Minister van Ontwikkelingssamenwerking bezoekt Congo

Meryame Kitir in Congo: ‘Om het ongenoegen weg te nemen, moet je voldoende tijd voorzien’

Belga / Benoit Doppagne

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir (Vooruit) op weg van Goma naar Bukavu, eind vorige week.

Meryame Kitir (Vooruit) was vorige week op werkbezoek in Congo, voor het eerst sinds ze minister van Ontwikkelingssamenwerking is. Quasi gelijktijdig stelden experten in de Kamer hun voorbereidende rapport voor over het Belgische koloniaal verleden. MO* ging mee naar Congo en sprak er met Kitir over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking en de erfenis van ons koloniaal verleden.

‘Ik was erg geschrokken van de jonge leeftijd van de slachtoffers. Een meisje van dertien jaar dat binnenkort moeder wordt, dat komt wel binnen, ja.’

Het eerste bezoek van minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir aan Congo stond in het teken van de strijd tegen gendergerelateerd geweld. Ze sprak onder andere met overlevers van seksueel geweld in het Panzi-ziekenhuis van Nobelprijswinnaar Denis Mukwege, in Bukavu, Oost-Congo. Het maakte zichtbaar indruk.

Bij aankomst in het Panzi-ziekenhuis werd Kitir door een grote groep overlevers op gezang en gejuich onthaald. Maar ze kreeg er ook enkele zware getuigenissen te horen. Het contrast tussen de besloten gesprekken en de energie van de gezangen doet een zichtbaar aangeslagen Kitir even de tranen verbijten.

‘Ik ben blij dat ik de kans krijg met veel mensen op het terrein te spreken. Niet enkel met directeurs, maar ook met de mensen waar de projecten (van ontwikkelingssamenwerking, red.) echt betrekking op hebben.’

Bij die mensen een meisje dat na een geval van seksueel geweld naar de politie ging maar niet geloofd werd, en de hele nacht in de cel moest doorbrengen. ‘Dat kwam hard binnen’, zegt Kitir. ‘Zij die je moeten beschermen, blijken wel vaker de daders. De straffeloosheid die met het geweld gepaard gaat, maakt het gewoon heel schrijnend. Neem daarbij nog eens de armoede in het land. Dat is allemaal heel heftig.’

België gaat 2 miljoen euro investeren om die straffeloosheid mee te bestrijden, vertelt de minister in het ziekenhuis. Daarmee zullen de internationale ngo’s Dokters van de Wereld en Physicians for Human Rights ondersteund worden. Zij investeren in veilige ruimtes om de getuigenissen van overlevers te registreren en te digitaliseren, samen met medische dossiers en bewijsstukken.

Leegroof

Net op het moment dat Kitir België’s belangrijkste partnerland leert kennen, staat Congo internationaal volop in de schijnwerpers. 19 media, waaronder ook de Belgische krant De Standaard, onderzochten maandenlang miljoenen gelekte documenten van de Afrikaanse bank BGFI. Dankzij dit internationale journalistieke onderzoek, Congo Hold-up, komen nu elke dag nieuwe onthullingen naar buiten over de leegroof van Congo, door de clan rond voormalig president Joseph Kabila.

122 miljoen euro wist de Kabila-clan uit de staatskas te roven. Ook verschillende Belgische ondernemers genoten mee van die plunderingen, zo werd duidelijk uit het onderzoek. De gedocumenteerde corruptie, straffeloosheid en de vermeende betrokkenheid van enkele Belgen roepen vragen op over de zin en onzin van ontwikkelingssamenwerking. Vragen die we voorleggen aan Kitir zelf.

‘Ik ben blij dat de Congolese regering het gerecht de opdracht geeft om een onderzoek te openen.’

‘De onthullingen van Congo Hold-up zullen helpen om te pleiten voor meer transparantie en om de strijd tegen corruptie op te voeren’, vindt Kitir. ‘We hebben ngo’s ondersteund die aan de onthullingen meewerkten. We steunden ook, via 11.11.11 (beweging voor internationale solidariteit, red.), het platform Le Congo n’est pas à vendre.’ Daarmee verwijst ze naar een coalitie van Congolese en internationale organisaties tegen corruptie.

‘Dat dit aan het licht komt,’ zegt Kitir over Congo Hold-up, ‘leert ons meer over waar het probleem zit en hoe je het kan aanpakken. Ik ben ook blij dat de Congolese regering het gerecht de opdracht geeft om een onderzoek te openen. Ik heb begrepen dat er nog onthullingen zullen volgen. Maar tot vandaag (vorige week, red.) kreeg ik geen meldingen dat geld bestemd voor Belgische projecten hiermee in aanraking zou zijn gekomen.’

Ook enkele Belgen zijn betrokken bij de corruptie die naar buiten kwam. Namen die niet helemaal nieuw zijn voor België, zoals zakenlui Georges Forrest en Kassim Tajideen. Wordt het geen tijd om te kijken of België niet meer kan doen om dit tegen te gaan?

Meryame Kitir: Het is belangrijk om het gerechtelijk onderzoek af te wachten. Op het vlak van het toepassen van een comprehensive approach (aanpak waarbij men streeft naar samenhang tussen verschillende beleidsdomeinen, red.) staan we in Palestina bijvoorbeeld al een stuk verder.

Zo maakten we samen met minister van Buitenlandse Zaken Sophie Wilmès (MR) de afspraak om bedrijven te ontmoedigen te investeren in de nederzettingen. Met de informatie die dankzij Congo Hold-up naar buiten komt, moeten we kijken hoe we die aanpak ook voor Congo beter kunnen toepassen.

Veiligheid, grondstoffen en opvang asielzoekers

Begin dit jaar vroeg MO* u naar de coherentie tussen uw beleid en dat van uw collega’s. Uw antwoord was: ‘Vraag me dat volgend jaar nog eens’. Dus, bijna een jaar later: bent u tevreden met hoe de samenwerking loopt?

Meryame Kitir: Er zijn sowieso raakvlakken met mijn collega-ministers. Dat zie je hier in Congo ook. Onveiligheid, die vaak verbonden is aan het conflict, is een terugkerend onderwerp. Met minister Dedonder (van Defensie, red.) kijken we welke acties we kunnen ondernemen op het vlak van veiligheid. Defensie traint hier lokale militairen.

We zijn ook partner in een Europees project voor politiehervorming. Het voorbeeld van dat meisje dat niet geholpen werd door de politie, maakt die nood duidelijk. We moeten verder kijken en zien hoe we nog kunnen samenwerken.

Natuurlijke grondstoffen liggen mee aan de basis van het voortdurende conflict in Oost-Congo. En die zijn natuurlijk ook verbonden met de internationale handel.

Meryame Kitir: 98 procent van de Congolese export is verbonden aan de mijnsector. Op dat vlak is het voor ons belangrijk om samen met andere landen en de privesector te werken aan afspraken om de transparantie te verhogen.

Ook migratie heeft al snel raakvlakken met ontwikkelingssamenwerking. Uw collega Sammy Mahdi (CD&V), staatssecretaris voor Asiel en Migratie, bleek duizenden beschikbare bedden leeg te hebben laten staan terwijl asielzoekers op straat sliepen. Staat dat niet haaks op uw pleidooi voor een beleid gestoeld op mensenrechten?

Meryame Kitir: Ontwikkelingssamenwerking mag niet ondergeschikt zijn aan migratiebeleid. Er zijn uiteraard linken. Zo trokken we naar Jordanië en Libanon (Kitir ging er eind september op werkbezoek, red.) omdat we vaak spreken over opvang in eigen regio. Ik vind het belangrijk dat die opvang kwaliteitsvol is. We weten dat sowieso 86 procent van de vluchtelingen in de regio verblijven (wat ook blijkt uit de cijfers van VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR, red.).

‘Als mensen geen toekomst zien, zijn velen geneigd om te vertrekken.’

Veel van de opvanglanden ondervinden zelf veel uitdagingen, waardoor het niet evident is om ervoor te zorgen dat die opvang kwalitatief is. Ik sprak er met jongeren die zich afvroegen welke toekomst ze daar hebben. Als mensen geen toekomst zien, zijn velen geneigd om te vertrekken.

Een jongeman zei me: ‘Ik kan niet terug naar Syrië, het is er nog steeds onveilig en mijn huis is weg. Ik volgde onderwijs en sta klaar om te werken, maar nergens is er werk voor mij. En mijn dochter van twee moet eten. De enige mensen die hier geld hebben, zijn drugssmokkelaars. Ze moedigen me aan om te smokkelen, maar ik ben daar tegen. Ik doe het omdat ik geld nodig heb voor mijn kinderen.’

Kwaliteitsvolle opvang in de eigen regio is één ding, maar wat met kwaliteitsvolle opvang in ons land?

Meryame Kitir: Asielzoekers krijgen in België kwaliteitsvolle opvang aangeboden. Maar we mogen niet blind zijn voor het huidige tekort aan opvangplaatsen. Door de verminderde opvangcapaciteit van de laatste jaren lopen we nu achterstand op.

Er lopen aanwervingscampagnes en er worden akkoorden gesloten voor nieuwe bufferplaatsen. Maar dat vraagt tijd. Ook die bufferplaatsen bleken onmiddellijk ingevuld te zijn.

Het belangrijkste nu is voorkomen dat mensen in de kou belanden. Die gesprekken voeren we ook in de kern (van de regering, red.), over hoe dat te vermijden. Het is belangrijk dat we nu snel schakelen en zorgen dat er noodopvang is voor iedereen.

Historische verantwoordelijkheid

Naast de recente onthullingen is er ook de bijzondere parlementaire commissie die zich moet buigen over ons koloniaal verleden, en die recent haar expertenrapport publiceerde. In dat rapport staat ook een hoofdstuk gewijd aan gender en gendergerelateerd geweld, het thema dat Kitir centraal stelde tijdens haar bezoek.

Er zijn aanwijzingen dat het koloniale beleid een negatieve impact had op de man-vrouwverhoudingen in Congo. Ook een vrouw die u tijdens uw bezoek ontmoette gaf aan dat vrouwen in Congo “chef” konden zijn vóór de kolonisatie. Beïnvloedt die historische verantwoordelijkheid uw beleid?

Meryame Kitir: Het is belangrijk om te kijken wat onze rol in de geschiedenis was. Maar de verantwoordelijkheid alleen bij ons koloniaal beleid leggen, dat zou ook verkeerd zijn. Ook lokaal zijn er verschillen, verschillende culturen en verschillende tradities.

Mijn beleid zal alleszins nooit zijn: ‘Ik kom hier en ik wil het zo doen.’ België maakt het verschil omdat we luisteren, dat hoor ik op het terrein. Terwijl andere landen komen dicteren hoe het moet. Ik hamer op echte samenwerking. Het heeft geen zin om elkaar met de vinger te wijzen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
We maken het verschil door samen te werken en door vrouwen in ons beleid centraal te stellen. Daarvoor hebben we ook mannen nodig. Willen we vrouwen helpen, dan moeten we investeren in gelijkheid en dan moeten mannen betrokken worden.

‘De verantwoordelijkheid alleen bij ons koloniaal beleid leggen zou ook verkeerd zijn.’

U zegt: naar elkaar wijzen haalt niets uit. Maar het expertenrapport stelt dat herstel en eventuele ontwikkelingshulp in de toekomst alleen mogelijk zijn binnen een kader van erkenning en verontschuldigingen.

Meryame Kitir: Ik ben me bewust van onze geschiedenis, daarom ben ik ook blij met die parlementaire commissie. Het debat leeft en het is belangrijk dat er nu een plek is waar dialoog kan plaatsvinden. De commissie zal ons vooruithelpen.

Ondertussen kan ik niet stil blijven zitten als ik zie wat de noden zijn. Een gemiddeld inkomen van 1,9 dollar per dag om te overleven in een megarijk land, dat is niet oké. Elke dag, elke minuut moeten we kijken hoe we dat kunnen aanpakken.

In 2001 stierven nog 213 op de 1000 kinderen onder de leeftijd van vijf jaar. In 2019 waren dat nog 94 op de 1000 kinderen. Op het vlak van sterfte van vrouwen in het kraambed ging het cijfer van 870 overlijdens op 100.000 vrouwen naar 474. Die cijfers zijn dus gehalveerd.

Op het vlak van landbouw zorgen we ervoor dat mensen voedsel hebben. Dat maakt voor mensen een wereld van verschil.

Ik sta open voor dialoog, en hoop dat die op een respectvolle manier kan plaatsvinden. Ik hoop ook dat de commissie alle ruimte krijgt om die debatten verder te voeren.

Komen er volgens u nog verontschuldigingen tijdens deze beleidsperiode?

Meryame Kitir: De koning heeft die intussen al aangeboden.

Hij drukte zijn spijt uit. Dat is niet hetzelfde als verontschuldigen.

Meryame Kitir: Dat klopt. Laten we kijken naar wat de commissie nodig acht. De geschiedenis heeft een zware impact, ik begrijp dat ze voor heel veel mensen ook weegt. Ze is voor velen een stuk van het eigen DNA. Ik zal met die aanbevelingen zien hoe we vervolgens vooruit kunnen kijken, en niet enkel achteruit.

Het expertenpanel had ook voor u, als minister van Ontwikkelingssamenwerking, een concrete aanbeveling. Het roept op om creatiever te zijn met het bepalen van doelstellingen in uw beleid, door meer in dialoog te gaan met de partners in het Globale Zuiden, de diaspora en lokale betrokkenen. Wat vindt u van deze aanbeveling?

Meryame Kitir: Die kan ik alleen maar onderschrijven. Ik gaf tijdens deze reis in Congo, zoals u kon zien, ook veel ruimte aan mensen om de dialoog aan te gaan. Het Belgische Ontwikkelingsagentschap Enabel investeert in de lokale noden. Ook onze ngo’s zijn belangrijk, omdat ze het dichtst staan bij de mensen en ervoor zorgen dat samenwerking vanuit hun belangen gebeurt. Die innovatie vind ik ook belangrijk. We doen niet gewoon wat we altijd deden.

Samenwerkingen

‘Ik zie heel vaak dat we in Congo en in België andere discussies voeren.’

Op welke manier verschilt uw aanpak van die van uw voorganger, huidig premier Alexander De Croo (Open VLD)? En waarin schuilt dat ‘innovatieve’ waarover u spreekt?

Meryame Kitir: Een verschil zoeken tussen mij en De Croo is niet nodig. Ontwikkelingssamenwerking heeft ook structuur en continuïteit nodig, en mag niet dienen om een minister in de schijnwerpers te zetten. Het beleid dient om mensen te versterken. Ik hamer in elk geval wel erg op samenwerking.

Digitalisering is een tweede element dat ik naar voren wil schuiven. Zo vertelde een vrouw me dat het belangrijk was om vrouwen in een dorp te kunnen bereiken en dat een telefoon daarbij kon helpen. Technologie kan ook partners meer laten samenwerken. Zodat UNFPA (het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties, red.), Unaids (het aidsprogramma van de VN) en andere organisaties niet naast elkaar werken maar de handen in elkaar slaan.

België koos ervoor om met heel fragiele landen samen te werken. Er zijn noden op heel wat vlakken: onderwijs, landbouw, veiligheid, gezondheidszorg… Toch is een globale aanpak nodig. Daarom heb ik ons uitvoerend agentschap Enabel en onze partners gezegd meer samen te zitten, zodat ze elkaar verder kunnen versterken.

‘Ontwikkelingssamenwerking is geen herstel’, staat in het expertenrapport. Maar het kan wel bovenop herstel komen. Moet er in de toekomst een minister van Ontwikkelingssamenwerking en Herstel komen?

Meryame Kitir: Ik ga het werk van de commissie nu verder bestuderen. Het is eerst aan hen nu om aanbevelingen te doen.

Maar uw partij zal daarover standpunten moeten innemen.

Meryame Kitir: U vraagt het nu natuurlijk aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

En dieis een belangrijke persoon als lid van een partij en van de federale regering.

Meryame Kitir: Er komen nog hoorzittingen. In afwachting daarvan mogen we niet stilvallen. De geschiedenis kan ik helaas niet veranderen, maar ik ben me ervan bewust dat ze een enorme impact heeft. Dat toonde ook Black Lives Matter in de samenleving. Om het ongenoegen weg te nemen, moet je voldoende tijd nemen. Dat is trouwens ook een van de aanbevelingen: ga niet te snel, denk er voldoende over na en neem de tijd om dit kwaliteitsvol te doen.

‘Ik ben bereid om wat uit de commissie komt serieus aan te pakken.’

De commissie staat aan het begin van haar werk, het is dus nog te vroeg om al te zeggen wat ik ga doen. We moeten nu geen losse flodders schieten. Ik ben bereid om de zaken die uit de commissie komen serieus aan te pakken en te kijken hoe we dat implementeren.

De discussie over herstel is belangrijk, en ik ben blij dat we die gaan aanpakken, dat we gewoon teruggeven wat niet van ons is. Mijn focus zal sowieso liggen op jongeren en vrouwen. Ik zie vaak hoe we in Congo en België een andere discussie voeren. Het debat leeft in België, maar in Congo gaat het anders. Daar zijn mensen bezig met overleven, vragen ze zich af wat ze morgen gaan eten en of ze de nodige gezondheidszorg kunnen krijgen.

Daar kan u zich toch niet achter verschuilen om het dekoloniseringsproces verder te zetten?

Meryame Kitir: Absoluut niet. Maar het is niet het één of het ander. Als je draagvlak wil creëren, moet je dat oplossen. De realiteit is dat we twee verschillende debatten voeren. Aan beide moet gehoor gegeven worden.

Rwanda en Burundi

Op het moment van ons gesprek bevinden we ons nog in Congo, het land waar het meest over gesproken wordt in het debat over het Belgische koloniale verleden. Rwanda en Burundi komen in dat debat minder aan bod, en de Belgische relaties met die landen zijn nog een stuk complexer.

In 2015 werden de ontwikkelingsprogramma’s waarbij rechtstreeks met de Burundese overheid werd samengewerkt stopgezet. En ook bij de samenwerking met Rwanda worden vraagtekens geplaatst, sinds de veroordeling van de Belgisch-Rwandese Paul Rusesabagina. Hoe ziet u de programma’s in deze lande verder evolueren?

Meryame Kitir: De voorbereiding van een nieuw samenwerkingsprogramma met Burundi zijn nog deels opgeschort, maar we sluiten een nieuw programma niet uit. We wachten af hoe de politieke en mensenrechtensituatie er evolueert. Daarvoor kijken we ook naar mijn collega van Buitenlandse Zaken Sophie Wilmès en de diplomatieke gesprekken die tussen België en Rwanda en Burundi gevoerd worden.

België kiest er bewust voor om met de meest kwetsbare landen samen te werken. Dat wil zeggen dat we veel moeten herbekijken, evalueren, bijsturen en opvolgen. Het is makkelijk om naar een land te gaan waar je sneller resultaten kan boeken. Maar als ieder land zo redeneert, kijkt niemand nog om naar wie hulp het meeste nodig heeft.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift