‘Mijnbouw is meestal sociaal noch ecologisch duurzaam’

Eind januari brachten 11.11.11, Broederlijk Delen en Fairfin met een ontluisterend rapport aan het licht dat een aantal Belgische banken nog steeds miljarden in controversiële mijnbouw investeren. Geen goed nieuws. MO* ging met de onderzoekers op zoek naar goede praktijken, alternatieven, de investeringen van de toekomst.  

© Katrijn Geeraert

Wiske Jult, Wies Willems en Frank Vanaerschot, onderzoekers mijnbouwdossier 11.11.11

Het dossier focust bewust op de metaalmijnbouw omdat dat de tak is waar we momenteel nog niet onderuit kunnen. Om de transitie naar hernieuwbare energie te realiseren maar ook voor tal van andere toepassingen in onze moderne samenleving, zullen we in de toekomst immers nog metalen nodig hebben. Meer dan dat we er tot nu toe al opgedolven hebben. Dat betekent dat de circulaire economie er ons voorlopig nog niet in kan voorzien, zeker als je weet dat de vraag nog altijd stijgt. Er zal dus nog ontgonnen worden.

Uit het rapport blijkt dat er al heel wat kaders en richtlijnen bestaan, zowel internationale van de VN en de OESO, als vanuit de bedrijven zelf, die aangeven hoe dat ontginnen zou moeten gebeuren. Die richtlijnen gelden niet enkel voor de multinationals maar ook voor de financiële instellingen die hen financieren. Banken hebben ook zelf een beleid waarin mijnbouw al dan niet met de nodige richtlijnen vernoemd wordt.

Dat is allemaal mooi in theorie maar in de praktijk verlopen de dingen blijkbaar toch nog vaak anders. Geen enkel van die richtlijnen is immers bindend in België. Elk kader moet vrijwillig gevolgd worden. Uit het rapport blijkt dat zelfregulering niet werkt, of toch zeker niet voldoende en dat er heel veel slechte praktijken in zijn. Daarom pleiten de onderzoekers in de eerste plaats voor meer regulering van mijnbouwbedrijven en banken, op alle niveaus, zowel door de overheden van de landen waar de mijnen zich bevinden als daar de bedrijven gevestigd zijn.

Maar stel dat financiële instellingen de richtlijnen van de UN, OESO, uit de sector zelf en hun eigen beleid correct zouden volgen. Blijven er dan eigenlijk nog metaalmijnbouwbedrijven over om in te investeren? Bestaat er überhaupt zoiets als “goede mijnbouw” die maatschappelijk verantwoord is? Zijn er ook goede praktijken?

We spraken erover met Wies Willems (Broederlijk Delen), Wiske Jult (11.11.11) en Frank Vanaerschot (Fairfin). Drie gedreven jonge mensen die bijdroegen aan het dossier.

Je moet ervan uitgaan dat mijnbouw nooit echt duurzaam is.

Wies Willems: ‘Je moet ervan uitgaan dat mijnbouw nooit echt duurzaam is. Zeker grote open-pit mijnen hebben per definitie een negatieve impact op ecologisch, en heel vaak ook op sociaal vlak. Als je weet dat de exploitatie als economische activiteit sowieso eindig is (grondstoffen raken vroeg of laat uitgeput), landschap en leefmilieu rond sites amper of slecht gerehabiliteerd worden, de sector structureel geassocieerd wordt met mensenrechtenschendingen, … zitten we duidelijk met een inherent niet-duurzame activiteit.’

‘Zoals we in het rapport zelf aanhalen, zijn er wel allerlei sectorinitiatieven om “duurzaamheid” aan te moedigen, bijvoorbeeld de ICMM (International Council on Mining & Metals), met vrijwillige gedragscodes. Bepaalde operaties of bedrijven zijn natuurlijk ook minder omstreden dan andere doordat ze niet meteen conflicten hebben met de lokale bevolking, iets properder te werk gaan of transparanter zijn over hun betalingen van belastingen aan overheden. Maar ik kan zelf niet meteen een groot mijnbedrijf noemen dat het “te volgen voorbeeld” is. En persoonlijk geloof ik ook niet in zelfregulering vanuit de sector. Overheden moeten strengere en bindende regels opleggen.’

© Thomas De Boever, Broederlijk Delen

Open-pit mijn

‘Wat bedrijven in de sector “Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen” of corporate social responsibility noemen, blijkt als je naar de situatie op het terrein kijkt, meestal pure greenwashing. Dat is vaak gewoon liefdadigheid of de rol van de overheid overnemen op een bepaald niveau door schooltjes te bouwen, wegen aan te leggen, een gezondheidspost, een voetbalveld, bassins voor afvalwater die er mooi uitzien maar in de praktijk lekken naar het grondwater, enzovoorts. Dat zijn meer opsmukmaatregelen.’

“Propere mijnbouw” in het Noorden

Ik las wel ergens dat er in Canada, de VS en Europa al “groenere” methodes gebruikt worden, klopt dat?

© Katrijn Geeraert

Wiske Jult van 11.11.11

Wiske Jult: ‘Ik denk dat je in Canada verwijst naar IRMA (Initiative For Responsible Mining Assurance). Ze hebben daar een Responsible Mining initiatief opgezet om gezamenlijk met mijnbedrijven, milieuorganisaties en inheemse volkeren tot een aantal criteria te komen om op een meer verantwoorde manier aan mijnbouw te doen. Het is gericht naar “best practice standards” en het resultaat van tien jaar overleg. In Canada heb je ook de Mining Watch die als ngo in het oog houdt of dat toegepast wordt. Dat zijn wel best practices.’

Wies Willems: ‘Maar tegelijk zijn Canadese, Amerikaanse of Europese multinationals daar heel hypocriet in. Neem nu cyanide, wat in verschillende Europese landen verboden is, maar wel volop in het Zuiden gebruikt wordt. Er bestaan zo ook technologieën om minder water, chemicaliën en energie te verbruiken bij het ontginningsproces, of om het mijnafval beter te beheren. Technologieoverdracht daarvan naar het Zuiden kan minder schadelijke mijnbouw mogelijk maken. Nu doen bedrijven dit vaak niet omdat ze het te duur vinden en op een goedkopere manier even goed winst kunnen maken.’

‘Voor alle duidelijkheid: wij willen geen promotie maken voor investeringen in de “properdere mijnbouw”. Als het gaat over alternatieven moeten we eerst en vooral naar de circulaire economie kijken. Daarnaast is het uiteraard wel belangrijk om waar mijnbouw plaatsvindt, de negatieve milieu- en sociale impact zoveel mogelijk te beperken. En ervoor te zorgen dat overheden en bevolking een eerlijk aandeel van de opbrengst krijgen.’

© Knut-Erik Helle (CC via Flickr)

Artisanale goudwinning

Fairmined, eerlijk goud

Grootschalige mijnbouw is dus per definitie problematisch. Biedt kleinschalige, artisanale mijnbouw dan een oplossing?

© Katrijn Geeraert

Wies Willems van Broederlijk Delen

Wies Willems: ‘Op veel plaatsen, bijvoorbeeld in het Peruaanse Amazonewoud, is de zogenaamde artisanale mijnbouw zodanig ontspoord dat ze een gigantische milieu-impact heeft. Het gaat dan over mensen die zelf met kwik in de rivieren aan de slag gaan. Bovendien kan je dergelijke mijnbouw vaak ook niet meer echt kleinschalig noemen, eerder semi-industrieel en vaak ook crimineel. Ook daar is overheidsregulering cruciaal. Dit gezegd zijnde, veel gemeenschappen in het Zuiden (bijvoorbeeld in Colombia) doen al generatieslang ook ‘traditioneel’ of ‘artisanaal’ aan mijnbouw als kostwinning, met een heel beperkte milieu-impact. Dat is een belangrijke nuance.’

Wiske Jult: ‘Ik denk dat we vooral moeten kijken naar: op welke manier organiseren ze hun productie, welke technologie gebruiken ze daarbij, welke sociale impact hebben ze, welke milieu-impact en dat je dan pas kan zeggen of het een verantwoorde manier is of niet. Of dat nu klein- of grootschalig is, is niet zozeer de vraag. Wat natuurlijk wel blijkt, is dat bij grootschalige mijnbouw het risico groter is dat de manier van extraheren een grote milieu-impact heeft.’

Wies Willems: ‘In de artisanale mijnbouw zijn er wel interessante initiatieven rond fair trade en “groenere” mijnbouw die volgens mij een deel van de oplossing zijn. Je moet deze initiatieven beschouwen als processen die niet perfect zijn, maar wel op zoek gaan naar alternatieven. Fairtrade International heeft bijvoorbeeld samen met de Alliance for Responsible Mining een aantal jaar geleden een label voor eerlijk goud gelanceerd (Fairtrade & Fairmined). Dat gaat om een samenwerking met verschillende coöperaties in Latijns-Amerika. De filosofie hierachter gaat van properdere ontginningsmethoden tot een eerlijk loon en een premie voor de ontwikkeling van de gemeenschappen. Er is toezicht op de hele keten tot het goud bij de eindconsument komt. Er zijn ook juweliers hier die er bewust voor kiezen om alleen met dat eerlijk goud te werken. Er zijn heel veel mensen die in die kleinschalige, artisanale mijnbouw werken en het Fairtrade & Fairmined-label werkt in deze context aan een meer sociaal en ecologisch verantwoord alternatief.’

Zijn dat dan geen goede alternatieven?

Er zit genoeg goud in de banken en in elektronisch afval om aan de vraag te kunnen voldoen.

Wies Willems: ‘Specifiek voor goud en juwelen wel. Als je dan toch goud koopt, kan je beter goud kopen waarvan je weet dat mensen er een eerlijke prijs voor krijgen. Anderzijds is het heel duidelijk dat er geen nieuw goud ontgonnen moet worden om aan de vraag te voldoen. Er zit genoeg goud in de banken en in elektronisch afval om aan de vraag te kunnen voldoen. In principe kunnen we dus wel stoppen met goudontginning. Bij goud zou het argument om dat zo kleinschalig te blijven doen vooral zijn dat de artisanale mijnbouw een inkomen vormt voor heel veel mensen in de wereld. Maar voor de grootschalige open-pit mijnbouw en vanuit de ecologische uitdaging, is de eerste prioriteit: ontginning beperken. Al bots je daar natuurlijk op de kwestie van de enorme vraag naar grondstoffen. De wereldwijde vraag naar bijvoorbeeld koper en ijzer is zo enorm - en zal de komende decennia nog blijven stijgen - dat je die niet kan opvangen met fairtrade coöperaties.’

De circulaire economie & ontginning van het noodzakelijke

Als ik het goed begrijp, is er dus op dit moment een grote vraag vanuit de industrie waar we niet op een verantwoorde manier aan kunnen beantwoorden?

Als we maximaal inzetten op circulaire economie en enkel “nuttig” gebruik maken van primaire grondstoffen, wat hebben we dan nog écht nodig uit die mijnen?

Wies Willems: ‘Nu nog niet. Op termijn wel, als we inzetten op urban mining, recyclage, eco-design, het winnen van metalen uit afval, een meer circulaire economie dus. Als dat op al op veel grotere schaal zou gebeuren, neemt de vraag naar primaire ontginning in mijnen af en kunnen we al veel beter aan die vraag beantwoorden. Er is dus een investeringsshift nodig van ontginning van primaire grondstoffen naar het in omloop houden van bestaande materialen.‘

Frank Vanaerschot: ‘Heel het huidig systeem creëert bovendien een enorme vraag naar grondstoffen die niet de “noodzakelijke vraag” is. We moeten erkennen dat het in onze markteconomie zeer aantrekkelijk is om zoveel mogelijk goederen op de markt te brengen aan een zo laag mogelijke prijs. Als het dan nog niet te lang duurt voordat die kapot gaan, zodat er nieuwe gekocht moeten worden, is dat weer winstgevend. Ook voor de banken die die bedrijven financieren. Dus we moeten ons ook afvragen: Als we maximaal inzetten op circulaire economie en enkel “nuttig” gebruik maken van primaire grondstoffen, wat hebben we dan nog écht nodig uit die mijnen?

© Katrijn Geeraert

Artisanale mijn in DRC

Meer goud in afval dan in mijnen

Op naar een totaal ander paradigma! Te beginnen met een investeringsshift van primaire mijnbouw naar een circulaire economie… Hoe gaan we de bedrijven daarin meekrijgen?

Wies Willems: ‘Europa heeft daar al doelstellingen rond geformuleerd en wil ook naar een circulaire economie evolueren. We moeten alleen opletten dat het niet weer een vaag begrip blijft of een concept waarbij bedrijven kleine inspanningen in de marge doen. Er is een grotere omslag nodig om naar die circulaire economie te gaan.’

‘Voor bedrijven zelf zal uiteindelijk wel het economische aspect belangrijk worden: de uitputting van de voorraden, het feit dat het duurder wordt om de mineralen te ontginnen, mijnbouw wordt ook alsmaar energie-intensiever. Bij een goudmijn is het bijvoorbeeld heel duidelijk dat de kost om een nieuwe mijn te exploiteren heel groot is. Het is eigenlijk veel rendabeler om goud te winnen uit een berg afval dan uit nieuwe mijnen. Zoals in een artikel in De Standaard onlangs nog werd gezegd: in een kubieke meter telefoon zit meer goud dan in een kubieke meter gouderts van de allerrijkste goudmijn!’

‘Umicore, hier in België is bijvoorbeeld een bedrijf dat zich echt getransformeerd heeft van een mijnbouwbedrijf naar een specialist in recyclage. Ze importeren ook nog wel primaire grondstoffen, maar proberen dat op een zo verantwoord mogelijke manier te doen. Ondanks de niet onbesproken geschiedenis van Umicore, is het vandaag vanuit het oogpunt van de circulaire economie wel een goed voorbeeld van een bedrijf dat naar de toekomst kijkt.’

Wiske Jult: ‘Ja, zij investeren in de omschakeling. Ze beseffen dat het op lange termijn niet duurzaam is om daarin te blijven investeren. Het is ook niet onbelangrijk om te weten dat het ook voor hen economisch rendabeler gaat worden om om te schakelen. Die bedrijven doen dat ook nooit enkel om duurzamer te worden, zij zien ook dat de markt verandert.’

Zo fatsoenlijk mogelijk

Waarom schakelen ze dan niet massaal om?

Heel het lineaire model is sowieso voorbij.

Wies Willems: ‘Heel het lineaire model is sowieso voorbij. Daar moeten we vanaf en dat weten bedrijven ook wel maar ze kunnen nog altijd gemakkelijk winst maken met grondstoffen en dat is het probleem. Zoals gezegd weten wij ook dat er nog mijnbouw zal zijn de komende decennia maar we willen dat dat dan op een zo fatsoenlijk mogelijke manier gebeurt.’

En “zo fatsoenlijk mogelijk” betekent op dit moment de internationale kaders correct volgen en toepassen?

Wiske Jult: ‘Als mijnbouwbedrijven de richtlijnen die nu al bestaan ook effectief toepasten, zou dat al een enorme stap vooruit zijn. Landrechten respecteren, een fatsoenlijk sluitingsplan voor als ze uiteindelijk wegtrekken zodat de vervuiling niet blijft liggen, daar ook een budget voor voorzien…’

Wies Willems: ‘Als we “verantwoord” aan mijnbouw willen doen, moeten we echt geval per geval kijken. Wat betekent mijnbouw hier op deze plek? In relatie tot de bevolking? In relatie tot het ecosysteem? Hoe kunnen we dat hier op de meest verantwoorde, minst schadelijke manier doen? De toekomst zal een combinatie moeten brengen van beperkte en veel minder destructieve primaire mijnbouw. En de inspraak van de lokale bevolking rond geplande mijnprojecten is daarbij cruciaal.’

Een goed mijnbouwbeleid

En dat is dan het soort mijnbouw waar banken in hun beleid naar zouden moeten verwijzen. Uit jullie rapport blijkt dat er wel wat zijn met een onduidelijk of ontoereikend beleid, andere hebben er wel een maar passen het niet toe. Bestaan er banken in België met een goed mijnbouwbeleid?

© Katrijn Geeraert

Frank Vanaerschot van Fairfin

Frank Vanaerschot: ‘Wij zijn daar in het onderzoek naar op zoek gegaan en een echt heel goed beleid hebben we niet gevonden. Ok, Triodos heeft een heel goed beleid maar er is geen enkele relatief grote bank die een belangrijke rol speelt in de financiering van de mijnbouwindustrie waarvan we gezien hebben dat ze een goed mijnbouwbeleid hanteren. Ik zou daar heel graag een goed voorbeeld van geven maar ik heb het nog niet gezien.’

‘Er zijn wel een aantal banken in België die heel weinig in de mijnbouw investeren voor zover we weten. Triodos sluit volgens mij investeringen in mijnbouw niet uit in haar beleid. Maar ze leggen wel allerlei voorwaarden op en voor zover ik weet, betekent dat in de praktijk dat zij niet in de mijnbouwindustrie investeren omdat er dus geen mijnbouwactiviteiten aan die criteria voldoen.’

Wiske Jult: ‘En dan zijn er een aantal grote banken die wel een beleid hebben maar daar clausules in opnemen waardoor ze hun verantwoordelijkheid ontlopen. ING heeft zo bijvoorbeeld een disclaimer in de toepassing van hun beleid gezet waarin ze zeggen: “ING neemt geen verantwoordelijkheid voor mogelijke consequenties die kunnen volgen uit het feit dat de bank haar beleid, procedures, instructies, statements en richtlijnen niet naleeft.” Het is wel een beetje bizar om zoiets te schrijven. Dan zeggen ze eigenlijk: “Wij werken wel een heel beleid uit maar als we het niet naleven, zijn we niet verantwoordelijk…”

Wies Willems: ’ “…voor wat er in de praktijk gebeurt.” Daar kan dit rapport dan wel aan bijdragen, dat een aantal banken ook zien wat er in realiteit gebeurt in die mijnbouwsector.’

En dat wij dat ook zien…

Daarom zijn dossiers als het onze belangrijk: opdat zij weten dat wij het weten.

Frank Vanaerschot: ‘Ja, vooral dàt want dat zij het zelf niet zouden weten, dat is voor een stuk hun eigen verantwoordelijkheid.’

‘Daarom zijn dossiers als het onze belangrijk: opdat zij weten dat wij het weten. Opdat die discussie zich niet alleen afspeelt tussen hen en die bedrijven of zelfs tussen hen en de ngo’s maar dat het een publiek gegeven wordt. Die investeringskeuzes die er gemaakt worden, hebben extreem veel impact op hoe de economie en de samenleving er de komende jaren en decennia gaat uitzien dus hebben wij ook recht om dat te weten.’

Financiële instellingen met de juiste incentives

Hoe zien de banken eruit in de ideale wereld? Los van het feit dat ze alle richtlijnen zouden moeten volgen en hun beleid toepassen? Is er een model dat beter past in het nieuwe paradigma waar we naartoe moeten dan de andere? Iets als coöperatieve banken?

Frank Vanaerschot: ‘Coöperatieve banken zijn een belangrijk deel van een gezonde financiële sector maar daarnaast kunnen ook publieke banken een grote rol spelen. We kunnen daar ook meer maatschappelijke controle over hebben. Maar het is belangrijk om voor éénder welk soort bank te weten dat er geen heilig model is. Elk model moet gezond beheerd worden en heeft controlemechanismen nodig. Het belangrijkste in de context vandaag, in hoe er mainstream naar de financiële sector gekeken wordt, is dat grote privé banken die beursgenoteerd staan - op zijn zachtst gezegd - ook problemen creëren.’

Het gaat erom dat je een financiële instelling creëert waar de juiste incentives aanwezig kunnen zijn.

‘Bij overheidsbanken vraagt men zich af of het wel aan politici is om bankier te spelen of bij een coöperatieve bank of al die mensen wel de kennis hebben om een bank te runnen maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je een financiële instelling creëert waar de juiste incentives aanwezig kunnen zijn, waar de druk op winstmaximalisatie niet zo groot is dat alle andere belangen naar de achtergrond verdwijnen. Dat zijn de belangrijkste uitdagingen vandaag. Ongeveer tien jaar geleden hebben we als samenleving de financiële sector met miljarden belastinggeld moeten redden dus het is ook wel legitiem dat wij er nu onze stem in hebben hoe een bank de samenleving bedient.’

Ken jij de “goede banken”?

Frank Vanaerschot: ‘Global Alliance for Banking on Values hergroepeert de Triodossen van de wereld. In eigen land is ook VDK een bank die veel nadruk legt op de financieren van lokale en maatschappelijk belangrijke activiteiten. In het buitenland zijn er ook heel wat overheids- en coöperatieve banken die als doel hebben lokale en maatschappelijke noden te vervullen. In Duitsland is bijvoorbeeld een groot deel van de financiële sector publiek of coöperatief. Zoals ik al zei, een model op zich biedt geen garanties en er zijn ook overheids- of coöperatieve banken die problemen hebben. Soms komen die problemen door te veel politieke inmenging, soms door te veel meedoen met de handel in winstgevende, maar zeer risicovolle financiële producten op de markt. In beide gevallen gaat het om het afwijken van de maatschappelijke opdracht van de bank. Daarom hamer ik zo hard op het belang van goede controlemechanismen. Toch vind ik het ook belangrijk die andere modellen aan te halen, want grote beursgenoteerde banken zijn lang niet de enige optie.’

Een dialoog met consequenties

Kunnen banken zomaar beslissen om te stoppen met investeren in een bedrijf? Hoe gebeurt dat?

© Thomas De Boever, Broederlijk Delen

Vervuild water bij Tintaya mijn, Peru

Frank Vanaerschot: ‘Een bekende speler in de uitsluitingslijsten is het Noors pensioenfonds, ook een goed voorbeeld trouwens. Meestal stoppen zij niet van de ene dag op de andere met investeren in een bedrijf. Bijna iedereen – zeker grote investeerders – gaan een dialoog opstarten en zeggen dan: “Die en die praktijken waarmee je in opspraak komt, kunnen niet voor ons”. Dan is er een tussenperiode waarin het bedrijf kan reageren en als het resultaat daarvan op het einde van de rit niet bevredigend is, beslissen ze om uit te sluiten. Dat is een consequente houding. In de pers reageerden sommige banken op ons onderzoek met de opmerking dat het niet goed is om een investering stop te zetten omdat ze net impact hebben op bedrijven door ermee in dialoog te gaan. Dat kan kloppen, als er aan een dialoog duidelijke consequenties vasthangen! Als je na een bepaalde termijn het punt niet bereikt hebt dat je wilde bereiken met je dialoog, moet je je geld ook terugtrekken. Maar net daarover zijn die banken niet duidelijk in hun beleid.’

En zijn er effectief bedrijven die hun praktijken veranderen als banken zich terugtrekken?

Frank Vanaerschot: ‘Ik heb daar geen voorbeelden van maar dat betekent niet dat ze niet bestaan.’

Hoe gaat dit nu verder hier in België? Hebben jullie reacties van de banken?

Wiske Jult: ‘Er is openheid, er is meteen contact opgenomen door de banken. Minister Van Overtveld heeft ook contact opgenomen met de banken om te vragen wat er van aan is. Er zijn parlementaire interpellaties geweest. Over het reguleren zullen we verder nog gesprekken moeten hebben. We gaan binnenkort in dialoog en zien wat we kunnen doen voor de toekomst.’