de wereld begrijpelijk en beheersbaar te maken. Een roman probeert een wereld te creëren, met nieuwe mogelijkheden. Een beetje zoals in een dagdroom. Je bevindt je binnen de werkelijkheid, maar je doorbreekt haar beperkingen. Je exploreert het mogelijke.’

Chika Unigwe zegt het op haar manier: ‘De enige waarheid die in fictie van belang is, is de emotionele waarheid. De manier waarop we die als lezers ervaren en hoe we erop reageren, zal van lezer tot lezer verschillen. Zelfs wat we in een tekst lezen kan verschillen. Fictie kan dan ook niet anders dan subjectief zijn, een lezergedreven subjectiviteit die je nooit in de journalistiek gaat terugvinden.’

Annelies Verbeke: ‘Ik heb veel onderwerpen of mechanismen beter begrepen door fictie te lezen, net omdat fictie de werkelijkheid naar personages en in mensenhoofden brengt’

Toch, zegt Annelies Verbeke, gaat het ook in de literatuur om de echte, harde wereld en werkelijkheid. ‘Ik heb veel onderwerpen of mechanismen beter begrepen door fictie te lezen, net omdat fictie de werkelijkheid naar personages en in mensenhoofden brengt, mensen die reageren op de omstandigheden en op elkaar. Je leert begrijpen hoe de personages ergens toe komen, je zit in hun hoofd. Om een voorbeeld uit de actualiteit te geven: wat er aan de hand is in Syrië heb ik gevolgd in het nieuws, maar het is literatuur die de oorlog en het regime van vader en zoon Assad en de impact daarvan op de bevolking veel dichter naar me toe heeft gebracht, door de dichtbundels van Ghayath Almadhoun en door Er zijn geen messen in de keukens van deze stad van Khaled Khalifa. Als je veel leest, begrijp je ook dat elk conflict, elke oorlog begint in mensenhoofden, en dat ook een roman of ander literair werk dat niets met de actualiteit te maken heeft, toch heel relevant kan zijn, omdat het toont hoe een bepaald mechanisme in gang wordt gezet.’

Maar het werkt ook in de andere richting. Verbeke: ‘Wanneer het voor mijn boek nodig is concrete feiten te kennen, vind ik het nodig mijn research heel grondig te doen. Dan is “het is fictie” geen excuus om fouten te maken.’

Wie alleen maar de vraag stelt hoe feit en fictie zich tot elkaar verhouden binnen de literatuur, die mist een essentieel element: het esthetische. ‘Goede fictie draait ook altijd om een artistieke verhaalvorm – dus om een schoonheidservaring’, zegt Stefan Hertmans.

Dat vindt ook Piet Piryns: ‘Belangrijker misschien nog wel dan de rol van de verbeelding lijkt mij wat een schrijver met de taal doet. Al gaat het volgens mij niet louter over esthetiek. Ooit dachten we dat taal een neutraal gegeven was, maar we weten intussen dat de taal al net zo vervuild is als het water en de lucht. Dat taal net zo goed kan liegen als fotografie. Dat taal niet onschuldig is. Wat de schrijver of de dichter doet, is de dof geworden taal weer oppoetsen. De taal opnieuw ijken. Dat vooral.’

Volgens Hertmans ‘ontbreekt dit samengaan van een waarachtigheidsbesef met een schoonheidsbesef volledig in het louter politiek-maatschappelijk discours. Schoonheid is de morele meerwaarde van het waarachtige verhaal. Het vormt een esthetische beleving op zich en geeft dus ook een andere kijk op ervaring en waarheid. Want werkelijkheid zonder de troost van schoonheid zien we al genoeg rondom ons.’

Jeroen Olyslaegers: ‘Statistieken over vluchtelingen, beleid of wat ook zullen het nooit winnen van dat ene verhaal van die ene vluchteling waarbij een groot publiek denkt: godmiljaar, dat had ik kunnen zijn’

Jeroen Olyslaegers is het zeker met Hertmans eens dat de vorm – het verhaal – van wezenlijk belang is voor literatuur, maar eigenlijk geldt dat ook voor de journalistiek. Statistieken over vluchtelingen, beleid of wat ook zullen het nooit winnen van dat ene verhaal van die ene vluchteling waarbij een groot publiek denkt: godmiljaar, dat had ik kunnen zijn. Dat vergt een andere manier van schrijven dan wat je de harde journalistiek noemt.’ De Amerikaans-Ethiopische schrijver Dinaw Mengestu, auteur van onder andere Kinderen van de revolutie, kijkt daar anders tegenaan: ‘Je moet juist met de harde feiten beklijvende verhalen vertellen’, zegt hij.

Olyslaegers verwijst naar Hart van duisternis van Joseph Conrad, omdat die volgens hem ‘over de waanzin in Congo schrijft met alle prachtige truken van de narratieve foor. Die mens heeft zich alle vrijheid toegeëigend om zijn verhaal te kunnen vertellen, maar zijn tekst is onuitwisbaar en zelfs via film tot ons collectieve geheugen gaan behoren. Dat neemt niet weg dat historische feiten dan net zo goed belangrijk zijn, maar die zijn in dit geval de backstory, de achtergrond die het verhaal meer profiel geven.’

Als het literaire verhaal dichter bij de waarheid zit dan de journalistieke framing

Dit zijn de historische feiten: op 25 december 1968 werden in het dorpje Kilvenmani, in de Indiase deelstaat Tamil Nadu, 44 mannen, vrouwen en kinderen gedood door een bende die ingehuurd was door de landeigenaars van de streek omdat de landarbeiders staakten om een verhoging van hun loon te eisen. In De Zigeunergodin vertelt Meena Kandasamy de echt gebeurde feiten, maar ze doet dat niet op een journalistieke maar op een literaire manier. Hoe groot is de ruimte om van zo’n historisch drama een werk van fictie te maken? Is het aanvaardbaar om je eigen verbeelding toe te voegen aan wat er in Kilvenmani gebeurde?

Meena Kandasamy: ‘Iedereen vertelt verhalen en iedereen weet dat je in een verhaal de feiten polijst, opsmukt en herschikt, juist om de waarheid beter te doen uitkomen’

Meena Kandasamy: ‘Het hele debat over fictie en non-fictie lijkt me heel westers. Iedereen vertelt verhalen en iedereen weet dat je in een verhaal de feiten polijst, opsmukt en herschikt, juist om de waarheid beter te doen uitkomen. Ik verzin niets in dit boek, ik vertel de werkelijkheid van de slachting en van de omstandigheden – de feitelijke machtsverhoudingen, de kastetegenstellingen, de wanhoop – maar ik doe dat op een verhalende manier die de lezer blijft boeien. Wat er over een bepaalde vrouw verteld wordt, kan de samentrekking zijn van de echte ervaringen van verschillende vrouwen, maar het blijven wel echte ervaringen.’

© Nicola Preti

 

Kandasamy wijst ook op een probleem dat dieper gaat dan de vraag of er verbeelding toegevoegd wordt aan de feiten. Zij moest ook een oplossing vinden voor het probleem dat de nuances van de werkelijkheid zich vaak niet zomaar laten vatten in de taal die de schrijver ter beschikking heeft. ‘Aangezien ik in het Engels schreef, kon ik eigenlijk geen gebruik maken van directe dialogen, omdat er zoveel kastecultuur en hiërarchie zit in de manier waarop mensen met elkaar praten in het Tamil, dat je dat toch nooit kan weergeven in het Engels. Een ander probleem was dat het bijna onmogelijk is om verhalend weer te geven hoe de politie de slachtoffers ontmenselijkte, als voorwerpen behandelde. Daarom besloot ik dat het beter was een administratief document weer te geven, in zijn zakelijke en gruwelijke detail. Idem voor het formele verzoek van de aanstoker van het geweld om politionele bescherming te krijgen. Door zo’n formeel verzoek op te nemen in de roman, toon ik veel scherper hoe daders een slachtofferrol voor zichzelf creëren.’

De creatieve vrijheid van de schrijver is absoluut, maar geldt dat ook wanneer hij of zij aan de slag gaat met echt gebeurde feiten of met traumatische ervaringen van echte mensen? Ik herinner me de reactie van collega Alma De Walsche toen Leo Pleysier tien jaar geleden De Latino’s publiceerde, een roman die losjes gebaseerd was op haar eigen geschiedenis als ontwikkelingswerker in Ecuador, waar ze haar eerste zoontje verloor. De “mogelijkheidsdimensie” van de een bleek voor de ander – die de werkelijke feiten doorstaan had – een soort inbraak waarbij het kostbaarste uit de slaapkamer weggeroofd werd. In een recensie noemde ik het boek toen aasgierliteratuur: ‘Literatuur die zich inlaat met reëel materiaal, moet die werkelijkheid verdiepen, verhelderen, bevragen of opentrekken. Wat Pleysier in De Latino’s doet, is het banaliseren van wat bijzonder diepgaand en confronterend was.’

Ik stelde de vraag daarom ook aan Meena Kandasamy. Klopt haar verhaal met de manier waarop de mensen van Kilvenmani de gebeurtenissen ervaren hebben? Kandasamy: ‘Zij waren vooral verontwaardigd over “het verhaal” dat in 1968 in de media verteld werd over de slachting. Daarin werd de nadruk gelegd op de dreigende agressie van de landarbeiders tegen de grondbezitters. En als de klassetegenstellingen wel juist voorgesteld werden, verdween meestal het feit dat de slachtoffers allemaal dalits waren uit beeld.’

Ook Rachida Lamrabet wijst op het probleem dat ook in journalistiek en non-fictie vaak – op een verkeerde manier – met “verbeelding” gewerkt wordt: ‘Het gevaar bij non-fictie is dat feiten zich er ook toe lenen om onwaarheid te verkondigen. Door feiten te isoleren en hun volgorde of de context te manipuleren bijvoorbeeld. En bij non-fictie bestaat de ongeschreven regel niet dat het maar make-believe is. Dan krijg je een verhaal waar feit en fictie door elkaar lopen, het ene besmet het andere en je verliest het zicht op wat echt en wat onecht is.’

Informatieve meerwaarde

Het valt op hoeveel romanschrijvers tegelijk ook essayisten of journalisten zijn – of waren. Isabel Allende begon als journaliste, maar ook Meena Kandasamy, Dinaw Mengestu en Mohsin Hamid schrijven journalistieke stukken. Amitav Ghosh, auteur van onder andere de magistrale Ibis-trilogie (Zee van papaver / Rivier van mist / Vloed van vuur), schrijft romans, zegt hij, ‘omdat literatuur ruimte biedt voor de essentie van het menselijke bestaan: de relaties die een mens heeft en de manier waarop die ingebed zijn in culturen, gemeenschappen, geschiedenissen en natuurlijke omgevingen. In een roman is plaats voor passie, liefde en verlangen, verraad, angst en haat, maar ook voor ecologie, zoölogie en geschiedenis.’

De armen worden vaak “geobjectiveerd”, geromantiseerd of gecriminaliseerd, zonder recht te doen aan hun verscheidenheid en individualiteit.’ Dat, zegt Ghosh, voegt fictie toe aan de harde journalistiek, en daarom is literatuur noodzakelijk.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Dat we van de armen wel hun gemiddelde jaarinkomen, levensverwachting en calorieverbruik kennen, maar zelden iets vernemen over hun dromen of erotiek, heeft volgens Ghosh te maken met ‘het ontbreken van de taal en het platform om hun eigen verhaal in hun eigen woorden en met hun eigen beelden te vertellen. De armen worden vaak “geobjectiveerd” en dat leidt tot allerlei veralgemeningen. Ze worden geromantiseerd of gecriminaliseerd, zonder recht te doen aan hun verscheidenheid en individualiteit.’ Dat, zegt Ghosh, voegt fictie toe aan de harde journalistiek, en daarom is literatuur noodzakelijk.

Heeft hij dan nooit het gevoel dat romans schrijven in deze tijd deel uitmaakt van het orkest dat verder speelt op de Titanic? Is het verbeelden van menselijke drijfveren en relaties nog relevant als de wereld gered moet worden? ‘Er zijn meer dan genoeg historici en wetenschappers die de feiten veel beter bekend kunnen maken dan ik. De crisis die we doormaken gaat dieper dan de ongelijkheid of klimaatverandering, hoe ingrijpend die ook zijn. Het gaat uiteindelijk om een gebrek aan verbeelding. De mensheid is opgeslokt door het dominante verhaal over het goede leven dat het huidige systeem belooft, maar niet aflevert. Vandaar de nood om verhalen te vertellen en andere gevoeligheden in de mens aan te spreken.’

De citaten van Toni Morrison, Isabel Allende, Mohsin Hamid, Dinaw Mengestu, Amitav Ghosh en Meena Kandasamy komen uit oudere interviews die terug te vinden zijn op MO.be. Chika Unigwe, Annelies Verbeke, Stefan Hertmans, Rachida Lamrabet, Piet Piryns en Jeroen Olyslaegers reageerden op onze vragen.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur