Ebola: 'We schieten pas in paniek zodra het virus onze achtertuin bereikt.'

Het invloedrijke Amerikaanse tijdschrift Time riep eind vorig jaar de hulpverleners die strijden tegen ebola uit tot ‘Persoon van 2014’. Ondertussen is de berichtgeving over ebola weer even in een dal beland. Veerle Hermans (30) is een Vlaamse epidemiologe die voor Artsen Zonder Grenzen (AZG) vorig jaar vijf maand lang in het Bo district van Sierra Leone ebola interventies heeft gedaan. Ondertussen is ze op missie in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia, maar MO* sprak met haar toen ze even in België was. ‘Ik krijg, nu ebola uit het nieuws is verdwenen, vaak de vraag of “het” gedaan is. Maar het is helemaal nog niet gedaan.’

  • © Veerle Hermans 'Vestig de aandacht toch op West-Afrika in plaats van op wat er hier al dan niet kan gebeuren!' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans 'Je werkt van dag tot dag en doet wat je kan. Gewoon doen zonder er al te veel bij stil te staan.' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans 'De begrafenissen kennen verschillende rituelen waarbij het lichaam wordt aangeraakt en gewassen. Je krijgt moeilijk uitgelegd waarom dat niet meer mag; dit zijn gebruiken die al eeuwen terug gaan.' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans 'Er zijn veel grote instanties die hun verantwoordelijkheid niet hebben opgenomen, daar heeft Artsen Zonder Grenzen zwaar onder geleden.' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans 'Je begint elkaar te wantrouwen, soms zelfs je eigen collega's.' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans 'We mogen niemand aanraken, zelfs geen schouderklopje geven.' © Veerle Hermans
  • © Veerle Hermans © Veerle Hermans
 

 

Je bracht maanden door in Sierra Leone tijdens de ebola-uitbraak. Hoe hou je het ter plekke vol?

Hermans: Je werkt van dag tot dag en doet wat je kan. Gewoon doen zonder er al te veel bij stil te staan. Je moet vooral jezelf een beetje kennen om je daar tegen te beschermen. Zoals bijvoorbeeld op tijd gaan slapen. Ik heb ook nooit ’s nachts gewerkt. Mentaal heb je af en toe wel iemand nodig om mee te babbelen. Ik had daar een heel goede vriendin zitten, maar in de twee maanden dat ze er niet was, heb ik afgezien. Naar huis bellen kan, maar niemand begrijpt echt in wat voor situatie je je bevindt.

© Veerle Hermans

‘Je werkt van dag tot dag en doet wat je kan. Gewoon doen zonder er al te veel bij stil te staan.’

Ebola is een agressief virus, maar toch raakt men niet makkelijk besmet. Hoe komt het dan de huidige uitbraak zo’n proporties aan heeft kunnen nemen?

Hermans: Vroeger zijn er al kleinere uitbraken geweest zoals in Congo en Oeganda. Maar dit was altijd op afgelegen plaatsen. Dat stopte het virus natuurlijk uit zichzelf. Dat was nu niet het geval: het wegennetwerk is relatief goed, de mensen en de ziekte zijn zich beginnen verplaatsen en de regering had geen plan klaar om in te grijpen.

Men heeft geen ervaring met het virus. Men wil zorgen voor familieleden die ziek zijn, maar natuurlijk wordt men dan ook besmet. Bovendien kennen de begrafenissen verschillende rituelen waarbij het lichaam wordt aangeraakt en gewassen. Je krijgt moeilijk uitgelegd waarom dat niet meer mag; dit zijn gebruiken die al eeuwen terug sgaan.

© Veerle Hermans

‘Dan komen er plots blanken zeggen dat begrafenissen anders moeten? Dat werkt helaas niet.’

Frustratie

‘Er zijn veel grote instanties die hun verantwoordelijkheid niet hebben opgenomen, daar heeft Artsen Zonder Grenzen zwaar onder geleden.’

Merk je vooruitgang op het terrein nu ngo’s erop hameren de juiste info te verstrekken?

Hermans: Het is belangrijk dit te blijven doen. Maar de mensen dragen een zware recente geschiedenis met zich mee – met inbegrip van een jarenlange, uiterst gruwelijke oorlog. Men heeft ook geen vertrouwen in de regering. Er doen zelfs complottheoriën de ronde. Je moet eerst goed weten wat de mensen van jou denken vooraleer je ze tracht te overtuigen van iets. Anders geloven ze je niet.

Omdat het nu zo’n proporties aanneemt, zie je wel wat veranderen. Als er iemand sterft, belt men de hulplijn zodat het lichaam door specialisten kan begraven worden. Toch verschilt het van streek tot streek en blijft ook het gedrag van mensen in de stad onvoorspelbaar. Eigenlijk zou een maandenlang antropologisch onderzoek vooraf nodig zijn, maar die tijd hebben we natuurlijk niet..  

© Veerle Hermans

Er is nog steeds geen remedie. Toch zeggen velen dat die snel zou kunnen gevonden worden indien er meer geld naar onderzoek zou gaan. Is dit frustrerend?

Hermans: Natuurlijk, vooral als je oog in oog staat met die mensen. Tijdens trainingen vraagt men altijd waarom dat zo is. Voor bijna alle andere ziektes, zijn er behandelingen. Waarom ebola dan niet? Dan moet ik dus antwoorden dat de uitbraken altijd zo klein zijn geweest dat het financieel niet interessant is geweest voor de farmaceutische industrie om daar onderzoek naar te doen. Het is natuurlijk ook gevaarlijk werk. Een speciaal ingericht labo kost miljoenen en men durft dat financiële risico niet nemen.

Iemand zei onlangs nog wel iets interessant. Dat men er wel al lang mee bezig is, maar dat er een grote tijdspanne gerekend moet worden vooraleer een medicijn werkelijk op de markt komt. Een remedie zal er dus wel komen, zeker met de druk van vandaag. Maar het is jammer genoeg echt wel te laat.

Wat moet er volgens jou veranderen op beleidsvlak?

Hermans: Er zijn veel grote instanties die hun verantwoordelijkheid niet hebben opgenomen, daar heeft Artsen Zonder Grenzen zwaar onder geleden. Wij doen uiteindelijk gewoon uitvoerend werk. Als er een noodsituatie is, komen we, doen we ons werk, en vertrekken we weer.

De hele coördinatie moet eigenlijk gebeuren door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en andere partners, maar die zijn pas zeer laat ter plaatse gekomen. Ze hebben hun taak niet tijdig opgenomen en daardoor hebben we te veel werk gehad op vlakken waar we geen expertise hebben.

Ik denk nog steeds dat deze organisaties meer moeten doen. Ondertussen heeft Artsen Zonder Grenzen ook openlijk gezegd dat het eigenlijk een schande is.

Is “het” gedaan?

‘Je begint elkaar te wantrouwen, soms zelfs je eigen collega’s.’

Met het Tropisch Instituut beschikken we in België over veel kennis. Toch lijken we weinig betrokken bij wat er aan de hand is in West-Afrika.

Hermans: Tijdens een presentatie aan de universiteit van Hasselt schrok ik ervan hoeveel mensen er naar me kwamen luisteren. De hele aula zat vol en dat was bemoedigend. Ik krijg, nu ebola uit het nieuws is verdwenen, vaak de vraag of “het” gedaan is. Maar het is helemaal nog niet gedaan.

© Veerle Hermans

‘Er zijn veel grote instanties die hun verantwoordelijkheid niet hebben opgenomen, daar heeft Artsen Zonder Grenzen zwaar onder geleden.’

Hoe zit het ter plaatse met de onderlinge solidariteit?

Hermans: In de nasleep van die oorlogsperiode probeert iedereen voor zijn eigen familie te zorgen natuurlijk. Je probeert ervoor te zorgen dat je kinderen niet overal naartoe lopen want je weet niet wie er ziek is en wie niet. Eén van de ergste dingen aan deze uitbraak is dat wij veel kinderen zien die geïnfecteerd raken. En er is natuurlijk de ‘no-contact policy’: We mogen niemand aanraken, zelfs geen schouderklopje geven.

Als je zo maanden aan een stuk moet leven, begin je elkaar te wantrouwen, soms zelfs je eigen collega’s. Je buur? Daar wil je niets mee te maken hebben: wie weet is die wel ziek.

Maar toch ben ik heel fier op ons personeel. Ze zijn ondanks de moeilijkheden en hun eigen vermoeidheid nog altijd aan het werk. Vanuit de overtuiging dat we ebola kunnen verdrijven uit Sierra Leone en dat de mensen terug veilig moeten zijn. Die drive werkt aanstekelijk. Het is dus zeker niet allemaal kommer en kwel, maar het is wel zwaar.

© Veerle Hermans

‘Je begint elkaar te wantrouwen, soms zelfs je eigen collega’s.’

Op je blog omschreef je het dubbele gevoel dta je had wanneer een collega positief testte op ebola; het willen helpen versus de drang tot zelfbehoud.

Hermans: We hadden de avond ervoor een etentje en hadden gewoon zitten praten. Ik heb haar niet aangeraakt en ze heeft niet in m’n gezicht gehoest ofzo. Maar ja, de volgende dag test ze positief dus de kans bestat dat ze het virus al had.

Ze is meteen geëvacueerd, was nooit echt heel ziek en is na twee weken genezen verklaard. De mortaliteit ligt trouwens een stuk lager dan bij andere uitbraken, rond de 60% sterft. Pas nu, na maanden, beginnen er meer en meer analyses te komen van de behandelingen. Je ziet dat als mensen genoeg eten krijgen, en vooral veel vocht, er zeker hoop op genezen is. Zoals bij de griep gaat dat makkelijker gaan als je sterk en gezond genoeg bent dan wanneer je immuunsysteem al onder vuur ligt door andere ziektes of ondervoeding.

Toch blijft het heel onvoorspelbaar. Ze zeggen dat als je de eerste tien dagen overleeft, dat je kansen dan hoger worden. Maar tijdens die eerste tien dagen kan je absoluut niets zeggen. Iemand die er heel goed uit ziet, kan de volgende dag gestorven zijn. Het is bijna absurd.

Hoe ga je op het veld om met de mogelijkheid dat je zelf misschien de volgende kan zijn?

Hermans: Je kan je niet veroorloven in paniek te schieten. Juist omdat we verschillende regels hebben om elkaar niet aan te raken, zijn we relatief veilig. Nu ja, iemand zonder symptomen is niet besmettelijk. En dat is hetgeen dat je -continu in het hoofd houdt, dat je met niemand contact hebt gehad die ziek was. Dan is het risico zo goed als nul. Maar dat moet je wel dikwijls tegen jezelf zeggen. (lacht)

Bovendien nam ik dagelijks mijn temperatuur: gewoon om zeker te zijn dat ik nog gezond was. Vanaf dat je temperatuur wat hoger is, schiet je wel even in paniek. Ik ga daar niet over liegen, er is dan plots enkel onrust. Je moet jezelf dus ook heel goed kunnen kalmeren.

© Veerle Hermans

‘We mogen niemand aanraken, zelfs geen schouderklopje geven.’

Paniekvoetbal

‘We schieten pas in paniek zodra het virus onze achtertuin lijkt te bereiken.’

Over dubbele gevoelens gesproken, hoe ervaar je het thuisland nu je weer terug bent?

Hermans: Ik pas me snel terug aan aan, daar heb ik het niet moeilijk mee. Ik heb het wel moeilijk met het feit dat het hier zo’n heisa was.

Mijn vader werkt in een ziekenhuis en daar werd gevraagd of ik eens langs kon komen om met de mensen te praten. Ze dachten dat ebola daar ging opduiken, terwijl er amper een Afrikaan komt.

En dan nog. Als je elke Afrikaan gaat zien als een mogelijke drager van het virus, zal er racisme opduiken. Ik was onlangs in Antwerpen en zag dat twee zwarte vrouwen werden nageroepen: ‘Pas op! Ebola!’. Dat vind ik echt verschrikkelijk! Dat is de bekrompenheid van onze maatschappij. We schieten pas in paniek zodra het virus onze achtertuin lijkt te bereiken. Met de mensen in West-Afrika die werkelijk getroffen worden zitten we amper in.

© Veerle Hermans

Je vindt dat men hier in Europa paniekvoetbal speelt en je wijst de media ook met de vinger. Wat stoort je dan precies?

Hermans: De enige berichten die je nu nog leest, zijn van deze aard: ‘Persoon x met nationaliteit x is besmet en wordt geëvacueerd via stad x’. Dat is het enige wat mensen te zien krijgen.

Er wordt veel te weinig bericht over wat er op het terrein zelf gebeurt. Nu wordt er zelfs amper nog over gesproken. Daardoor worden we ook banger, denken we effectief dat het virus België zal bereiken.

Heb je dat artikel gelezen dat zei dat er 40% kans was dat er een Belg voor oktober vorig jaar ebola zou krijgen? Wie berekent dat, hoe, en waarom zou je zoiets te wereld insturen? Dat is toch enkel om mensen angst aan te jagen!

De ziekte is helemaal niet zo besmettelijk. En in onze maatschappij leven wij zo individualistisch dat de kans op besmetting zeer klein is. Vestig de aandacht toch op West-Afrika in plaats van op wat er hier al dan niet kan gebeuren!

Je hebt lang gezocht naar een job die je zin voor avontuur combineerde met een verankerend, goed doel. Vallen de dingen nu op hun plaats?

Hermans: Ja, ik denk het wel. Niet om AZG de hele tijd de hemel in te prijzen, maar ik ben heel tevreden om van dichtbij te kunnen zien wat voor werk men daar doet. Hoe klein je eigen rol daar ook in is – want het is een enorme organisatie – je maakt wel een verschil.

We hebben steun kunnen bieden waar we konden en dat heeft echt wel resultaten gebracht. AZG doet interventies op een tijdspanne die je je amper kan voorstellen. Het is een ware sneltrein.

Het is een geoliede machine die ongelofelijk draait en het motiveert me als persoon heel sterk om daar deel van uit te kunnen maken.

Mensen die een financiële bijdrage willen geven aan AZG kunnen storten op BE73 0000 0000 6060.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift