Drie clichés over Afrikaanse kunst ontmaskerd

Hij studeerde kunstgeschiedenis, is afkomstig uit Frankrijk en heeft de zorg voor maar liefst 150.000 oude etnografische voorwerpen uit Afrika en Oceanië. ‘Sommige stukken zijn ooit voor 100 frank gekocht en zijn vandaag ruim honderdduizenden euro’s waard’.

  • © KMMA De Kakuungu is een indrukwekkend reuzemasker dat de besneden jongens moest beschermen. Deze is echter 'toeristische kunst'. © KMMA
  • © KMMA Het valt op dat expliciet seksuele maskers opvallend afwezig zijn in de Jezuïetencollectie. Een uitzondering is dit masker dat gedragen werd bij de terugkeer van de besneden jongens in het dorp. © KMMA
  • © KMMA Dit initiatiemasker heeft een Europese kom op het hoofd. Vergelijk met de Chinese vazen die menig huiskamer in Vlaanderen sierde. Dat was ook puur exotisme. © KMMA

Dr. Julien Volper beheert samen met Belgische collega’s de volledige Congo-collectie van het Afrikamuseum in Tervuren, één van de rijkste ter wereld.

Sinds de oprichting van het Afrikamuseum in 1910 begonnen Franstalige en Nederlandstalige Jezuïeten, die al sinds de zestiende eeuw actief waren op Kongo grondgebied, artefacten te schenken of te verkopen aan het Museum.

De zogenaamde Sociëteit van Jezus richtte in 1920 ook een eigen missiemuseum op, in Heverlee. Het museum stond de laatste jaren echter te vervallen en in 1998 werd de gehele collectie in beheer gegeven aan het KMMA (Koninklijk Museum voor Midden-Afrika).

Een aantal topwerken uit die ongeveer 4000 stukken tellende Jezuïetencollectie is nu te zien in het BELvue-museum, vlak naast het Koninklijk Paleis in Brussel.

Naar aanleiding van de tentoonstelling, getiteld ‘Reuzemaskers uit Congo’, leidde curator Julien Volper MO* rond langs de oude maskers en ontkrachtte gelijk drie huizenhoge clichés over Afrikaanse kunst.

Cliché 1 “Afrikaanse kunst is gestolen door kolonialen”

© KMMA

Julien Volper: Ik heb deze expo gecureerd en ik kan u zeggen dat de meeste artefacten nooit gestolen zijn, maar gekocht of geruild tegen geschenken. Toen Congo nog een kolonie was, kreeg het museum van Tervuren stukken aangeboden van duizenden verschillende donateurs. Koloniale ambtenaren, ingenieurs, mechaniekers, en ook kloosterorden gaven of verkochten stukken die ze konden vinden.

‘De meeste artefacten zijn nooit gestolen, maar gekocht of geruild tegen geschenken.’

Soms werden “afgodsbeelden” wel ‘s vernietigd – zeker door protestantse missionarissen – en zonder twijfel hebben religieuze ordes ook stukken in andere omstandigheden verworven. Zo zijn er in BELvue enkele zeldzame Njinda-beelden te zien. Die werden gebruikt door geheime Pende-broederschappen die zich eind jaren twintig, begin jaren dertig tegen de Belgische kolonisator begonnen te roeren.

Tijdens de opstand van 1931 werden deze sculpturen oorlogsfetisjen die hen moesten sterken in de strijd tegen de Europeanen. De geheime genootschappen werden bestreden en hun objecten in beslag genomen. Het was de kolonialen dus veeleer om de rebellen te doen, dan om hun fetisjen.

Maar sommige priesters hoedden zich ervoor om de Congolezen te dwingen hun fetisjen af te geven. Ze wilden vooral vertrouwen opbouwen. De meeste artefacten in deze tentoonstelling zijn gekregen of gekocht, zelfs vaak op bestelling van het Afrikamuseum dat bijvoorbeeld op zoek was naar muziekinstrumenten of een bepaald soort masker.

De Jezuïeten speelden een sleutelrol. Anders dan India werd Afrika beschouwd als een primitief continent, maar een aantal ‘verlichte’ Jezuïeten vergaarden niettemin erg waardevolle kennis en objecten in hun missiepost. Sommigen, zoals Léon de Sousberghe (1903-2006) of Léon De Beir (1903-1983), groeiden zelfs uit tot volwaardige antropologen.

De lokale beeldhouwers in Congo zagen ook brood in de kunsthandel. Er werd zelfs toeristische kunst avant la lettre gemaakt. Eén van de laatste reuzemaskers dat door Jezuïeten aangekocht is voor het Museum, bijvoorbeeld, vertoont een atypisch kleurenpatroon en er zitten ook geen gaten ter hoogte van de oogkassen.

Dit Kakungu-masker kan met andere woorden niet echt gedragen worden. We vermoeden dus dat het nooit echt gediend heeft bij initiatierituelen, maar op maat werd gemaakt voor het museum. Dit object illustreert hoe de groeiende interesse van Europeanen voor Congolese objecten lokale beeldhouwers aanzette om toeristische kunst te gaan maken.

Cliché 2 “Afrikaanse maskers zijn vandaag veel geld waard”

© KMMA

Julien Volper: Het klopt dat sommige topstukken in het Belvue-museum op de kunstmarkt honderdduizenden euro’s waard zijn. Het klopt ook dat die stukken in de jaren twintig en dertig zijn gekocht voor soms niet meer dan 100 frank.

‘Het is niet zo dat de missionarissen winst wilden maken.’

Je kan de prijzen op de kunstmarkt echter niet vergelijken met de toenmalige waarde van een object, dat soms tegen symbolische consumpiegoederen is geruild. Sommige, zoals de Kholuka-maskers en Kikaku-panelen, werden ook traditiegetrouw vernietigd na gebruik en konden door de missionarissen dus makkelijk gerecupereerd worden.

Het is ook niet zo dat de missionarissen winst wilden maken. Bepaalde objecten moesten te voet door dragers werden getransporteerd, een tocht van soms weken lang. In de tentoonstelling zijn bijvoorbeeld brieven te zien, waarin een Jezuïet het museum aanmaant om tussenbeide te komen voor het transport.

Soms leidde de handel in objecten wel tot problemen, zoals toen pater Ivan de Pierpont enkele powerobjects van een bekeerde chef uit Zimba had geruild tegen een beeldje van het Heilig Hart. Dat gebeurde in februari 1916.

Nog geen maand na de ruil overleed de chef aan een mysterieuze ziekte. Iedereen was ervan overtuigd dat hij zonder de bescherming van zijn beelden verzwakt was. Na dat incident werd het heel moeilijk om in die regio nog dergelijke charmes cheffaux te kopen, want alle andere leiders hoorden van het onheil dat de man was overkomen.

Cliché 3“Afrikaanse kunst moet teruggeven worden aan Afrika”

© KMMA

Julien Volper: Ik word soms boos van dergelijke uitspraken. Sinds de markt van Afrikaanse kunst boomt, krijgen we bij het museum meer vragen dan vroeger omtrent restitutie van kunstwerken.

Soms gebeurt het dat een erfgenaam erop uitkomt dat familiebezit in onze handen is terechtgekomen en vraagt hij de teruggave daarvan. Niet zelden verhullen sentimentele of culturele redenen zuiver financiële motieven.

Zo antwoordde ik een vraagsteller dat zijn vraag wellicht sloeg op enkele menselijke schedels die zich in het museum bevonden. Nooit heb ik nog iets van die man gehoord.

‘De landen van herkomst hebben niet altijd de middelen, noch de wil om dezelfde zorg aan de dag te leggen.’

Bovendien laat men uitschijnen dat wij met onze collecties op een bom geld zitten, zonder iets uit te voeren. Dat klopt natuurlijk niet.

Al die jaren hebben wij met veel mankracht de stukken bewaard, gerepertorieerd, gerestaureerd, gedigitaliseerd en online opengesteld, ook aan Congolese onderzoekers die in Tervuren opzoekingen komen doen. Bovendien zijn wij een federale instelling en mogen wij van de wetgever niets uit onze collecties verkopen.

Helaas hebben de landen van herkomst niet altijd de middelen, noch de wil om dezelfde zorg aan de dag te leggen. Veel van de stukken die ooit teruggeven zijn onder president Mobutu zijn intussen spoorloos verdwenen.

Zolang Congo in de huidige toestand verkeert, moeten we het erfgoed beschermen dat zich nog in het land bevindt en vaak in erbarmelijke omstandigheden bewaard wordt. We moeten ook de capaciteit van Congolese musea versterken en wanneer die op opnieuw goed beheerd worden, kunnen we langdurige bruiklenen en gezamenlijke tentoonstellingen overwegen.

Reuzemaskers uit Congo, nog tot en met 8/11/2015, BELvue Museum (Paleizenplein 7, 1000 Brussel). Ingang: gratis.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift