Socioloog bundelt ervaringen op bodem van arbeidsmarkt in boek ‘Menselijke grondstof’

Herman Loos: ‘Wanhoop is de smeerolie van onze economie’

RV

Socioloog Herman Loos bundelde zijn ervaringen als ‘wegwerpwerknemer’ in het boek “Menselijke grondstof”

Socioloog Herman Loos, voormalig Apache-columnist en MO*-wereldblogger, keerde vorig jaar terug naar België na zeven jaar ploeteren in de marge van het Franse werkleven. In het boek Menselijke grondstof – een verwijzing naar de term human resources – maakt hij op basis van zijn praktische ondervindingen een harde analyse van de Europese arbeidsmarkt. ‘Wanhoop is de smeerolie van onze economie.’

Ganzenpluimer, ramasseur (ophaler van gevogelte), podiumbouwer, elektricien, wijngaardsnoeier, thuisleerkracht, magazijnier, schilder-plamuurder, rekkenvuller, dozenplooier, installateur van elektronische etiketten en medewerker van een callcenter. Ziedaar het Franse luik op het CV van Herman Loos, na studies als socioloog en werkervaring als medewerker aan de KU Leuven.

‘We zijn naïef geweest,’ geeft Loos toe. ‘We zijn op de bonnefooi naar Frankrijk getrokken, met het idee dat het wel los zou lopen, maar dat viel dus tegen.’ Loos stapte in 2011 samen met zijn vrouw Lin uit de Belgische ratrace en verruilde zijn thuis in Leuven voor het landelijke en dunbevolkte Franse departement Gers, in het zuidwesten van Frankrijk.

‘Ik was verliefd geworden op de streek tijdens het afleggen van de pelgrimstocht naar Compostella (waar Loos een reisdagboek over schreef, red.) en we vonden een spotgoedkoop huisje met land in het dorpje Aux-Aussat.’ Het koppel zou er vijf jaar blijven, om daarna nog twee jaar in de grotere Zuid-Franse gemeente Tarbes te wonen.

Al gauw ondervond Loos dat zijn diploma er niet veel waard was en sukkelde van het ene klusje in het andere. Hij werd – in zijn woorden – een ‘wegwerpwerknemer’, die keihard werkte voor een hongerloontje, vaak zonder de zekerheid of hij de week erop weer welkom was. ‘Je moet flexibel zijn, hoor je dan, maar dat betekent wel dat je niets op voorhand kunt plannen en niets op kunt bouwen.’

Bovendien worden tijdelijke krachten volgens hem vaak zwaarder belast dan degene met een vast contract. ‘Omdat je er toch maar voor een paar maanden blijft, leeft het idee dat je gedurende die periode maximaal uitgewrongen mag worden. Je krijgt de moeilijkste post, die je meteen onder de knie moet krijgen of je vliegt er uit, en je wordt verondersteld geen enkele dag verlof te nemen.’

Draaideurwerkplaats

Loos is een fanatiek sporter met een ijzeren fysieke conditie maar ook hij zag zwaar af tijdens sommige jobs. ‘Het werk als ramasseur, het laden van gevogelte op transport, was het ergste. Ik vergelijk het met een weerstandstraining in het zwemmen – waarbij je maximale inspanningen levert.

En dozen plooien klinkt misschien banaal maar dat is verwoestend werk. Een collega ging er prat op dat hij sneller was dan een machine, maar op zijn vijftigste was hij helemaal kapotgewerkt. Tendinitis, hij kan nu zelfs geen pen meer vasthouden.’

‘Je moet daar onder constante druk je discours afhandelen als een robot, met nul procent autonomie.’

Mentaal woog de job als callcentermedewerker het meeste door. ‘Je moet daar onder constante druk je discours afhandelen als een robot, met nul procent autonomie. In die job ben ik diep ongelukkig geweest en ik was niet alleen. Ik denk dat daar altijd ongeveer een vijfde van het personeel out is door stress en burn-out.’

Loos noemt het callcenter ook een typische ‘draaideurwerkplaats’, waar voortdurend mensen weggaan en anderen hen vervangen. Velen van hen (deels) betaald door de pôle emploi, de Franse VDAB, als deel van het activeringsbeleid. Dat activeringsbeleid ziet de socioloog in vele gevallen als een verdoken subsidiëring van bedrijven.

‘In theorie zou het mensen nuttige vaardigheden moeten aanleren, fungeren als een opstapje naar een betere job. Maar je merkt dat veel bedrijven je eigenlijk niet echt willen opleiden, ze gebruiken het geld van het overheid om goedkope werkkrachten in te kunnen zetten. Voor de overheid is het dan weer een ideale manier om werklozen uit het uitkeringsstelsel te halen en de statistieken op te krikken.’

Een frappant voorbeeld in deze zin was een vorming tot wijngaardsnoeier. In het team van Loos zaten mensen met uitgebreide ervaring in de sector, voor wie die opleiding dus weinig nut had. ‘Eerst werkten we in de wijngaard van de school, maar daarna snoeiden we ook in privé-wijngaarden, heel koosjer was het allemaal niet.’

Opgeofferde groep

Zoals voorspeld door zijn collega-cursisten, bleek het achteraf onmogelijk om werk te vinden in die sector. ‘Het lijkt er op dat dat werk door de band gedaan wordt door mensen uit Zuid- of Oost-Europa die bereid zijn om aan een lager loon en aan slechtere arbeidsvoorwaarden te werken. Want er is altijd wel iemand wanhopiger.’

Wanhoop. Het is een woord dat vaak terugkomt in het boek. ‘Ik heb zelf in de situatie gezeten: nul euro verdienen, terwijl je wel geld moet uitgeven. Dan ben je wanhopig genoeg om alles aan te nemen.’

Volgens Loos lijkt het er op dat een hele groep mensen wordt opgeofferd om de economie concurrentieel te houden. Hun wanhoop in stand gehouden, als smeerolie van de economie. ‘Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het het beleid goed uitkomt dat uitzendkrachten niet vertegenwoordigd worden, dat hun rechten niet verdedigd worden zoals het hoort.’

‘Ik heb zelf in de situatie gezeten: nul euro verdienen, terwijl je wel geld moet uitgeven. Dan ben je wanhopig genoeg om alles aan te nemen.’

Maar is dat ook niet de taak van vakbonden? ‘Ik geloof dat die niet goed weten hoe het best tijdelijke krachten te bereiken, die van bedrijf naar bedrijf zwerven en overal maar een poosje blijven. Het is eenvoudiger reeds verworven rechten te verdedigen, wat uiteraard ook cruciaal is.

Niet alleen zijn ze kwetsbaar, ze worden ook vaak nog weggezet als ‘profiteurs’ die liever lui dan moe zijn. Terwijl ik ervaren heb dat die mensen wel degelijk gemotiveerd zijn om te werken. Voor hen is dat een manier om iemand te zijn, om een plaats te hebben in de maatschappij. En velen kennen niets anders dan belabberde jobs, dus gaan ze ook niet in tegen de slechte omstandigheden.’

Soms zijn arbeiders ook jaren af-en-aan in dienst bij een bedrijf, zonder zicht op een vast contract. ‘Wettelijk gezien mag een tijdelijk contract in Frankrijk maar twee keer worden verlengd. Een derde verlenging betekent dat het bedrijf een vast contract moet aanbieden, tenzij een periode van de helft van de duur van het vorige contract is verstreken – een zogenaamde coupure. De firma waar ik dozen plooide, regelde het zo dat de coupures samenvielen met periodes van weinig productie.’

Uitbesteden van uitbuiting

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Een ander groot probleem volgens Loos is dat van onderaannemingen. Zo beschrijft hij hoe er een stuk of vijf verschillende bedrijven betrokken zijn in een complexe samenwerking die er uiteindelijk alleen maar toe leidt dat een paar uitzendkrachten winkelrekken installeren in een supermarkt.

Die hopeloos inefficiënte manier van werken is volgens Loos een strategie van grote bedrijven om goedkope werkkrachten te hebben zonder de verantwoordelijkheid te moeten dragen voor mistoestanden. Want zij hebben toch enkel een ander bedrijf ingehuurd en weten verder nergens van?

‘Onderaannemen betekent vaak dat het uitzuigen gewoon wordt uitbesteed,’ stelt hij onomwonden in het boek. De socioloog verwijst naar de rechtszaken rond uitgebuit kuispersoneel tegen wegrestaurantgroep Carestel en fastfoodketen Quick, die zich verdedigden door te stellen dat ze niet op de hoogte waren van de praktijken van hun onderaannemers.

‘Dit fenomeen kan leiden tot absurde toestanden. Zo wordt een militaire kazerne (van Saffraanberg, red.) in Sint-Truiden bewaakt door een privéfirma. Ik heb een bevriende politieagent al gewaarschuwd dat hij niet te gerust moet zijn, in de toekomst kan ook het politieapparaat geprivatiseerd worden en doet hij misschien hetzelfde werk als nu, maar dan voor een bedrijf dat minder betaalt en striktere voorwaarden stelt.’

Druk op zwakste schakels

Loos houdt zich in het boek ver van politieke analyses, maar hanteert wel als leidraad een uitspraak van Johan Van Overtveldt, federaal minister van Financiën: ‘Niemand kan iets veranderen aan de economische natuurwet dat ondernemingen onmogelijk voor langere tijd loonkosten kunnen dragen waar onvoldoende productiviteit tegenover staat.’

‘Omdat het symbool staat voor het regeringsbeleid waar ik me tegen afzet, waarin vooral wordt beslist op basis van economische logica en daarom sterk wordt ingezet op flexibilisering, activering en het beperken van uitkeringen en minimumlonen,’ legt hij uit.

‘Puur economisch kan je het misschien verantwoorden dat iemand bij Telenet meer vangt voor het bijwonen van vier vergaderingen per jaar (verwijzing naar Siegfried Bracke, red.) dan een telefonist bij datzelfde bedrijf verdient op een heel jaar, dat hij daarmee een hogere ‘productiviteit’ aan de dag legt. Maar we leven niet in een economie, we leven in een maatschappij.’

‘Ik vrees dat onderzoeksinstituten niet altijd blij zijn met concrete verhalen uit het werkveld, ze werken vaak liever op basis van enquêtes.’

De huidige regering heeft ook een prioriteit gemaakt van “werkbaar werk”, ziet Loos daar dan geen positieve evolutie in? ‘Ik vrees er voor, als ik merk dat bijvoorbeeld het beroep van leraar op de lijst van zware beroepen zou kunnen terechtkomen. Dat is toch een job met al een zeer goede sociale bescherming. Ik weet waarover ik spreek aangezien ik zelf werk als leerkracht.

Ik ben bang dat de druk op de zwakste schakels gewoon verder vergroot zal worden, omdat zij niet dezelfde bescherming genieten als andere beroepen en het dus gemakkelijker is om zaken te compenseren door weer op hun rechten te beknibbelen.’

Hoe zwaar zijn periode in Frankrijk ook was, Loos houdt er ook goede herinneringen aan over. ‘Zo was er een slachthuis waar we wel goed behandeld werden, waar we zelf mochten beslissen wanneer we precies zouden werken en over de middag soms getrakteerd werden op een uitgebreide lunch. Dat kwam allemaal voort uit de instelling van die bedrijfsleider, die er van overtuigd was dat zijn werknemers een goede levenskwaliteit verdienden.’

Ondertussen zijn Loos en zijn vrouw al bijna een jaar terug in België, wat alles te maken heeft met de geboorte van dochtertje Sam. ‘Mijn vrouw zag het niet meer zitten om verder aan te modderen, ze wou een betere toekomst voor ons gezin.’ Al snel na hun terugkeer vond ze werk dat aansloot bij haar diploma en ook Loos heeft al verschillende opdrachten in het onderwijs achter de rug.

‘Wat niet wil zeggen dat ik mijn oude collega’s in Frankrijk kan vergeten. Ik ben nu wel uit dat systeem, maar zij blijven de kinderen van de rekening in onze samenleving.’

Of hij verwacht dat zijn verslag een grote impact zal hebben? ‘Ik vrees dat onderzoeksinstituten niet altijd blij zijn met concrete verhalen uit het werkveld, ze werken vaak liever op basis van enquêtes. En de verwevenheid van macht en geld is te groot, ik zie dus niet meteen grote veranderingen aankomen. Maar ik ga wel proberen in debat te treden en hoop op nuttige confrontaties, het mag gerust botsen, alleen zo kunnen we tot vooruitgang komen.’

Herman Loos stelt zijn boek ‘Menselijke grondstof’ voor op 20 september in boekhandel Barboek in Leuven. Op 8 september neemt hij op het festival ManiFiesta deel aan een debat. Je kan Herman Loos volgen op zijn persoonlijke blog en via een Facebookpagina gewijd aan het boek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift