Alexander De Croo: ‘Mislukken is minder erg dan falen zonder leren’

Minister van Ontwikkelingssamenwerking De Croo is terug van de VN-conferentie over financiering voor ontwikkeling. MO* vroeg de minister wat hij de voorbije dagen geleerd heeft. ‘België kan internationaal wegen als het duidelijke keuzes maakt.’

  • © Gie Goris Minister De Croo in de Africa Hall, in de Ethiopische hoofrdstad Addis Abeba © Gie Goris

België was opvallend aanwezig op de VN-Conferentie over Financiering voor Ontwikkeling in Addis Abeba. Vice-premier Alexander De Croo gaf niet alleen een toespraak voor de plenaire vergadering, maar was ook gast of gastheer op een aantal side events of high level meetings, over onder andere financiële inclusie door digitale financiële diensten, over de rol van wetenschap, technologie en innovatie in het realiseren van ontwikkelingsdoelen, over ontwikkelingshulp in fragiele landen…

Daarnaast was ook minister van Staat Annemie Neyts aanwezig om België op nog andere bijeenkomsten te vertegenwoordigen, onder andere over de Belgische anti-aasgierenwet en over het belang van waardig werk voor duurzame ontwikkeling.

Wat was de reden voor die zichtbaarheid?

Alexander De Croo: Op de eerste plaats omdat de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs) zo belangrijk zijn. Die nieuwe doelstellingen, die in september door alle landen van de wereld vastgelegd en gelanceerd worden, bepalen niet alleen het werk van ontwikkelingssamenwerking voor de komende vijftien jaar, ze geven eigenlijk het hele beleidskader een duidelijke richting, in het Zuiden maar ook in het Noorden. Om de SDGs het belang te geven dat ze verdienen, moest de conferentie over de financiering van ontwikkeling een succes worden.

De Financing for Development conferentie mocht niét alleen over de officiële ontwikkelingshulp (ODA) gaan. Daarvoor zijn de noden en de uitdagingen te groot.

En, wat is uw voorlopige inschatting van het gebeuren in Addis Abeba?

Alexander De Croo: Mijn uitgangspunt is vanaf het begin geweest dat de Financing for Development conferentie niét alleen over de officiële ontwikkelingshulp (ODA) mocht gaan. Daarvoor zijn de noden en de uitdagingen te groot. Binnen de Europese Raad heb ik daar wel aan toegevoegd: ‘En dus moeten we het zeker ook wel hebben over die ODA hebben, anders is de rest niet geloofwaardig.’

Tijdens de twee dagen dat ik deelgenomen heb aan de conferentie, zie ik die visie weerspiegeld in de realiteit. Er is veel en duidelijk gesproken over ODA, maar daardoor voelde iedereen er zich comfortabel bij dat ook andere zaken op de agenda stonden, zoals het mobiliseren van binnenlandse middelen, het bestrijden van onwettige of ongeoorloofde financiële stromen, …

Als België de duurzame ontwikkelingsdoelen zo een warm hart toedraagt, dan krijgen die doelstellingen ook gestalte in het Belgische overheidsbeleid?

Alexander De Croo: Met alle complexiteit die België eigen is, ja.  Maar we staan nog maar aan het begin van dat proces. Wij hebben daarover al wel overlegd met minister Marghem, die duurzaamheid in haar portefeuille heeft, maar de manier waarop we de SDGs ter sprake zullen brengen en zullen vormgeven is nog niet concreet gemaakt.

Ook de specifieke verantwoordelijkheden binnen de regering moeten nog afgesproken worden. Trouwens, het is niet alleen de uitvoerende macht die hierrond kan handelen. De acties die België ondernomen heeft tegen de aasgierfondsen, zijn in gang gezet en gerealiseerd door het parlement.

Wat zijn de voornaamste lessons learned, na deze conferentie?

Alexander De Croo: Op de eerste plaats leer ik dat het goed is als de Belgische ontwikkelingssamenwerking duidelijke keuzes maakt –zoals de keuze voor fragiele staten en voor de Minst Ontwikkelde Landen–  en dan investeert in het zoeken van medestanders. Op die manier kunnen we echt mee richting geven aan het internationale beleid rond ontwikkeling.

Onze keuze voor partnerlanden is gebaseerd op de inschatting waar en hoe we het meeste impact kunnen realiseren met onze ontwikkelingsmiddelen

In het voorlopige slotdocument van de conferentie vinden we dan ook onze visie over de prioriteit voor de armste landen terug. In paragraaf 52 wordt onder andere gezegd dat de ondertekenende landen ‘zich gesterkt weten door de landen die ten minste de helft van hun ODA voorzien voor de MOL’.

Staat die keuze voor de armste landen soms niet in de weg voor de eigenlijke keuze voor de armste mensen?

Alexander De Croo: Dat is nogal een scherp geformuleerde en tegelijk oneigenlijke tegenstelling. Onze keuze is gebaseerd op de inschatting waar en hoe we het meeste impact kunnen realiseren met onze ontwikkelingsmiddelen. Vandaar de keuze om vooral in te zetten in die landen waar andere donoren afwezig zijn.

In Ethiopië zijn enorme noden, maar er zijn ook veel donoren aanwezig. In Guinee daarentegen, zullen wij de enige donor zijn naast Frankrijk. En ja, er is veel armoede in de middeninkomenslanden, maar daar zijn ook veel meer financieringsbronnen of -mogelijkheden. Daar moet je dan discussiëren over de aanwending van die middelen.

Op welke termijn wilt u ervoor zorgen dat minstens de helft van de Belgische ODA naar de Minst Ontwikkelde Landen gaat?

Alexander De Croo: In principe zeker in deze regeerperiode, en liefst sneller. Maar dat hangt voor een deel ook af van de politieke situatie in Rwanda, Burundi en de DR Congo, de landen die de grootste ontvazngers van onze hulp zijn. Het bevriezen van de samenwerking met één van deze drie landen kan een grote impact hebben op onze fragiliteitsgebonden uitgaven. Ook de herschikking van de lijst met partnerlanden  vraagt extra tijd.

De VN vragen niet alleen dat er een groter aandeel van de globale ODA  naar de armste landen zou gaan, ze herhalen ook dat de rijkere landen al meermaals beloofd hebben om 0,7 procent van hun bnp aan ontwikkeling van het Zuiden te besteden. Hanteert u daarvoor een timing? Of moet die belofte niet hardgemaakt worden?

Alexander De Croo: Toch wel.Het engagement staat ook opnieuw in het regeerakkoord –al zullen we de komende jaren niet in staat zijn die doelstelling  ook te realiseren. In de voorlopige slottekst van de conferentie wordt gesproken over het realiseren van die 0,7 procent binnen de SDG-periode, met andere woorden: voor 2030.

België had al een wet die de 0,7 procent oplegde  tegen 2010. Gelooft iemand ons eigenlijk nog als we nu weer zeggen dat we die belofte zo snel mogelijk zullen realiseren?

Wat hebben de mensen op het platteland van Guinee, Burkina Faso of Mali aan digitalisering, als ze niet eens elektriciteit hebben?

Alexander De Croo: Laat ons wel wezen: we moeten ons niet schamen over onze ontwikkelingssamenwerking [die in 2014 0,45 procent van het bnp bedraagt]. Qua percentage bevinden we ons in de bovenste dertig procent van de donoren en wat de prioriteit voor MOL betreft, bevinden we ons écht in de kopgroep. En het Belgische initiatief tegen aasgierfondsen geldt internationaal als toonaangevend.

Een andere klemtoon waarmee België in Addis Abeba uitpakte, is het belang van de digitale omwenteling voor de ontwikkelingskansen van iedereen. Botst dat niet met de keuze voor de armste en fragiele staten? Wat hebben de mensen op het platteland van Guinee, Burkina Faso of Mali aan digitalisering, als ze niet eens elektriciteit hebben?

Alexander De Croo: Je kan alleen maar spreken over het financieren van ontwikkeling met belastinggeld of met privé-investeringen, als er voldoende transparantie is over wat er gebeurt en als er ook degelijke verantwoording tegenover staat. Dat hebben we heel lang moeten doen op basis van onvolledige gegevens en dus op basis van aanvoelen. De digitale revolutie maakt het opvolgen van projecten en programma’s véél beter mogelijk.

Als verantwoording zo belangrijk is, wordt daar dan ook binnen de eigen werking van de Belgische ontwikkelingssamenwerking aan gewerkt?

Alexander De Croo: We zijn daarmee bezig, ja. Samen met andere landen werken we aan een nieuwe database die de opvolging van onze projecten en programma’s makkelijker maakt, ook voor burgers. Als de overheid nu de hygiënerapporten van de horeca publiceert, waarom zouden we dat dan ook niet proberen voor ontwikkelingssamenwerking?

Als de overheid nu de hygiënerapporten van de horeca publiceert, waarom zouden we dat dan ook niet proberen voor ontwikkelingssamenwerking?

Even terug naar het terrein: wat betekent de digitale revolutie voor de ontwikkeling van bijvoorbeld Congo?

Alexander De Croo: Zodra je opteert voor een prioritaire samenwerking met fragiele staten en landen met een hoog conflictpotentieel, dan moet je de evidente risico’s op mislukking minimaliseren, onder andere door weg te blijven van enorme projecten zoals de Inga Dam in Congo.

Op de plannen ziet die waterkrachtcentrakle er fantastisch uit, maar ik geloof niet dat zulke grote investeringen en infrastructuurwerken gerealiseerd kunnen worden in een land met zoveel instabiliteit.

Daar moet je net kiezen voor kleine, lokale energieprojecten zoals micro-waterkrachtcentrales, wind en zonne-energie, geothermie… Maar een keuze voor kleinere projecten vergroot eerder dan verkleint de behoefte aan goede gegevens over successen en mislukkingen, voorwaarden en omstandigheden.

U hebt het dan eerder over de noodzaak aan bereikbare en betrouwbare gegevens, niet per se over toegang tot internet?

Alexander De Croo: Ja, omdat het zowel met de efficiëntie van onze samenwerking te maken heeft, als met het recht op informatie en vrije meningsuiting van de lokale bevolking.

Daarnaast is er wel degelijk een digitale omwenteling bezig in Afrika, maar die wordt wel gedreven vanuit zakelijk belang. Er zijn miljoenen smartphones in het continent, dankzij de commerciële opportuniteiten die bedrijven zagen en exploiteerden. Dat moeten wij met de ontwikkelingssamenwerking dus niet meer doen.

Wat wij wel kunnen doen, is het risico voor de betrokken ondernemers verkleinen, zodat het nog interessanter wordt om te investeren en te innoveren. En anderzijds kunnen we bijdragen tot een wettelijk kader dat voortdurend oog blijft hebben voor mensen onderaan de sociale ladder of in afgelegen gebieden.

Wat we niet moeten doen, is het hele risico op de rekening van ontwikkelingssamenwerking schrijven, zodat de privépartners de hele winst kunnen opstrijken.

Ontwikkelingssamenwerking als gangmaker voor privé-investeringen?

Alexander De Croo: Echt duurzame ontwikkeling maakt pas een kans als er een echt economisch weefsel ontstaat, dat welvaart produceert waar mensen beter van worden. De inbreng van ontwikkelingssamenwerking kan er in bestaan dat er werk gemaakt wordt van serieuze sociale bescherming, zodat individuen die een risico nemen in een fragiele samenleving weten dat ze opgevangen wordtenals het mislukt. Maar we kunnen ook bijdragen tot een veiligere omgevig, betere politieke dialoog, een beter fiscaal systeem, …

Wat we niet moeten doen, is het hele risico op de rekening van ontwikkelingssamenwerking schrijven, zodat de privépartners de hele winst kunnen opstrijken.

Kunt u aan de Belgische burgers uitleggen dat Belgisch belastinggeld in risicovolle landen ingezet wordt, in plaats van in stabiele of veilige democratieën?

We kunnen het ons niet veroorloven om een miljard mensen in heel slechte en uitzichtloze situaties te laten leven.

Alexander De Croo: Het belangrijkste argument daarvoor is dat we het ons niet kunnen veroorloven om een miljard mensen in heel slechte en uitzichtloze situaties te laten leven. De effecten daarvan worden nu wel heel tastbaar in onder andere extremisme en massa-migratie, die gewoon niet onder controle te brengen is door de poorten van Europa te sluiten.

De redenen om voor fragiele landen te kiezen is dus niet zo moeilijk te verantwoorden. Maar het resultaat van die inspanningen kan altijd tegenvallen, zeker in zulke moeilijke omstandigheden. Maar ik vind mislukken minder erg dan falen zonder er lessen uit te trekken.

Er werd in Addis Abeba veel gesproken over het belang van performante en transparante belastingsystemen om de eigen ontwikkeling van landen te financieren. Zet België daar ook op in?

Alexander De Croo: We werken samen met een tak van het IMF die heel veel ervaring heeft met het opzetten van goede belstingsystemen. We hebben in Burundi een programma gesteund om de capaciteit van de belastingdiensten te versterken. We vinden het heel belangrijk dat er belastingsystemen opgezet worden  waardoor iedereen een faire bijdrage betaalt, maar die er ook voor zorgen dat economische vooruitgang mogelijk gemaakt wordt.

Moeten ontwikkelingsinterventies wel belastingvrij blijven?

In dat verband wil ik graag het debat aangaan over de vraag of ontwikkelingsinterventies wel belastingvrij moeten blijven -zoals dat nu meestal het geval is. Ik ben eigenlijk voorstander om dat uitzonderingsregime af te bouwen en zo op twee manieren bij te dragen aan de ontwikkeling van een land: door het concrete programma en door de belastingbijdrage die de regering in staat stelt eigen keuzes te maken en te realiseren.

België is wel geen voorstander van het voorstel om een VN-orgaan tegen internationale belastingontduiking of -vermijding op te richten.

Alexander De Croo: Omdat er al heel wat andere platformen zijn waar men met die materie goed bezig is. En wij denken dat de VN eerder met een paar organisaties minder kan functioneren dan er nog een bij te creëren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur