‘Dit landbouwmodel moet stoppen’

Het naoorlogse landbouwmodel, gebaseerd op de wonderen van de kunstmest, is er een van grenzeloze intensivering en schaalvergroting. Hoe kon zo’n tunnelvisie zich zo dominant opdringen, vraagt Joost Visser zich af. Het is tijd om deze leugen te doorprikken en de landbouw terug met de voeten op de grond te brengen, vindt de Nederlandse onderzoeker. 

Down to Earth, dat is de titel van het doctoraat waarmee Joost Visser vijf jaar geleden, na een lange onderzoekscarrière, promoveerde. Hij deed dat bij de befaamde Nederlandse landbouw-socioloog Jan Douwe van der Ploeg en de heterodoxe econoom en filosoof Bob Goudzwaard.

De tank van een sproeiwagen wordt gevuld met een giftige onkruidverdelger van Monsanto.

Hoe is het mogelijk geweest dat wij vanuit zo’n tunnelvisie een landbouwsysteem hebben uitgebouwd dat zo dominant is geworden?

Dat is de vraag die Visser in zijn doctoraal proefschrift onderzocht. Het is hoog tijd om heldere taal te spreken, dit tunnelbestaan te verlaten en de landbouw weer te brengen waar hij hoort: bij de lokale boer en bodem, vindt Visser.

Visser begon zijn loopbaan als scheikundige, studeerde daarbij onder meer geschiedenis van de natuurwetenschappen en filosofie van de techniek.  Hij verdiepte zich in de bodemkunde en milieutechnologie en begon vanaf de eeuwwisseling zijn tijd te besteden aan de evaluatie van de naoorlogse landbouw. Nu zaterdag 5 september is Visser gastspreker is op het Fair Festival in Gent, op het event «Voedsel in goede handen. De commons als toekomstperspectief voor ons voedselsysteem», georganiseerd door Oikos en Terra Reversa.

Hadden we de twee wereldoorlogen niet gehad, dan hadden we wellicht een heel ander landbouwsysteem gekend. Mag ik dat zo stellen, op basis van uw historische zoektocht ?

Joost Visser: De kern gaat inderdaad terug tot de Eerste Wereldoorlog. Je krijgt daar al een koppeling van de grootindustrie met de totale oorlog, niet alleen in Duitsland maar ook elders. De economie wordt geheel in dienst van de oorlogsvoering gesteld waardoor bepaalde industrieën enorm groeien, terwijl andere bedrijfstakken gemarginaliseerd geraken. Dat heeft niets met de natuurlijke groei te maken maar alles met de oorlogseconomie. Die grote industrieën ontwikkelen zich verder in heel nauwe samenhang met de centrale overheid. Nadien is men dit het militair-industrieel complex gaan noemen. 

De grootindustrie vestigt haar machtspositie door heel dicht aan te leunen bij de centrale overheid en weet de financiering en regelgeving helemaal naar zich toe te halen.

Men stelt het voor als een natuurlijke ontwikkeling, maar dat is niet zo. Het is een proces dat door de twee wereldoorlogen heel sterk gestuurd en bepaald is. Voor Wereldoorlog II nam de grootindustrie in de VS misschien 30 procent van de productie voor zijn rekening, aan het einde van Wereldoorlog II was dat 70 procent, dat is een enorme sprong. De bedrijven uit die grootindustrie vestigen hun machtspositie door heel dicht aan te leunen bij de centrale overheid en weten de financiering en regelgeving helemaal naar zich toe te halen. Dat is bijna geruisloos gebeurd maar wel heel bewust. De Ford-company heeft zo enorme winsten gemaakt in WOI, maar ook andere grote bedrijven.

Is de sprong niet al te groot van die oorlogs- en chemische industrie naar de voedselindustrie?

Dr. Joost Visser

Joost Visser: Het botanisch-biologische onderzoek en de landbouwkunde had tot Wereldoorlog I een prominente plaats in de onderzoekswereld maar de Eerste Wereldoorlog heeft dit op slag veranderd. Dat kwam onder meer door de verarming van de gegoede burgerij en het terugvallen van middelen voor het publiek landbouwkundig onderzoek. De leiding werd overgenomen door onderzoek dat heel sterk ging aanleunen bij de industrie. De financiering voor het landbouwkundig onderzoek kwam vanaf nu ook voor een groot deel van de plotseling zo machtig geworden explosieven- alias kunstmest-industrie.

De financiering voor het landbouwkundig onderzoek kwam vanaf nu van de plotseling zo machtig geworden explosieven- alias kunstmest-industrie.

Toch is dat maar één aspect van de zaak. Vergelijk je de kaart van Europa van 1914 met die van 1920 dan zie je vooral in Centraal en Oost -Europa enorme veranderingen. Duitsland werd een stuk kleiner, de leidende plantenfysioloog Jost bijvoorbeeld raakte zowel zijn instituut als zijn betrekking kwijt toen Straatsburg bij Frankrijk kwam. Oostenrijk-Hongarije werd totaal opgedeeld en de nieuw ontstane landen waren alle sterk gehavend en werden geconfronteerd met haast onoplosbare problemen.

De institutionele en financiële basis voor het onderzoek van voorheen verdween in grote mate. Het Duits raakte plotseling zijn leidende positie als wetenschappelijke taal kwijt en uitsluiting van Duitse onderzoekers uit internationale contacten maakte het nog eens zo erg.  Vooral de Fransen waren hierin jaren lang heel fel.  De overdracht van de klassieke landbouw-gerelateerde literatuur (veruit ’t meeste in het Duits) naar de jongere generatie werd uitermate problematisch.

Helemaal triest waren de enorme verliezen van deskundige onderzoekers die ofwel bezweken aan de gevolgen van de oorlog, ofwel overleden aan de “Spaanse griep” die een immens aantal slachtoffers eiste, met name in de leeftijdscategorie van 15 tot 35 jaar.

Na de Eerste Wereldoorlog bleef Europa dus met de brokken zitten ook op wetenschappelijk terrein. De plotselinge machtspositie van de grote industrieën die hun groei te danken hadden aan de totale oorlogseconomie, deed de aandacht  verschuiven van biologische en landbouwkundige naar industrie-gerelateerde disciplines.

De technocratie was de enig overgebleven “politiek correcte” optie.

Tegelijk hoorde je in toenemende mate dat de landbouw “achtergebleven” was, vergeleken met de industrie. Dat proces herhaalde zich nog eens in de Tweede Wereldoorlog. Nagenoeg overal werd het officiële landbouwbeleid gekenmerkt door de toepassing van fabrieksmethoden om de productie te verhogen. Er was geen aandacht meer voor het eigene van landbouw en plantaardige productie. De technocratie was de enig overgebleven “politiek correcte” optie.

Maar je kunt regenwormen – of bodem-microben – jouw bevelen niet opleggen. We weten bovendien heel, heel weinig van het bodemleven en dat geldt eigenlijk zelfs van organisch-chemische processen in de bodem. Ze toch met onze kunstmest, bestrijdingsmiddelen en machines te lijf gaan, betekent om moeilijkheden vragen. En die zijn er dan nu ook te over.

Soil Science/Flickr (CC by 2.0)
‘Organisch-chemische processen in de bodem met kunstmest, bestrijdingsmiddelen en machines te lijf gaan, betekent om moeilijkheden vragen.’
Soil Science/Flickr (CC by 2.0)

Ging iedereen daar zomaar in mee?

Joost Visser: Er zijn nadrukkelijk andere stemmen geweest. Een van de belangrijkste was de Finse biochemicus Artturi Virtanen, de grote man van de biologische stokstofvastlegging in de landbouw. Hij kreeg voor zijn werk in 1945 de Nobelprijs. Hij benadrukte dat intensivering van voedselproductie mogelijk was door intensivering van de biologische stikstofvastlegging, de kunstmest was hierbij niet nodig. Zijn internationaal leidende positie was voor iedereen bekend maar toch ging men aan hem en aan andere onderzoekers van zijn niveau volledig voorbij. Dat maakt de slogan “dankzij de kunstmest kunnen we de wereldbevolking voeden” wel heel wrang.

De slogan “dankzij de kunstmest kunnen we de wereldbevolking voeden” klinkt vandaag heel wrang.

Kritische stemmen als de zijne werden doodgezwegen of ook wel grof ontkend. De landbouw moest en zou centraal te ontwerpen en centraal te beheersen zijn. De ideologie van de technocratie overheerste. Vruchtwisseling met stikstofbinders en aandacht voor voorziening met bedrijfseigen organische stof vielen uit de gratie. Ze  lieten immers slechts heel beperkt een aanpak van opschalen toe en vereisten deskundige zorgarbeid door de lokale boer.

Het onderzoek werd in specialistische stukjes opgedeeld en iedere onderzoeker kreeg precies te horen wat hij moest doen. Generaties onderzoekers zijn op dit voorgeschreven spoor doorgegaan, overtuigd dat het doel was “nooit meer honger” - totdat het ecologisch en sociaal faillissement zich aankondigde.

Dit beleid had wel een impact die verder ging dan de landbouw, denk aan verstedelijking en plattelandsvlucht – naar onbewoonbare megasteden.

Joost Visser: Het beleid werd (en wordt) inderdaad ad absurdum doorgevoerd. Het resultaat is steden die onleefbaar worden - met heat islands bijvoorbeeld, opmerkelijk warme zones in steden, veroorzaakt door menselijke activiteiten– en die uiterst kwetsbaar zijn:  – denk aan de afhankelijkheid van voedseltoevoer over grote afstand. Je ziet gelukkig tegenbewegingen: mensen die terugkeren naar het land, vergroening vanuit het onderwijs, stadslandbouw . Maar het beleid speelt daar vooralsnog zelden positief op in.

Ziet u de laatste jaren barsten komen in het technocratische denken?

Het resultaat van dit beleid “ad absurdum” is steden die onleefbaar en uiterst kwetsbaar zijn. 

Joost Visser: Toch wel. Het technocratisch beleid botst met de fysieke en sociale werkelijkheid en dus gaan de barsten steeds meer opvallen. Je stelt dat uiteraard het eerst vast bij mensen die niet in het systeem gevangen zitten. Onderzoekers naar plantenvoeding in natuurlijke ecosystemen bijvoorbeeld ontdekten vandaag opnieuw dat planten ook organische nutriënten opnemen, niet alleen minerale, door de kunstmestindustrie geleverde nutriënten. In een gezaghebbend overzichtsartikel uit 1999 kondigden zij de paradigma-wijziging aan in de leer van de plantenvoeding: de verschuiving van de kunstmest naar de bodem en zijn organische stof. De onderzoekers van dit artikel zijn namelijk niet onderworpen aan het landbouwbeleid en kunnen dus vrijuit spreken.

Er zijn nog heel wat meer onderzoekers die de enorme problemen aanwijzen van de averechtse consequenties van het kunstmestgebruik. Denk aan zuurstofloze zones in de Golf van Mexico, aan toxinen in oppervlakte- en drinkwater, aan versnelde teloorgang van koraalriffen, aan sterfte onder amfibiën en bijen, aan verlies van structuur en infiltratie-capaciteit van de bodem. Op de maïsakkers blijft na het maaien het water opstaan, de infiltratiecapaciteit van de bodem is helemaal kapot gemaakt. 

Net opkomende maïs. Moderne landbouwmethodes vernielen de bodem 

John Lillis/Flickr (CC by-nnd 2.0)

Ziet u vandaag boeren die het anders aanpakken? U spreekt ook over een nieuwe plattelands-boerencultuur, een “new peasantry”.

Op de maïsakkers is de infiltratiecapaciteit van de bodem helemaal kapot gemaakt. 

Joost Visser: Gelukkig wel, maar tot nu toe meer buiten het Westen dan in het Westen. Hier moet eerst het neoliberale model worden doorbroken want dat doet enorme schade. In Nederland is bijvoorbeeld de Voedsel- en Waren Autoriteit (het keuringsagentschap) sinds 2003 geen zelfstandig agentschap meer, maar de facto onder regie van de voedingsmiddelenindustrie gebracht. De betrokken inspecteurs vinden dat een aanfluiting maar zij kunnen niets doen, het is van bovenaf geregeld, zelfs buiten de volksvertegenwoordiging om. Op het niveau waarop dat is bekonkeld heerst puur cynisme, daar kun je niets mee.

Kleinschalige landbouw vraagt zorgarbeid van de boer

Autan/Flickr (CC by-nc-nd 2.0)

De Voedsel- en Waren Autoriteit in Nederland is volledig onder regie van de voedingsindustrie gebracht. 

Maar op voorwaarde dat zulke lui de wacht wordt aangezegd, zie ik allerlei positieve mogelijkheden. Het model van een gemengd bedrijf, relatieve kleinschaligheid en vruchtwisseling met stikstofbinders bijvoorbeeld: er zijn nooit geldige redenen geweest om van dit model af te stappen.

Het is toch gebeurd, vanuit het blinde maakbaarheidsgeloof van de jaren 60 en 70. Wat niet technisch was, was eigenlijk verdacht. De technocratie was een breed gedragen ideologie!

De verantwoordelijkheid van de wetenschap is dan toch groot?

Joost Visser: In onderzoek en onderwijs heeft de a-historische presentatie hier veel kwaad gedaan. Leerling en student kregen allerlei schema’s ingehamerd alsof het de waarheid was. “Planten gebruiken alleen minerale nutriënten” was er zo éen, waardoor het logisch leek dat de kunstmestindustrie de plantenvoeding zou verzorgen. De student kreeg te horen dat Liebig andere theorieën had weerlegd – en daar moest hij het mee doen. We hebben op dit terrein haast een eeuw zonder geschiedenis geleefd en waren juist daardoor zo manipuleerbaar.

We hebben haast een eeuw zonder geschiedenis over deze materie geleefd, en waren daarom zo manipuleerbaar. 

Nu die geschiedenis weer boven water aan het komen is, beginnen we ook te beseffen hoe groot de oogkleppen waren die we ophadden. Die kunnen nu afvallen, zodat we opnieuw kunnen zien wat de mogelijkheden zijn.

U spreekt ook over “landbouwdemocratie” (agrarian democracy). Wat is dat precies?

Joost Visser: Dat concept hangt samen met het gegeven dat bepaalde processen op het lokale niveau moeten plaats vinden, waarbij de boer weer centraal staat. De premisses van het beheren vanop afstand slaan nergens op. Historisch is dit tot op zekere hoogte te begrijpen maar we moeten er vandaag meteen mee stoppen en ruimte maken voor de “new peasantry”.

Is het niet te laat om het roer om te gooien?

Joost Visser: Helemaal niet. In Nederland zit je met opgedreven grondprijzen. Er valt heel wat te doorbreken, het is net zo’n luchtballon als de huizenprijzen van een aantal jaren geleden- maar dan nog een graad erger. Het zal zeker ook niet eenvoudig zijn maar laat ons beginnen met duidelijke taal te spreken en het huidige systeem een halt toe te roepen.

MAGIS 2012/Flickr (CC by-sa 2.0)
Landbouw met respect voor de bodem
MAGIS 2012/Flickr (CC by-sa 2.0)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.