Dossier: 

'Voedselverspilling is nog steeds lonend'

MO* sprak met Hilke Bos-Brouwers, die aan de Universiteit van Wageningen al jaren onderzoek doet naar de mogelijkheden van een duurzame voedselketen. Een hoopvol gesprek over lelijke groenten, melk uit de fabriek en een gedeelde verantwoordelijkheid.

Sorry is niet genoeg. Met die boodschap trapte 11.11.11 in september van dit jaar haar campagne tegen voedselverspilling op gang. Zowel in het Vlaamse als het federale regeerakkoord wordt het tegengaan van voedselverlies inmiddels als een belangrijke doelstelling naar voren geschoven.
Om een beter beeld te hebben van de omvang en de thematiek uitgebreid in kaart te brengen, organiseerde ook de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling zijn jaarforum over het thema. Centrale gast op dat forum was dr. Hilke Bos-Brouwers.

Uit cijfers blijkt dat een derde van alle voedsel wereldwijd verloren gaat. Per jaar gaat het om zo’n 1,3 miljard ton, terwijl een op negen van de wereldbevolking structureel honger lijdt. Tijd om daar iets aan te veranderen. Dat vindt ook dr. Hilke Bos-Brouwers, verbonden aan Wageningen University and Research Centre in Nederland. Als specialiste inzake duurzame en innovatieve voedselketens vertelt ze aan MO* wat beter kan.

Volgens cijfers is in het Westen de consument de grootste verantwoordelijke voor voedselverspilling. Moeten we dan vooral in eigen boezem kijken?

Hilke Bos-Brouwers: Wanneer je het in sectoren bekijkt, zie je inderdaad dat de consumenten en verwerkers het grootste aandeel hebben. Daar komt voedselverspilling het meest voor. Maar de oorzaak ligt lang niet alleen daar. De hoeveelheid toont natuurlijk wel aan dat er iets aan moet gedaan worden. Maar je moet absoluut de ketenpartners erbij betrekken.

Als bijvoorbeeld bij de consument de houdbaarheidsdatum een probleem is, moet je daar met een aantal actoren mee aan de slag. Enerzijds moet het begrip over de datum kloppen. Veel mensen weten niet wat die datum betekent. Maar je kan ook met de voedselketen bespreken welke kwaliteitsgarantie er gekoppeld is aan de houdbaarheidsdatum en waar zo’n datum niet hoeft.

Adam Lederer (CC BY-NC-SA.0)

 

Zijn wij consumenten dan zo hardleers?

Hilke Bos-Brouwers: Mensen hechten heel veel hard aan keuzevrijheid. Als je met het voedsel enkel zou focussen op het voorkomen van verspilling, zou iedereen afgepaste eenpersoonsblikjes groenten moeten eten. Want die zijn bijna oneindig houdbaar en je kan er alles instoppen. Hoe lelijk of klein de groente ook was. Maar zie jij het voor je dat je dag in dag uit je eenpersoonsblikje opentrekt? Voedsel is een beleving!

Er is niet één hoofdschuldige.

Je moet dus gaan nadenken over welke marktmechanismen je gaat aanspreken en welke wettelijke randvoorwaarden je moet maken om mensen zoveel mogelijk in een efficiënte richting te sturen. Dat is een mix van maatregelen. Als één partij beweegt, gaat het niet werken. Er is niet één hoofdschuldige. Diegene die een inspanning levert zou eigenlijk moeite moeten doen om de rest mee te krijgen, in plaats van enkel zijn eigen gedrag aan te passen. Dan kom je al een heel eind.

Zijn we in die richting aan het bewegen?

Hilke Bos-Brouwers: Dat is een goede vraag. Als je puur naar de cijfers kijkt, gebeurt er weinig. Blijkbaar is het nog voldoende lonend om te verspillen. Het is een dooddoener, maar helaas ook de waarheid. Blijkbaar zijn de huidige systemen, marktmechanismen en afvalmechanismen zodanig ingericht dat het goedkoper is om afval te verbranden dan om het hoger te verwaarden. Dat zijn dingen waar eigenlijk nog te weinig beweging in is.

Mensen en organisaties vinden verandering moeilijk.  Langetermijninvesteringen leveren immers niet altijd meteen zichtbare voordelen op. Je moet daarom de juiste balans vinden tussen enerzijds creatieve en kleinschalige voorbeelden die laten zien: ‘Jongens, het kan wel!’ En anderzijds moet je je bewegen buiten de kring van bestaande spelers. Dan komt er een omslagpunt waarbij die kleine voorbeelden de maat gaan bepalen.

epSos.de (CC BY 2.0)

 

We betalen te weinig voor ons voedsel. Kan een eerlijke voedselprijs verspilling tegengaan?

Hilke Bos-Brouwers: De prijs van voedsel heeft voor mij geen eenduidige invloed op de waarde van voedsel. Die waarde heeft niet alleen met het aankoopbedrag te maken, maar evengoed met je eetcultuur. Hoe is je betrokkenheid tot het voedsel? Het heeft dus eerder te maken met de afstand tot ons eten. Niemand produceert vandaag nog zijn eigen voedsel. Er zijn genoeg kinderen die denken dat melk uit de fabriek komt. Het heeft meer daar mee te maken.

Is het moeilijk de huidige eetcultuur zo te oriënteren dat die rekening gaat houden met voedselverspilling?

Hilke Bos-Brouwers: Dat is niet makkelijk. Maar aan de andere kant moeten we ook concluderen dat de eetcultuur zoals we die vandaag kennen, nog niet zo lang bestaat. Het is sinds de jaren ’80-’90 dat we zijn gaan eten zoals we nu eten. En eigenlijk eten we de laatste tien jaar weer helemaal anders dan de tien jaar daarvoor. Je merkt vandaag een verschuiving naar meer authentiek, seizoensgebonden en duurzaam eten.

Werd er vroeger minder verspild? 

Er is helemaal geen hongerprobleem; er is een verdeelprobleem.

Hilke Bos-Brouwers: Ik betwijfel het. Verspilling is van alle tijden. Om er zeker van te zijn dat je genoeg eten hebt, moet je altijd teveel produceren. Niemand koopt ook precies naar behoefte. Want je weet ook van tevoren niet altijd wat de behoefte is en of je voldoende overhoudt om die behoefte te vervullen. Dat zal ook altijd zo blijven.

Dus het gaat erom dat je daar steeds efficiënter in wordt en de verdeling goed in de gaten houdt. Want er is helemaal geen hongerprobleem; er is een verdeelprobleem. Het is belangrijk dat we een betere terugkoppeling gaan organiseren tussen plekken waar een voedseloverschot is en de productieplaatsen. Maar ons voedselsysteem is zo mondiaal ingericht, dat we daar produceren en hier weggooien zonder dat er een terugkoppeling aan vasthangt.

Stephen Rees (CC BY-NC-ND 2.0)

 

Heeft de mondialisering de verspilling niet in de hand gewerkt dan?

Hilke Bos-Brouwers: Ik vind mondialisering niet per se negatief. Maar wat jammer is, is dat vooral in het Zuiden de afstemming tussen de eisen van de afnemer en wat gebeurt met de niet-verkochte producten, spaak loopt. Een koper mag uiteraard een zekere kwaliteit eisen. Er moeten echter ook voldoende voorzieningen zijn om iets te doen met de overschotten die niet verkocht worden zodat overproductie kan worden opgevangen, met aandacht voor de lokale marktbehoefte.

In het Zuiden loopt de afstemming tussen de eisen van de afnemer en wat gebeurt met de niet-verkochte producten spaak.

Er moet een mechanisme komen waarbij diegene die koopt of verkoopt voor de export, mee moet bouwen aan de integraliteit van het hele productiesysteem. Zij moeten mee investeren in voorzieningen. Maar vaak ontbreekt het hen aan de prikkel om dit te doen. Daarom moet veel meer naar nationale en lokale overheden en coöperaties van boeren worden gekeken.

Een efficiëntere productie leidt dus niet meteen tot minder voedselverspilling?

Hilke Bos-Brouwers: Dat is moeilijk te zeggen. Als je puur kijkt op technologisch vlak, weten we steeds meer te verwaarden en worden we daar steeds beter in. Maar er zit vaak wel een mismatch in de planning en hoeveelheden. Dat is lastiger te controleren, want je werkt met een natuurproduct. Jij kunt niet met zekerheid zeggen of sturen hoeveel ton er van één hectare aardappelen moet afkomen. Dat is variabel, dus zit je met pieken en dalen.

Die variatie maakt ook natuurlijk dat je nooit én ideaal kan produceren, én ideaal kan verwerken, én ideaal kan consumeren. Daar komt nog bij dat niemand tekort wil hebben. Dus dat ga je niet oplossen. De vraag is dan: wat doe je met je pieken en wat doe je met je reststroom? Hoe ga je die inzetten?

Green Energy Futures (CC BY-NC-SA 2.0)

 

Hoe staat u tegenover voedselresten die worden gebruikt voor energieproductie?

Hilke Bos-Brouwers: Biovergisting is goed, maar het wordt problematisch wanneer je het effect hebt bewerkstelligd dat, omdat het beleid zegt dat bio-energie gemaakt van voedselresten een goed idee is, een groter deel van de reststroom daarheen moet gaan en je zelfs extra voedsel daar naartoe stuurt. Het zou veel meer een flexibel in te zetten mechanisme moeten zijn dat op verzoek, wanneer alle andere opties zijn uitgeput, ingezet kan worden. Het is niet de oplossing voor de voedselresten, het is bijna het schaamlapje voor het mislukken van preventie.

Vandaag wordt één derde van het geproduceerde voedsel verspild. Hoe ver kunnen we deze aantallen in de toekomst terugdringen?

Hilke Bos-Brouwers: Ik denk dat je er toch vrij eenvoudig 30 tot 50 procent kan afhalen. Daar hoeven we geen nieuwe uitvindingen voor te doen maar wel toepassen wat we al weten. Dat is soms lastiger.

Als je creatieve, nieuwe ideeën hebt, zijn die percentages meestal in korte tijd binnen handbereik. Zoals bijvoorbeeld bij onze FoodBattle. Maar dan moet dat worden toegepast op ruimere schaal en dat is moeilijker.

Het is ook belangrijk dat we voor dat deel dat we niet kunnen oplossen een goede bestemming hebben.

Ik denk ook dat meetellen en bijhouden ook in bedrijvencontext werkt. Van zodra men echt over goede informatie beschikt over zijn operaties, zie je eigenlijk dat elk bedrijf in staat is om daar verbetering in aan te brengen. Heel vaak is het gewoon onwetendheid en geen onwil.

Maar de overige 15 procent valt niet weg te werken?

Hilke Bos-Brouwers: Ik weet niet of je je daar erg op moet vastzetten. Je zit met de risicofactor en de bekommernis dat er genoeg voedsel moet zijn. Dus ik denk niet dat we naar nul zullen kunnen gaan. Het is ook belangrijk dat we voor dat deel dat we niet kunnen oplossen een goede bestemming hebben. Dan kunnen we er nog een beetje vrede mee nemen.

epSos.de (CC BY 2.0)

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift