Literatuur biedt de vrijheid waarvan we in het leven leren

Schrijver Sulaiman Addonia: ‘Niet wat hoort is belangrijk, maar wat kan’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Sulaiman Addonia aan de vijvers van Elsene, de plek waar hij in de stilte en duisternis van nachtelijke wandelingen zijn personages ontwikkelde

Met de roman Stilte is mijn moedertaal breekt Sulaiman Addonia onze verbeelding over het leven in vluchtelingenkampen open. Gie Goris trok met de auteur naar de donkere kamer waar hij zijn personages ontwikkelde: de vijvers van Elsene. Een interview over spreken met stilte, seks als spiritualiteit, vluchtelingen en tradities. ‘Met elke nieuwe geliefde worden we opnieuw maagd.’

We spreken af op het terras van Café Belga, Flageyplein. Voor een buitensteedse barbaar als ik is dat een gekende en vertrouwde plek. Sulaiman Addonia prefereert Le Pitch Pin, het volkse café aan de overkant van het plein, zegt hij na een tijdje. Dat café werd zijn pleisterplaats nadat Belga overschakelde op een ander merk koffie dan het vertrouwde en gewaardeerde merk van daarvoor.

‘Een liefhebber van koffie begrijpt niet waarom zo’n beslissing genomen wordt’, schudt Addonia het hoofd. Ik laat me graag de weg wijzen naar de fijnere smaak van het leven. Alleen al daarom hebben we nieuwe Belgen en Brusselaars nodig.

We ontmoeten elkaar hier omdat zijn roman Stilte is mijn moedertaal in de straten, pleinen en parken van deze buurt geboren werd. We beginnen bij koffie en de Portugese dichter Fernando Pessoa, en praten over Brussel en taal, gender en seks, vluchtelingen en tradities.

De nacht maakt de verbeelding zichtbaar

‘Ik kan elke avond, week in week uit, maand na maand en jarenlang dezelfde wandeling maken’, zegt Addonia. ‘Eerst vond ik Brussel lelijk en verschrikkelijk. Dan zie je de details die Brussel bijzonder maken, en na een tijdje worden de gebouwen, straten en struiken zo vertrouwd, dat ze tot je spreken. Ze werden personages die ik opzocht en ik merkte en voelde hoe ze veranderden.’

Sulaiman Addonia is een nachtwandelaar. Dat begon toen hij als jongen in Jedda woonde. ‘Saoedi-Arabië is een land waar het racisme en de xenofobie open en bloot beleden worden. Meteen nadat ik daar toekwam vanuit het vluchtelingenkamp in Soedan werd mij duidelijk gemaakt dat ik geen illusies moest koesteren: als zwarte Afrikaan zou ik altijd tweederangsinwoner blijven. Punt. Dat gevoel wandelden mijn broer en ik van ons af als de avond gevallen was. Wellicht omdat de duisternis van de nacht ons de illusie gaf dat ons tweederangsstatuut minder zichtbaar was.’

In Londen werd dat wandelen verkennen, en in Brussel transformeerde het in iets veel diepers. ‘Bij de verhuis naar Brussel had ik niet enkel een koffer vol spullen bij, maar ook een boek dat nog geschreven moest worden. Ik wou dat verhaal en zijn personages niet opnieuw onderwerpen aan de veronderstelde smaak of bevattingsvermogens van lezers, zoals uitgevers of redacteuren die menen te kennen. De personages moesten zichzelf vormgeven, maar dat was veel moeilijker dan gedacht.’

Uiteindelijk bleek nachtelijk Brussel te functioneren als een soort donkere kamer: de beelden die de schrijver in zijn hoofd had, werden in de stedelijke duisternis van Elsene ontwikkeld. Ze kregen duidelijke contouren, karakters, geschiedenissen en meningen.

Als Sulaiman Addonia aan zijn ommegang door Brussel begint, dan passeert hij eerst aan het peinzende hoofd van de dichter Fernando Pessoa, op een uithoek van het Flageyplein. ‘Mijn vaderland is de Portugese taal’, staat er onder het imposante beeld. Voor Addonia zou dat eigenlijk moeten zijn: ‘Mijn thuis is taal, in meervoud.’

Van Pessoa gaat het over de stenen vlakte van Flagey richting de vijvers van Elsene. Langs het afgezoomde groen en de bruisende fonteinen staan zitbanken die zeker voor de nachtelijke wandelaar ruimte bieden voor dromen en reflectie.

‘Het vluchtelingenkamp compenseren, dat hoef ik al lang niet meer.’

Deze plek is in zowat alles het tegengestelde van het Soedanese vluchtelingenkamp waar Addonia zijn kinderjaren doorbracht en waar ook Stilte is mijn moedertaal zich afspeelt: volop water, een groene omgeving midden een welvarende stad, flaneurs die het genoegen van een vrij uurtje savoureren of die op weg zijn naar een van de cafés of restaurants in de buurt.

Zoekt hij dat soort plekken op om het stof van het vluchtelingenkamp uit zijn hart en hersenen te blazen? ‘Neen’, antwoordt hij. ‘Dat vluchtelingenkamp lag al zo ver achter me, dat ik het op papier moest herbouwen eer ik er mijn personages in kon laten wonen. Tegelijk verraste het me hoe makkelijk ik me de architectuur van het kamp nog voor de geest kon halen. Ik heb een visueel geheugen en ben eerder gevormd door cinema dan door literatuur, zeker in de tijd. Maar het kamp compenseren, dat hoef ik al lang niet meer.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Een universum van talen

Het is licht en zonnig in de donkere kamer van Sulaiman Addonia als we ons eind augustus op een van de zitbanken zetten. Achter ons passeert de Babelse spraakverwarring die Brussel zo typeert: luidruchtige Nederlanders, zacht pratende Arabieren, een zingende Congolees, een Franstalig gezin met een ongehoorzame hond.

‘De maatschappij waarin zij leefden, bracht elk kind tot zwijgen.’

Stilte is mijn moedertaal is een boek dat zeker over taal gaat. Saba, het vrouwelijke hoofdpersonage, vraagt zich op een bepaald moment af hoe het vluchtelingenkamp iemand van zijn taal berooft, ‘alsof het vlees aan botten betrof. Ze zag voor zich hoe haar woorden leegbloedden, ieders woorden. Er is niemand die leeft zonder taal’.

Dat is een opmerkelijke zin, want het mannelijke hoofdpersonage, Saba’s broer Hagos, is stom. Maar, denkt Saba op een ander moment, ‘Hagos is niet stom. De wereld is er niet klaar voor om hem te horen’. En nog verder: ‘Hagos was dan misschien wel stom geboren, maar de maatschappij waarin zij leefden, bracht elk kind tot zwijgen.’

Stilte wordt een taal en taal wordt leeg, in de extreme omstandigheden van een kamp, zeg ik. ‘Niet alleen daar’, reageert Addonia. ‘De individualitet van kinderen wordt in elke samenleving, in elke traditie tot zwijgen gebracht.’

‘En tegelijk is alles taal’, voegt hij toe: ‘Muziek is een taal op zich. En het borrelende water van de vijver voor ons is een taal die ik beluister en probeer te begrijpen.’

Aan het eind van Stilte is mijn moedertaal staat er, in hoofdletters alsof het een woedende boodschap op Twitter betreft: ‘Als je als volwassene een taal leert, zijn woorden als scheermessen op je tong. De zinnen die je uitspreekt zijn dermate verminkt dat ze uit elkaar vallen als ze je mond verlaten.’

Dat is een kernachtige samenvatting van een essay dat we ook in MO* publiceerden en waarin Sulaiman Addonia bovendien zegt dat elke nieuwe taal een trauma is, onder andere omdat ze de vorige taal, met al haar herinneringen, verdringt. Toch besliste hij om – na jarenlang verzet – Nederlands te gaan leren.

‘Ik leer Nederlands als iemand met hoogtevrees die besluit een berg te beklimmen.’

Sulaiman Addonia: ‘Ik wou mijn angst voor de nieuwe taal, die me in dit land omringt, eindelijk recht in de ogen kijken. Een beetje als iemand met hoogtevrees die besluit een berg te beklimmen. Ik ben niet zeker dat het lukt, maar ik wil het echt geprobeerd hebben. Het heeft er ook mee te maken dat ik me stilaan een echte Bruxellois ben beginnen voelen. Ik heb mijn steentje – mijn kunst – bijgedragen aan deze stad en dus ben ik er deel van geworden. Het was geen coup de foudre, maar een trage en stille liefde. Een nieuwe, ingewikkelde verhouding.’

Addonia zei ooit dat hij zich Londenaar voelde de dag dat hij er als minderjarige asielzoeker toekwam. Waarom had hij dan meer dan tien jaar nodig om van Brussel of België te beginnen houden? Wat is er zo moeilijk aan deze plek?

‘Het had minder met Brussel te maken en meer met mezelf’, zegt hij. ‘Brussel was de verhuizing teveel. Ik was al onderweg sinds ik anderhalf was: van thuis naar het kamp in Soedan, verder naar Jedda in Saoedi-Arabië en dan samen met mijn broer naar Londen. Ik was het moe. En dan was er dat boek dat geschreven wou worden. Daarvoor moest ik een hele tijd uit de rij van het leven stappen. Ik migreerde op dat moment minder naar Brussel dan naar de verbeelde plek in mijn hoofd waar een verhaal vorm moest krijgen.’

‘Het boek herschreef mij’

Op zowat elke vraag over de personages van Stilte is mijn moedertaal – Saba, Hagos, de vroedvrouw, de rechter, de zakenman, de voyeur, de prostituee, de grootmoeder – blijft Sulaiman Addonia het antwoord minstens half schuldig. ‘Ik heb hen niet gewild of vormgegeven naar mijn voorkeur of om mijn verhaal te dienen. Ze hebben zichzelf geschreven.’ Dat klinkt heel literair, maar hoe doe je dat dan?

De belangrijkste stap, zegt Addonia, was het opschorten van zijn eigen oordeel. En hij geeft het voorbeeld van Jamal, de man die een cinema bouwt in het vluchtelingenkamp, met midden in het laken een gat waardoor hij Saba kan begluren. ‘Ik moest loskomen van mijn afkeer om hem de ruimte te geven zichzelf te worden.’

Hagos was makkelijker, die werd in de donkere kamer van de Elsense straten ontwikkeld met alles erop en eraan: zijn spraakhandicap, zijn vrouwelijke trekken, zijn eigen seksualiteit. Hagos is geen metafoor, zegt Addonia. Hij is. ‘Uiteindelijk gaat het er voor een auteur om toe te laten dat je schrijft vanuit je onderbewustzijn, niet vanuit je maatschappelijk gevormde bewustzijn. Niet wat hoort is belangrijk, maar wat kan.’

Dat is duidelijk het adagium van de personages die Addonia’s vluchtelingenkamp bevolken. Zeker Saba en Hagos breken uit de genderverwachtingen, -beperkingen en -geboden die de traditie hen oplegt. De vloeibaarheid en onvatbaarheid van gender en seksualiteit is vandaag de rigeur in kosmopolitische romans, maar onverwacht als het verhaal zich afspeelt in een Afrikaans vluchtelingenkamp. Borrelt hier de visie van de wereldwijze schrijver naar boven of toont het verhaal toch een realiteit die we gewoon niet kennen?

‘Als we de westerse bril afzetten, zien we meer.’

‘Eerder het tweede’, antwoordt Addonia. ‘Het is de complexe realiteit van mensen, en die is niet anders in Brussel, Jedda of een vluchtelingenkamp in het barre binnenland van Soedan. Natuurlijk zijn er mensen met een vloeibare seksualiteit in een vluchtelingenkamp. Of feministen, zoals mijn grootmoeder. Alleen benoemen ze die gevoelens of levenshoudingen niet of anders dan hier in het Westen, en misschien maakt dat het zo moeilijk hen te herkennen. Als we de westerse bril afzetten, zien we meer.’

Als Sulaiman Addonia zijn eigen oordelen moest opschorten om zijn personages hun vrijheid te gunnen, hoe gaat hij dan in het dagelijkse leven om met mensen die zich niet houden aan wat normaal heet?

‘Ik schreef het boek, maar het boek herschreef mij’, antwoordt hij. ‘Om mij in te leven in de verschillende personages, moest ik hun vrijheid aanvaarden. Die inspanning maakte het daarna makkelijker om ook buiten mijn verbeelding, in de stad of waar ik kwam, mensen te aanvaarden in hun koppige eigenheid. Los van de normen, vooroordelen en verwachtingen die ik zelf natuurlijk ook in mij draag. Ik ben een vrijere mens geworden.’

Let’s talk about sex

Als het gevecht tegen traditie – volgens Saba ‘de derde religie in het vluchtelingenkamp’ – en genderrollen het centrale thema is van Stilte is mijn moedertaal, dan is seks de motor van het verhaal. Addonia stelt zich heel terughoudend op in de beschrijving van seks, maar toch is elk personage, elke plek en bijna elke ontwikkeling in het verhaal gedrenkt in seksueel verlangen. Waarom?

‘Ik kon twee personages die met elkaar naar bed wilden gaan toch niet tegenhouden met het argument dat de lezer dat niet verwacht in een vluchtelingenkamp?’

‘Waarom niet?’ vraagt hij. ‘Omdat het verhaal zich afspeelt in een Afrikaans vluchtelingenkamp? Ik kon twee personages die met elkaar naar bed wilden gaan toch niet tegenhouden met het argument dat de lezer dat niet verwacht in een vluchtelingenkamp?’

Sulaiman Addonia: ‘De meeste verhalen over Afrika zijn gehuld in Grote Thema’s: oorlog, corruptie, uitbuiting, koloniale onderdrukking. Ik heb de Afrikaanse personages uitgekleed, laag na laag van die grote thema’s ontdaan, tot ik op hun naakte lichaam uitkwam. Het resultaat is een verhaal dat rond intimiteit draait. De mens, zijn of haar lichaam, de eigen dromen en beleving van seksualiteit, liefde en intimiteit. De gewone mens, ergens in een huis of een hut.’

‘Niemand is maar één keer maagd’, zegt de grootmoeder in de roman, terwijl ze vertelt hoe ze haar man nachtenlang haar lichaam liet ontdekken in plaats van toe te staan dat hij haar op de huwelijksnacht meteen zou “bespringen”.

En ze gaat verder: ‘Met elke nieuwe geliefde worden we opnieuw maagd. Want je bedrijft de liefde niet met een gat maar met een lichaam, een geest en een hart.’ Zoals de betekenis van taal transformeerde, zo veranderde seks voor Addonia tijdens het schrijven. Van de reductie tot penetratie tot een scala aan aanrakingen of fantasieën, en zelfs tot een spirituele ervaring.

Sulaiman Addonia verwijst naar de scene waarin Saba naar Jamal in zijn cinema gaat, ‘om zijn fantasie waar te maken, omdat die ook de hare was’. De intimiteit van die ontmoeting wordt op één pagina met zoveel poëtische tederheid omschreven, dat je als lezer begrijpt wat hij bedoelt met de verschuiving naar een spirituele ervaring. In Jamals woorden: ‘Saba ging anders zitten, spreidde haar kaart van liefde over me heen. Dit is onze tijd, zei ze. Dit is mijn tijd.’

Een glazen plafond

Het leven (in het vluchtelingenkamp) hangt echter niet aan elkaar van hoogtepunten of diepte-ervaringen, maar van banaliteit en verveling. ‘We kwamen allemaal als mensen aan in dit kamp, maar slechts enkelen van ons zullen het zo verlaten’, bedenkt Saba zich, net voor ze vertrekt. Als ik Addonia vraag hoe en op welke manier een vluchtelingenkamp, of ruimer: de ervaring van vluchten, mensen ontmenselijkt, twijfelt hij.

Het is een reflectie van Saba, niet per se de ervaring van de schrijver. Integendeel bijna: ‘Mensen hebben altijd de mogelijkheid om te worden wie ze willen zijn. Toen ik het verhaal begon te schrijven, zag ik het kamp zelfs als een soort kans om helemaal opnieuw te beginnen, zonder het ballast van geschiedenis en traditie.’

‘Er is een eindeloze hoeveelheid tijd, waardoor die alle waarde verliest. En er is traditie als enige baken om goed en kwaad te onderscheiden.’

Misschien, opper ik, is iemand die alles moet achterlaten ook iemand die de bagage mist die je nodig hebt om jezelf helemaal opnieuw te verbeelden?

Dat klopt, zegt hij. ‘De realiteit is inderdaad dat al die berooide families maar twee zaken lijken over te houden. Er is een eindeloze hoeveelheid tijd, waardoor die alle waarde verliest. En er is traditie als enige baken om goed en kwaad te onderscheiden.’ Die uitgesproken patriarchale traditie wordt in de roman belichaamd door een man en een vrouw, de rechter en de vroedvrouw.

In die traditie, stelt Saba vast, worden vrouwen enerzijds op een voetstuk geplaatst en wordt anderzijds van hen onzichtbaarheid verwacht. Is dat misschien de ervaring van elke groep die niet in het centrum van de macht staat? Dat ze getolereerd wordt zolang ze zich aan de voorgeschreven verwachtingen houdt en niet al te nadrukkelijk zichtbaarheid of zelfbeschikking eist?

‘Inderdaad’, reageert Sulaiman Addonia. ‘Zelfs in Londen, waar je de uitdrukkelijke belofte krijgt dat je als migrant volwaardig burger kunt worden – iets waarvoor ik enorm dankbaar ben – stoot je op een bepaald moment toch op grenzen. Het glazen plafond bestaat, niet alleen voor vrouwen, maar ook voor wie zwart is. “Tot hier, en niet verder”: wat in een land als Saoedi-Arabië onwrikbare wet is, duikt ook elders op als impliciete drempel.’

Het is tegen die beperkende normen dat Hagos en Saba vechten. Ze verwerpen de zekerheid die de traditie biedt en begeven zich daardoor op een reis vol onzekerheid en onvoorspelbaarheid.

Kunnen mensen wel overleven zonder zich vast te houden aan de waarden die overgeleverd zijn door vorige generaties, vraag ik. ‘Ze proberen’, besluit Sulaiman Addonia.

“Stilte is mijn moedertaal” van Sulaiman Addonia is uitgegeven door Uitgeverij Jurgen Maas. 272 blzn. ISBN 978 94 91921 88 9

Op 10 september wordt “Stilte is mijn moedertaal” voorgesteld in Passa Porta. Gie Goris gaat in gesprek met Sulaiman Addonia, Annelies Verbeke en Ubah Cristina Ali Farah.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur