Historicus Jan Dumolyn: 'Strijd om waardig leven verbindt Guldensporenslag en Black Lives Matter'

‘Op de Vlaamse feestdag herdenken we de bolsjewieken van de middeleeuwen’

© The British Library

Een Frans miniatuur (14de eeuw) van de Guldensporenslag. ‘Franse edellieden vochten tegen Franse koningen, en de Vlaamse ambachten maakten daarvan gebruik om hun eigen agenda door te drukken.’

De Vlaamse feestdag herdenkt de fameuze Guldensporenslag in het jaar 1302. Die was vooral een sociale revolutie, zo benadrukt professor geschiedenis Jan Dumolyn. Hoe kijkt een kenner van de middeleeuwen als hij naar 1302, naar Vlaanderen, naar identiteit en sociale revolutie? ‘Het universele streven naar een waardig bestaan is de factor die altijd terugkeert in de geschiedenis. Ook bij Black Lives Matter.’

Waarover die Guldensporenslag ten gronde ging, leg ik professor Jan Dumolyn voor als eerste vraag van ons gesprek. ‘Hij maakte deel uit van een bredere beweging, een revolutie in middeleeuwse termen. Die zien we ook in Gent, Ieper, Mechelen, Luik, Brabant, Utrecht, Duitsland, Noord-Frankrijk… Het is een van die grote opstandige golven van de middeleeuwen, die het culminatiepunt was van een stormachtige bevolkingsgroei en economische ontwikkeling in West-Europa.’

‘De kloof tussen arm en rijk in de steden was sterk gegroeid. Enerzijds was er een toename van kapitaalvorming door investeringen in de textielhandel. Anderzijds daalden de lonen, door de constante immigratie. De lonen konden de prijsstijgingen niet volgen. Dat leidde tot een eerste golf van opstanden in de steden rond 1280, met de Moerlemaaie in Brugge en de Cokerulle in Ieper, met wevers en volders in de voorhoede.’

De bevolking groeide snel, en dat was slechts mogelijk omdat de productiviteit in de landbouw toenam (zie ook kader, red.).

Steden versus boeren, rijk versus arm

‘De productieve landbouw liet snelle verstedelijking toe’, verduidelijkt Jan Dumolyn de periode waarin de Guldensporenslag zich afspeelde. ‘In 1300 leefde liefst dertig procent van de Vlaamse bevolking in steden. Dat is veel in een agrarische samenleving. Dat kon alleen omdat de boeren voldoende produceerden om naast zichzelf ook die grote stedelijke bevolking te voeden.’

‘Tussen 1050 en 1200 verwerven die steden een zekere autonomie tegenover de adel, bisschoppen en abten’, duidt Dumolyn de positie van de burgers die in opstand kwamen. ‘En in die steden zelf groeide ook een spanningsveld. De grote handelaren en grondeigenaren hadden er de macht. De grond werd almaar duurder.’

Er was ook een zeer grote migratie van arbeiders in de textielnijverheid naar die steden. De sterfte lag in die steden constant veel hoger dan het geboortecijfer. Door het gebrek aan hygiëne stierven mensen er vroeg.

Vanuit de groeiende plattelandsbevolking was er een constante instroom. Dat is eigenlijk wat je ook zag in het globale Zuiden in de twintigste eeuw, waardoor in 2007 voor het eerst de helft van de wereldbevolking in de steden woonde.

In de dertiende eeuw ontwikkelde zich een stedelijk proletariaat door de sterke instroom van arbeidskrachten. Dat bestond uit arme ambachtslieden, ongeschoolde arbeidskrachten, bedelaars, ook veel alleenstaande vrouwen. Die werkende klasse woonde dikwijls ook in aparte wijken, toen al.’


En toen kwam het jaar des Heren 1302?

Jan Dumolyn: 1302 maakt deel uit van een tweede golf opstanden waarbij de volksklassen in de steden gebruik maakten van tegenstellingen binnen de elites om meer macht te verwerven in het bestuur van de steden. Er speelde immers tegelijk een typisch feodaal conflict, tussen de koning van Frankrijk en de Graaf van Vlaanderen. Die laatste weigerde zich te onderwerpen aan de koning. Vergis u niet: die graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, sprak geen woord Nederlands.

Op dat conflict enten zich de spanningen tussen de groepen in de steden. De koning van Frankrijk zocht steun bij de handelsklasse in de steden. De volksklasse wilde eerst de graaf niet steunen, maar toen ontstond er een vreemd bondgenootschap: tussen het huis van Dampierre en Pieter De Coninck, een authentieke rebel.

Pieter De Coninck, bekend als held van de Guldensporenslag, vertegenwoordigde de mensen die het moeilijk hadden in de steden?

Jan Dumolyn: Inderdaad.

Slag van Europees belang

Speelden die werkers een militaire rol?

Jan Dumolyn: Absoluut. Wie zei ook weer dat de macht uit de loop van een kruisboog komt? Die ambachtslieden hadden eigen milities. En van de ongeveer 8000 strijders aan Vlaamse kant in de Guldensporenslag waren er 6000 leden van de Brugse ambachtsmilities, samen met Ieperlingen, boeren uit de kuststreek, wat Gentenaren en een paar honderd ridders.

Die ambachtsmilities trokken met pieken, goedendags en kruisbogen ten strijde tegen het Franse leger. Maar die Guldensporenslag kan je evenwel niet begrijpen zonder de Brugse Metten, de zogenaamde Goede-Vrijdagopstand.

Vertel!

Jan Dumolyn: Het Franse leger had eerder de stad Brugge bezet. Maar Pieter De Coninck was met zijn volgelingen in opstand gekomen en had de Fransen de stad uit gejaagd. Toen kwam er een terugval: De Coninck kreeg geen steun van Gent en verloor ook steun in Brugge, en de aanhangers van Pieter De Coninck moesten vluchten. Ze verstopten zich in de Zwinstreek en op het platteland rond Brugge.

‘Voor de Brugse ambachtslieden was het een sociale en politieke revolutie. Door de overwinning konden ze stad mee besturen.’

Het Franse leger kwam terug de stad binnen en verklaarde dat het Brugge al zijn privileges ontnam. De Bruggelingen vreesden voor executies ’s anderendaags. Ze werden bang en zochten vlug weer contact met de factie van Pieter De Coninck. Bij het ochtendgloren glipte de militie van De Coninck Brugge weer binnen. Ze doodden een honderdtal Franse ridders en soldaten en Brugse koopmannen die met de bezettende troepen collaboreerden.

Naar middeleeuwse verhoudingen is het doden van ridders door gewone burgers niet alledaags, toch?

Jan Dumolyn: Het is een revolutionaire daad. Daardoor kan men niet meer terug en wordt de volgende fase onvermijdelijk: de Guldensporenslag, de slag bij Kortrijk, die een revolutionaire veldslag is. Net zoals iets later in Schotland de slag bij Bannockburn, waarover de slechte film Braveheart is gemaakt. Dat was ook een overwinning van een infanteristenleger op een ridderleger.

Ook in Kortrijk namen de overwinnaars geen gijzelaars. Normaal gezien werden ridders gegijzeld en tegen losgeld weer vrijgelaten. Maar de Vlamingen zeiden: we doden iedereen. We maken al onze tegenstanders af. Ze gingen meedogenloos te werk.

‘Naar middeleeuwse normen was de Guldensporenslag een grote, belangrijke slag, die weergalmde door heel Europa.’

De Guldensporenslag was dus niet zomaar een klein veldslagje?

Jan Dumolyn: Naar middeleeuwse normen was dit een grote, belangrijke slag. De slag bij Kortrijk (andere benaming voor de Guldensporenslag, red.) weergalmde door heel Europa. Tientallen kroniekschrijvers schreven erover in negatieve zin. Edelen en geestelijken, schrijvers uit de elite dus, spraken er schande over.

Ze verafschuwden de gemeentenaren als terroristen. Die waren de Islamitische Staat, of misschien met een betere metafoor, de bolsjewieken van die tijd. Omdat ze tegen alle verwachtingen in een overwinning boekten tegen het beste leger van de wereld, het Franse koninklijke ridderleger.

Strijd voor meer zeggenschap

Vanwaar kwam die grote kwaadheid, die zoveel bloed deed vloeien?

Jan Dumolyn: Dat was heel simpel. Ze hadden niets te verliezen. Ze zouden zelf uitgeroeid worden als ze het niet deden. Ze moesten winnen en moesten de tegenstander uitschakelen. Anders zou de wraak enorm geweest zijn. En het lukte. Het gevolg was dat het graafschap Vlaanderen, na vele andere slagen en meanders, niet werd ingelijfd bij de Franse kroon.

Dat was het belangrijkste voor de Dampierres, al kozen die al snel weer partij voor de patriciërs. Want het bondgenootschap van de Dampierres met de ambachtslieden was tegennatuurlijk. Vanuit het standpunt van de ambachtslieden was het een sociale en politieke revolutie. Door de overwinning konden ze stad mee besturen.

Het Graafschap Vlaanderen

Het Vlaanderen van vandaag is niet hetzelfde als dat van 1302. Het was toen een graafschap dat ruwweg bestond uit Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen. De graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, viel onder het gezag van de Franse koning, maar verzette zich daartegen. Interessant detail: de Vlaamse lakenindustrie komt op dat moment sterk op, en leunt daarvoor sterk op de aanvoer van wol uit Engeland — de aartsvijand van Frankrijk.

Het waren de Bourgondische en Habsburgse vorsten die Vlaanderen, Brabant, Mechelen, Henegouwen, Luik, Namen en Luxemburg uiteindelijk verenigden onder de naam ‘Zuidelijke Nederlanden’.


1302 is dus een sociaal-politieke revolutie waarin de werkende mensen macht verwerven.

Jan Dumolyn: Inderdaad. Ze zaten nu samen met de patriciërs in de schepenbanken: ze hadden in Brugge bijvoorbeeld negen van de dertien leden.

Nu goed, er volgden nog honderden jaren strijd, waarbij men telkens probeerde hen er weer uit te gooien. Dat duurde tot Karel de Vijfde, die de macht van de ambachtslieden in 1540 definitief kortwiekte na de stroppendragersopstand. Het vreemde is dat de Gentenaren dat vieren, want het is de grootste nederlaag die ze ooit hebben opgelopen.

1302 is een sociaal-politieke opstand die resultaat heeft.

Jan Dumolyn: Daarom is 1302 een van de belangrijkste breekpunten in de volledige Europese geschiedenis, niet alleen in Vlaanderen. Het is een van de belangrijkste volksoverwinningen in de wereldgeschiedenis. Punt aan de lijn.

Waarom is dat zo belangrijk, als Keizer Karel 200 jaar later de klok weer terugdraaide?

Jan Dumolyn: In die periode stond Vlaanderen op het toppunt van zijn economische en culturele ontwikkeling. Het had grote internationale uitstraling. In dat Vlaanderen krijg je dus 200 tot 250 jaar ambachtsbestuur, maar eigenlijk ook in andere steden van het huidige België, wat historici nu de Zuidelijke Nederlanden noemen, zoals Luik en Mechelen, en ook in sommige steden van het huidige Nederland. Dat heeft een heel ander soort sociale constellatie geschapen, met een meer stedelijke cultuur, waar de adel en de Kerk minder alles in handen hebben. Dat is opmerkelijk.

Was dat een begin van een democratisering?

Jan Dumolyn: Het was maar een deel van de middenklasse die aan de macht kwam. De gewone loonarbeiders, de zogenaamde gezellen en ook de vrouwen, hadden niks te zeggen. Dat is niet echt een democratie, maar zo’n bestuur is meer participatief en meer representatief dan je op dat moment elders zag.

Kortrijk was daarbij de ultieme militaire slag die zelfvertrouwen gaf, die de vorsten deed beven. Zo is dat bij elke omwenteling in de geschiedenis: er is een moment van geweld, van wapens, anders verandert er niets. 1302 ging niet over standbeelden omvergooien, het ging echt om fysieke confrontaties. Pure macht. Ze wonnen omdat ze met meer waren, ze waren gewapend bovendien.

Als kleine warenproducenten hadden ze ook de productiemiddelen in handen. Al bleven de grote kooplui aan de top van de maatschappij — letterlijk — de lakens uitdelen.

Die werkers, kleine ondernemers en middenstanders, die 6000 Brugse militieleden: hadden zij het gevoel dat ze voor Vlaanderen vochten?

Jan Dumolyn: Daar zijn heel weinig aanwijzingen voor. Een soort Vlaanderen-gevoel, soccer nationalism, zoals we allemaal Belgen zijn als de Rode Duivels het goed doen. Maar het lokale was veel belangrijker: men was in de eerste plaats Bruggeling, Gentenaar… Daar is geen discussie over.

Deze mensen vochten vooral voor hun leven, hun positie, hun welstand, hun privileges. Robrecht van Béthune (de oudste zoon en opvolger van graaf Gwijde van Dampierre, red.) zou in 1309 alweer de kant van de patriciërs kiezen . Die graven van Vlaanderen waren gewoon Franse edellieden: zij dachten aan hun eigen belangen. Er is nog geen nationaal gevoel vóór de negentiende eeuw.

Het waren dus Franse edellieden die vochten tegen Franse koningen?

Jan Dumolyn: En de ambachten maakten daarvan gebruik om hun eigen agenda door te drukken. Zodra ze gewonnen hadden, moest de graaf hen privileges geven. De grondcijns werd afgeschaft, de belasting op de grond. Dat is in een notendop wat 1302 voorstelt.

U schat die gebeurtenis positief in?

Jan Dumolyn: Alle historici doen dat. Omdat dat element van emancipatie erin zit.

11 juli en de Vlaamse zaak

Die sociaal-emancipatorische lading lijkt niet erg aanwezig in de manier waarop de Guldensporenslag nu wordt voorgesteld.

Jan Dumolyn: In de negentiende eeuw wilde iedereen dat verhaal recupereren. Eerst en vooral schrijver Hendrik Conscience, die een belgicist was. Hij maakte er een verhaal van de onafhankelijkheid van België tegenover Frankrijk van.

‘In de vakhistorische wereld gelooft niemand dat 1302 ook maar iets met Vlaamse onafhankelijkheid te maken heeft.’

Vanaf 1860 ging ook de opkomende Vlaamse beweging de gebeurtenissen van 1302 instrumentaliseren ten bate van de Vlaamse ontvoogding. Ook de socialisten deden dat. In 1902 was er een mars in Kortrijk, waar volkshelden Jan Breydel en Pieter De Coninck als een soort vakbondsmannen werden voorgesteld. Katholieken, liberalen, allemaal hadden ze hun verhaal.

Alleen de Vlaams-nationalistische recuperatie overleefde bij het grote publiek. Maar in de vakhistorische wereld gelooft niemand dat 1302 ook maar iets met Vlaamse onafhankelijkheid te maken heeft. Je wordt uitgelachen als je zoiets zou beweren. Het is de roman van Conscience die nog altijd domineert, die dan plots Vlaams-nationalistisch is geworden in plaats van Belgisch-nationalistisch.

Vlaams-nationalisten hebben dan in 1970 van 11 juli de Vlaamse feestdag gemaakt. Maar zo’n middeleeuwse leeuw en zo’n veldslag: als je serieus bent, kan je daar anno 2020 niet veel meer mee doen. Zelfs de nationalisten gebruiken de Guldensporenslag niet veel meer, vind ik. Ik heb nog nooit geweten dat Bourgeois of Leterme echt de retoriek van 1302 gebruikte.

Omdat het dus weinig met de Vlaamse zaak te maken heeft?

Jan Dumolyn: Onder de bevolking leeft nog wel een vaag idee dat het jaar 1302 iets belangrijks is in onze Vlaamse geschiedenis.

Van de weeromstuit leeft bij grote delen van het linkse politieke spectrum een nogal irrationele afschuw van 1302. Zelfs Walter Zinzen had het in MO* in een opmerkelijk ongeïnformeerde column (in 2018, red.) over die Brugse Metten als een soort massamoord. Ik schrok dat een verstandig man als hij, niet gehinderd door enige kennis, zoiets schreef en uit het oog verloor dat dit een revolutionaire opstand was.

Natuurlijk vielen er doden. Mensen werd de keel over gesneden. Maar dat was niet omdat ze geen Nederlands spraken. ‘Schild en vriend’, dat ging niet om het betrappen op een Frans accent of niet. Het was gewoon een wachtwoord, want het was donker, zes uur ’s morgens, en je wilde weten wie je vriend en wie je vijand was.

Links nationalisme

Er wordt niet gezien dat dit een sociale revolutie was?

Jan Dumolyn: Nee. Elk jaar zie ik op 11 juli dat progressieve middens zich op sociale media afzetten tegen de gebeurtenissen in 1302, alsof die niet van belang waren. Politiek links is op dat vlak soms een beetje kinderachtig en zet zich al te vlug af tegen alles wat zogenaamd Vlaams is. Dat komt natuurlijk door de geschiedenis van de Vlaamse beweging, vooral door de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.

Hoe komt het dat er hier geen links nationalisme is, of zelfs geen begrip voor Vlaamse cultuur of identiteit? Ik word beschuldigd van nationalisme wanneer ik 1302 erken voor wat het is.

Die houding heeft iets van het zogenaamde ‘weg met ons’. Die formule is natuurlijk een rechtse karikatuur, een idee van veronderstelde zelfhaat tegen alles wat Vlaams is, tegen al onze tradities. Maar kritiek op Leopold II of op de racistische vorm die Zwarte Piet heeft gekregen, is voor mij terecht. Dat is geen zelfhaat.

Ondanks de karikatuur die rechts ervan maakt, is er wel iets van aan: alles wat Vlaams is, wordt al te vlug weggezet als kneuterig en provincialistisch. Dat is het idee van de postmoderne intelligentsia.

Natuurlijk zijn identiteiten constructies, dat is evident. Er is geen echte of voor iedereen duidelijke Vlaamse identiteit, ook al wil de VRT die nu blijkbaar promoten. Een identiteit is een proces van identificatie, ze is meerlagig. En cultuur is een dynamisch proces van voortdurende verandering van een aantal praktijken, materiële objecten, waarden en normen die onderhevig zijn aan migratie en dialoog.

Maar dat belet niet dat het politiek-strategisch dwaas is om zo neerbuigend of kleinerend te doen over die Vlaamse cultuur, wat dat ook moge zijn, en heel dat speelveld over te laten aan rechts of extreem-rechts.

Het doet me denken aan een recente reportage in Denderleeuw, waar ik vaststelde hoe het Vlaams Belang scoort bij kwetsbare mensen door zich te verbinden met carnaval. Ze leggen de hand op het “huis” waar kwetsbare mensen zich thuis voelen.

Jan Dumolyn: Op circuits van wielrennen en veldrijden en in voetbalstadia is het Vlaams Belang-discours hegemonisch. Moet links die “deplorables”, die racisten zomaar aan hen laten? Moeten we alleen opkomen voor de mensen van kleur en de jongeren in de steden?

We moeten weer aansluiting zoeken bij die groepen. Dat kan je niet als je niet zegt dat er ook waarde zit in onze eigen cultuur. En ik struikel ook over dat heel beladen woord ‘eigen’, maar je begrijpt me: de waarde van wat hier allemaal gebeurd en gegroeid is.

Welk verhaal ga je dan brengen?

Jan Dumolyn: Het echte verhaal. Neem de tentoonstelling rond Jan Van Eyck (de vijftiende-eeuwse kunstschilder, red.) waarvoor ik het historisch kader heb geschreven. Van Eyck was een hoogopgeleide ambachtsman uit het Luikse, meer bepaald uit Maaseik. Zijn broer en hij komen naar Vlaanderen, waar een dynamische economische en sociale context heerst, die gebaseerd is op uitwisseling en op internationale contacten.

Brugge heeft op dat moment een belangrijke positie in de wereldhandel, er is een constante migratie, er is de hooggeschoolde technologische vernieuwing… Vlaanderen stond op economisch en cultureel gebied effectief aan de top van de wereld in de middeleeuwen.

Er heerst tegenwoordig een verzuurde sfeer aan weerskanten van het politieke spectrum. Mensen aan de linkerkant hebben soms dezelfde essentialistische idee van identiteit als rechts. De slachtofferidentiteit, dat je moreel hoger staat als je een slachtoffer bent…Het lijkt op de ouderwetse flaminganten met hun kaakslagnationalisme.

Iedereen is nu een afstammeling van de slavernij. Om het met een boutade te zeggen: de Noord-Afrikanen wier voorouders zelf vroeger actief in de slavenhandel kunnen zijn geweest, zijn daar nu ook het slachtoffer van, zo lijkt het. Er is een soort neiging om de wereldgeschiedenis uit te leggen in termen van ‘witte schuld’. Het Westen is altijd de slechterik, en de niet-witte mensen zijn altijd de slachtoffers. Alsof andere culturen en beschavingen niet plunderden, veroverden en mensen tot slaaf maakten. Dat stoort mij een beetje aan de beeldenstorm vandaag.

U doelt op koning Leopold II, oprichter van Congo-Vrijstaat?

Jan Dumolyn: Blaas hem op met dynamiet. Ik zal op de knop duwen. Natuurlijk is het goed dat die beelden nu weg zijn, maar het gaat me om het soort discours dat er vaak rond hangt: wij, ‘de witten’, zijn fundamenteel fout geweest. Heel ons verleden is enkel iets om je voor te schamen en verontschuldigen.

Dat kun je niet maken. Als je met zo’n verhaal naar Denderleeuw gaat, haalt het Vlaams Belang nog tien procent méér. Je kan niet zeggen: onze cultuur is slecht, we moeten nu op onze knieën kruipen. ça ne marche pas.

Dekolonisering en verzuring

Heeft het zin dat de huidige bevolking zich schuldig voelt voor wat er honderd jaar geleden is gebeurd?

Jan Dumolyn: Het echte probleem is niet de rol van ‘het Westen’ in de geschiedenis, maar het imperialistische en kapitalistische systeem. Dat heeft in zijn meedogenloze accumulatie de mensen hier in de fabrieken gestoken en de mensen van het Zuiden op een gruwelijke manier onderworpen en tot slaaf gemaakt. En dat gebeurde op een veel grotere schaal en op een veel intensievere manier dan tot dan toe in de slavernij het geval was geweest.

Maar dat kapitalisme was natuurlijk ook hier aan het werk, met de proletarisering van de bevolking tijdens de negentiende eeuw. Dat had gevolgen voor de voorouders van negentig procent van de bevolking hier. Hun handen werden niet afgehakt. Maar ze zaten wel twaalf tot zestien uur per dag in de fabriek, en hun kinderen ook. Keuterboerkes leden honger op hun veld en emigreerden naar Amerika. Oké, dat was minder erg dan slavernij. Maar ze waren ook slachtoffer van een bepaalde economische en politieke orde.

Hoe ga je dan vanuit progressief oogpunt om met de verzuurde groepen in onze maatschappij vandaag?

Jan Dumolyn: In de eerste plaats feitelijk: tegenover ideologie moet je geen andere ideologie plaatsen, maar wetenschap. Een van de beste voorbeelden daarvan: de eerste politieke tekst die we in het Nederlands terugvonden, opgesteld in 1280 in Damme, de voorhaven van Brugge, tijdens de eerste golf van opstanden. Die is een eisenbundel van het volk.

‘Het universele streven naar een waardig bestaan is de factor die altijd terugkeert in de geschiedenis. Ook bij Black Lives Matter.’

De Dammenaren stelden in het document eisen aan de lokale schepenen. Die misbruikten hun macht: ze lieten kasseien leggen op de weg waar zij woonden of staken geld van openbare werken in eigen zak. Het interessantste is dat de bevolking zich uitsprak tegen consumptiebelastingen op bier en wijn. Ze vonden die niet eerlijk, want dat was een regressieve belasting, die arme mensen meer treft dan tallia’s, taksen op vermogen.

In de dertiende eeuw hadden die burgers dus al het inzicht dat btw gewone mensen zwaarder treft dan een progressieve belasting, terwijl in Terzake amper eens uitgelegd wordt wat voor verschillende soorten belastingen er zijn. In Damme, in 1280, had men al inzicht in fiscale mechanismen. Dat weet niemand. Als we over standbeelden spreken: ik zou er een maken voor die anonieme rebelse gemeentenaren van Damme.

Dat is een ander verhaal dat je brengt, een lezing van de geschiedenis van de gewone man en vrouw. History from below uit de Vlaamse middeleeuwen.

Gebeurtenissen zijn het schuim op de baren van de geschiedenis. De Guldensporenslag is een slag van ridders tegen ambachtslieden, maar wordt voortgestuwd door een puls die dieper is, de getijdenwerking van de zee.

Door het verlangen naar emancipatie?

Jan Dumolyn: Het universele streven naar emancipatie, naar een waardig bestaan, is de factor die altijd terugkeert in de geschiedenis. Black Lives Matter gaat niet alleen over George Floyd (de zwarte man die in de VS overleed door politiegeweld, red.) of ingewikkelde theorieën over wit privilege. Het gaat over een waardig leven, veilig zijn, kunnen eten, in vrijheid leven en niet vernederd worden.

Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt. Maar er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten?

Niets. Op school leerde ik niets over sociale zekerheid.

Jan Dumolyn: Ik volg Antonio Gramsci (Italiaans marxistisch filosoof en politicus, red.): je moet aansluiting zoeken bij wat echt leeft. Ik heb laatst een oude schoolvriend van dertig jaar geleden opnieuw zien staan via Facebook. Hij is een uitgesproken Vlaams Belanger, ook al komt hij uit een arbeidersmilieu. Hij verkondigt op Facebook dat al die “barbaren uit het oosten onze tradities willen vernietigen”.

Ik wil hem met al die onwetendheid toch niet meteen neerzetten als domme racist. Kunnen we deze mensen allemaal wegzetten als ‘deplorables’, zoals Hillary Clinton doet wanneer ze het over de witte Trump-stemmers heeft? Geschiedenis, cultuur, tradities, waarden: een deel van de problematiek is dat mensen een gevoel hebben dat alles aan het verdwijnen is.

Het Vlaams Belang doet hier en daar zelfs aan voedselbedeling, en geeft zo aan kwetsbare mensen mentaal én fysiek voedsel.

Jan Dumolyn: Zo doet terreurgroep IS dat ook in Brussel: ‘Kijk, ze vernederen jou, je zus mag geen hoofddoek dragen’, en tegelijk geven ze mensen een cheque. Zijn we te intellectueel om dat te zien?

Geef mij een zaal van honderd Vlaams Belang-stemmers en ik overtuig hen ook van dit verhaal. We moeten komen tot een verhaal dat de “eigen” geschiedenis juister voorstelt, met de positieve en negatieve kanten, gebaseerd op de feiten.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Het VB gaat nu trouwens ook meer en meer de sociale trom roeren. Het werpt zich op als antiglobalistische partij. De globalisering had ook hier verliezers.

Jan Dumolyn: Globalisering heeft dingen doen verdwijnen en verandert de kaders van ons leven in een snel tempo. Ik vind het niet racistisch als de oudere generatie treurt dat alles wat ze kende verdwijnt. En dan komt het Vlaams Belang langs, dat als een rattenvanger die op die emoties inspeelt.

Als je dat niet wil zien en keihard actie wil voeren tegen Zwarte Piet, hoewel die figuur effectief in de negentiende eeuw een koloniaal en racistische uiterlijk heeft gekregen, doe maar. Maar die culture wars kan links op termijn niet winnen, vrees ik.

‘Het komt niet door “de islam” of “de vluchteling” dat we vervreemden van onze vertrouwde cultuur, maar door de logica van het grote geld.’

Macdonaldisering

Je vindt het Belang niet geloofwaardig als antiglobalistische partij?

Jan Dumolyn: Extreem-rechts is helemaal niet antiglobalistisch, integendeel. Het steunt consequent de meest neoliberale economische maatregelen. Waarom kunnen ze zich zo voordoen? Misschien komen we met deze vraag tot de kern van de zaak.

‘Neoliberale globalisering’ betekent op economisch vlak: deregulering van de financiële markten, privatisering van de overheid, flexibilisering van de arbeidsmarkt, steeds meer macht voor de financiële sector en de grote multinationals.

Op cultureel niveau is het gevolg een soort ‘macdonaldisering’: overal dezelfde grote winkelketens. Alle winkelstraten zien er hetzelfde uit. De grote internetbedrijven als Amazon en Bol.com hebben steeds meer impact, net als de zogenaamde platformeconomie met Uber en Airbnb, wat in feite gewoon goedkope arbeid is. Kleine handelszaken en café’s verdwijnen, waardoor elk lokaal en traditioneel kader van de vertrouwde leefomgeving wordt aangetast. En de toeristische sector is gericht op platte consumptie. Het komt niet door “de islam” of “de vluchteling” dat we vervreemden van onze vertrouwde cultuur, maar door de logica van het grote geld.

Mensen gaan zich vastklampen aan een aantal elementen die zij als deel van hun identiteit zien, vaak op een artificiële manier, en daar spelen racistische en xenofobe krachten gemakkelijk op in. Hoe kunnen progressieven daar adequaat op reageren, om die verrechtsing op cultureel vlak te stoppen? Dat is niet door zelf enkel het neoliberale kosmopolitisme te huldigen.

Wat stel je dan voor?

Jan Dumolyn: Een pragmatische strategie, waarbij we de eigen geschiedenis, waarden, identiteit tussen aanhalingstekens, cultuur, positiever invullen, naast de noodzakelijke kritiek op de eigen geschiedenis. Wat is er goed geweest? Waar mogen we zelfs trots op zijn? Al besef ik dat trots zijn op Jan Van Eyck lijkt op trots zijn op Club Brugge: je hebt er zelf geen verdienste aan.

Mensen zijn het meest geïnteresseerd in lokale geschiedenis, in eigen dorp, die eigen kerk. Weet je dat ik over middeleeuws Brugge soms lezingen voor zeshonderd mensen geef voor oudere mensen? Je kan dat gebruiken om de juiste inzichten in onze geschiedenis te geven. Dat zou de ideale Vlaamse canon zijn. Een wij mag bestaan.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur