Helden: journalisten die blijven waar anderen gaan lopen

Interview

Helden: journalisten die blijven waar anderen gaan lopen

 Helden: journalisten die blijven waar anderen gaan lopen
 Helden: journalisten die blijven waar anderen gaan lopen

Lennart Hofman

02 november 2016

Voor de internationale dag tegen straffeloosheid van misdaden tegen journalisten (2 november), sprak Lennart Hofman drie journalisten in Jemen, Pakistan en Nigeria over hun onmisbare maar gevaarlijke beroep. ‘Soms huil ik van frustratie of eenzaamheid, maar ik aanvaard het en zet door. Het is mijn werk.’

Stel je voor: je woont in een stad die dag en nacht wordt gebombardeerd. Samen met een aantal stadsgenoten ben je al meermaals aan de dood ontsnapt, maar alleen jij kan met de buitenwereld bellen om te vertellen wat er gaande is.

Op een dag krijg je de kans om te vluchten. Wat doe je? Blijf je? Of kies je voor je eigen veiligheid en vertrek je?

Op een dag krijg je de kans om te vluchten. Maar daarmee valt ook het laatste contact tussen de stad en de buitenwereld weg.

Wat doe je? Blijf je om de verschrikkingen bekend te maken met de buitenwereld? Of kies je voor je eigen veiligheid en vertrek je?

Met deze vraag worstelt Mohammed al-Qadhi iedere dag. Hij is een van de laatste journalisten in de zwaar belegerde Jemenitische stad Taiz, waar hij verslag uitbrengt voor onder andere de Arabische televisiezender Sky News Arabia.

Tijdens ons telefoongesprek schetst hij een ontluisterend beeld van de stad. Alles is verwoest, mensen verhongeren en er heerst een schrijnend gebrek aan alles.

Hijzelf werd een tijd gegijzeld en door beide strijdende partijen aangevallen en bedreigd.

‘Taiz is mijn thuisstad. Ik ken de mensen en heb voldoende goede contacten om enigszins mijn werk te kunnen doen. Daarom blijf ik ook. Ik ben de enige die dit werk hier kan doen. Ik moet de wereld vertellen wat hier gebeurt’, verklaart al-Qadhi.

© Mohammed al-Qadhi

Mohammed al-Qadhi

© Mohammed al-Qadhi​

Roeping en plicht

Journalisten van zijn slag geven een dergelijk antwoord wel vaker. Ze zien het als hun journalistieke plicht om de wereld te laten weten wat er gaande is. Al-Qadhi noemt het zelfs een roeping, die vastberadenheid en een soort ethische professionele toewijding vereist.

Zijn angsten overstijgt hij door de hoop dat de beelden die hij de wereld instuurt zullen bijdragen om een oplossing af te dwingen, zegt hij.

Of dat werkelijk zo is blijft natuurlijk altijd de vraag -zelf twijfelt hij daar ook aan. Toch is het duidelijk dat de beelden van journalisten zoals al-Qadhi steeds belangrijker zijn omdat ze onbekende conflicten onder de aandacht te brengen van een wereldwijd publiek.

Want waar het voor buitenlandse journalisten vaak al snel te gevaarlijk is om hun werk goed te doen, lukt het lokale journalisten door hun achtergrond en netwerk vaak wel om misstanden in eigen land bekend te maken.

De beelden van journalisten zoals al-Qadhi steeds belangrijker zijn en onbekende conflicten onder de aandacht te brengen van een wereldwijd publiek.

Regelmatig verschijnen op mijn Twitterfeed dan ook beelden van Indonesische politieagenten die activisten uit West-Papoea slaan; van anti-regeringsdemonstraties in de Ethiopische Oromiya-regio; of van luchtaanvallen op burgers in de Soedanese Noeba bergen.

Soms gaat het om lokale activisten die deze berichten delen, maar vaak zijn het lokale journalisten -of een combinatie van beide- die de beelden maken en verspreiden.

Hun informatie bereikt talloze landgenoten en collega journalisten buiten de grenzen, maar bepaalt vooral steeds meer het nieuws dat wij in het Westen consumeren.

Deze berichtgeving is vaak ook de aanleiding voor buitenlandse journalisten om zelf af te reizen naar een brandhaard om verder te onderzoeken wat er precies aan de hand is.

Maar waar veel buitenlandse journalisten worden beschermd door hun paspoort en terug naar huis kunnen keren, staan lokale journalisten er vaak alleen voor. Ze betalen daar een hoge prijs voor.

Van de ruim 827 journalisten die de afgelopen tien jaar werden vermoord, waren 95% lokale journalisten, blijkt uit een nieuw UNESCO rapport over de veiligheid van journalisten, waarvan de hoofdpunten vandaag bekend worden gemaakt.

© Dailymotion

Hamid Mir

© Dailymotion​

‘Je moet dapper zijn’

De Pakistaanse Hamid Mir (50 jaar) werd gegijzeld door zowel de Taliban als de Pakistaanse geheime dienst. Toen hij in 2014 voor de tweede keer een moordaanslag overleefde, smeekte zijn familie hem om het land te ontvluchten.

Maar toen duizenden collega’s en bezorgde Pakistanen de straat opgingen om hem te steunen, besefte hij dat hij zijn baan niet zomaar kon opgeven en zijn land niet mocht verlaten.

‘Als ik mijn land verlaat zullen honderden jonge journalisten ontmoedigd raken en het vak ook verlaten. Dan houdt alles op,’ zegt hij tijdens een telefoongesprek.

‘Een vrije pers is de oplossing voor zowat alle problemen in het land. Als de media vrij zijn, overleeft de democratie en Pakistan zelf.’

Mir is een grootheid in Pakistan. Hij heeft miljoenen volgers en presenteert de veelbekeken talkshow, Capital Talk.

Tijdens zijn loopbaan interviewde hij personen als Nelson Mandela, Hillary Clinton, Osama Bin Laden, Yasser Arafat en Tony Blair.

Toch biedt zijn status hem geen bescherming. Vanuit een onderduikadres blijft hij zich inzetten voor een vrije pers.

‘Een vrije pers is de oplossing voor zowat alle problemen in het land,’ zegt hij. ‘Als de media vrij zijn, zal de democratie overleven. Als de democratie overleeft, dan zal Pakistan overleven. Het is een strijd die journalisten iedere dag voeren.’

Mir deed uitgebreid verslag van lokale terroristische netwerken en corruptie binnen politieke partijen. Hij haalt geregeld hard uit naar religieuze extremisten, en hekelt openlijk misstanden binnen het leger. Ook uitte hij felle kritiek op Amerikaanse drone-aanvallen.

Twijfels en schuldgevoel

Wanneer er weer een collega wordt vermoord die hij kort daarvoor nog had aangemoedigd te blijven doorzetten, dan voelt hij zich schuldig dat hij die niet heeft kunnen beschermen.

Kortgeleden vroeg een student hem nog of het de moeite wel waard is om over controversiële onderwerpen te blijven schrijven, zoals eerwraak, waar zware straffen op staan.

Mir antwoordde dat het de taak van iedere journalist is om mensenrechtenschendingen bekend te maken.

Maar de student was niet overtuigd, en beklaagde zich over het zwakke rechtssysteem in Pakistan, de vele onopgeloste moorden op Mir’s collega’s en de aanslagen die hemzelf overkwamen. Was het dit allemaal echt waard?

‘Gevaar voor eigen leven erbij nemen, is de plicht van iedere journalist. Iedere grote journalist neemt risico’s, dat is de schoonheid van het vak.’

Mir antwoordde uiteindelijk: ‘Als je bereid bent je leven op het spel te zetten, word dan journalist. Als je niet bereid bent dit te doen, dan moet je geen journalist worden.

Gevaar voor eigen leven erbij nemen, is de plicht van iedere journalist. Iedere grote journalist neemt risico’s, dat is de schoonheid van het vak.’

Hij is even stil, en bekent dan dat hij steeds meer moeite heeft om zichzelf hiervan te overtuigen. Soms geeft hij zijn strijd zelfs op, zoals toen hij de dood van collega-journalist Hayatullah Khan* onderzocht.

‘We probeerden de zaak te volgen en wilden dat de schutters zouden worden berecht. Maar ze werden niet gearresteerd. Zijn vrouw die de zaak volgde, werd ook gedood. Toen volgde zijn jongere broer de zaak met ons, maar hij werd ook gedood.

Toen besloten we de zaak niet meer te volgen. De zaak is nooit opgelost’, aldus Mir.

Straffeloosheid

Sinds de moord op Khan is de veiligheid van journalisten in Pakistan en de rest van de wereld niet veel verbeterd. 2015 was met 115 moorden zelfs het op één na dodelijkste jaar voor journalisten ooit, schrijft UNESCO.

Syrië voert de lijst aan met 13 doden, daarna volgen Irak (10), Frankrijk (8) en Jemen (8).

47 procent van de journalisten zijn slachtoffer van moord in landen waar helemaal geen oorlog is.

Hoewel de risico’s van oorlogsjournalistiek vaak worden genoemd, valt 47 procent van de slachtoffers in landen waar helemaal geen oorlog is.

Bijvoorbeeld in Latijns-Amerika en de Cariben zijn 25 journalisten vermoord, ofwel 22 procent van het totaal.

Dit waren allen journalisten die schreven over onderwerpen als corruptie, criminaliteit, politiek of mensenrechtenschendingen.

De kans dat iemand ooit opdraait voor die misdaden is klein. Tussen 2006 en 2015 werd wereldwijd in 92 procent van de gevallen niemand berecht. Bovenaan die lijst staat Somalië, gevolgd door Irak, Syrië en de Filipijnen.

Toen een journalist afgelopen augustus aan de Filipijnse president Rodrigo Duterte vroeg wat hij aan de moordcijfers dacht te doen, antwoordde de president: ‘journalisten moeten niet denken dat ze gevrijwaard zijn van moord als ze klootzakken zijn.’

Samenwerken op internationaal niveau

© Linkedin/Idris Akinbajo

Idris Akinbajo

© Linkedin/Idris Akinbajo​

Toch zijn er ook positieve ontwikkelingen. Dankzij moderne communicatiemiddelen neemt bijvoorbeeld de slagkracht van (burger)journalisten toe.

De nieuwe cijfers van UNESCO tonen een sterke piek in het aantal gedode bloggers en burgerjournalisten en lijkt eerder een bevestiging van hun kracht, dan een teken van hun ondergang.

De mogelijkheden die moderne technologie bieden hebben opbeurend effect op de jonge onderzoeksjournalist Idris Akinbajo uit Nigeria. Akinbajo werkt voor Premium Times, een journalistiek onderzoeksbureau dat regelmatig samenwerkt met buitenlandse journalisten.

‘De afgelopen jaren slagen we er steeds vaker in om informatie te onthullen en dus neemt onze slagkracht toe’

Idris Akinbajo ontving verschillende internationale prijzen voor zijn reportages over corruptie en fraude.

‘De afgelopen jaren slagen we er steeds vaker in om informatie te onthullen en dus neemt onze slagkracht toe,’ zegt hij.

‘Daardoor beseffen mensen steeds beter waarmee we bezig zijn en dat wij een belangrijke bijdrage leveren voor de vooruitgang van het land.’

Nigeria was tot 2007 een militaire dictatuur, maar maakt sindsdien een ontwikkeling door waardoor het makkelijker werken is voor ons, vertelt Akinbajo. En hoewel het land nog steeds gevaarlijk is voor journalisten, ziet hij de toekomst hoopvol tegemoet.

Dat komt voornamelijk door de kansen die samenwerking met buitenlandse journalisten bieden, zegt hij. Dankzij het internet gaat het leggen van contacten steeds makkelijker, en daar maakt hij gretig gebruik van.

Zo schreef hij vorig jaar met de Nederlandse journaliste Sanne Terlingen over betrokkenheid van Shell bij witwaspraktijken in Nigeria en is hij op dit moment samen met een groep Europese journalisten bezig aan een verhaal over het dumpen van elektronisch afval in zijn land.

‘Ik ken de mensen hier, weet hoe je informatie verkrijgt over heikele onderwerpen en wat er speelt.

Buitenlandse journalisten hoeven dat niet meer allemaal zelf uit te zoeken. Ze kunnen beter dingen uitzoeken die ik vanuit hier niet kan. Dat maakt ons beiden sterker en komt de verhalen die we schrijven ten goede’, verklaart Akinbajo.

‘De Panama-papers zijn een goed voorbeeld. Daar werkten journalisten van over de hele wereld succesvol samen. Dat is de toekomst. Waarom zou je nog een vliegticket kopen terwijl je ook kan samenwerken met een betrouwbare en bevlogen Nigeriaanse journalist?’, lacht hij

Frustratie, eenzaamheid en trots

Voor Al-Qadhi in Jemen blijft communiceren met de buitenwereld voorlopig een grote zorg. Het versturen van een e-mail is bijna net zo lastig als het lanceren van een raket, zegt hij over de krakerige verbinding.

‘Soms droom ik ervan te stoppen en terug te keren naar mijn gezin. Ik mis hen en voel me schuldig dat ik ze meesleep in iets waar ze niet zelf voor hebben gekozen’, verzucht Al-Qadhi.

‘Soms moet ik huilen van frustratie of eenzaamheid, maar ik probeer het te accepteren en door te gaan. Het is mijn werk.’

‘Er zijn slechts een paar mensen die voor deze baan hebben gekozen. Zij moeten dit doen. Ik heb veel geleden en de dood verschillende keren in de ogen gekeken, maar het is de moeite waard. Dit is erg belangrijk voor mij. Ik ben trots op mijn werk.’

*Op vijf december 2005 werd Khan ontvoerd door gewapende mannen. Dit gebeurde een dag nadat hij foto’s publiceerde van de wat wellicht brokstukken waren van Amerikaanse drone-aanval was. Half 2006 werd Khan dood teruggevonden.

Vermoedelijk zit de Pakistaanse geheime dienst erachter. Zij verspreidde tegengestelde berichten over het lot van Khan. Bovendien zouden de handboeien die op Khans lichaam teruggevonden zijn, ook gebruikt worden door de geheime dienst.

Een onderzoek naar de verdwijning is nooit bekend gemaakt.