Oost-Aziaten scoren best op internationale onderwijstests

“Gesubsidieerde apartheid” bemoeilijkt aanpak achteruitgang Vlaamse schoolprestaties

Mediawijzer.net (CC BY-NC-ND 2.0)

De prestaties van de Vlaamse leerlingen zijn de voorbije vijftien jaren achteruitgegaan, zowel op het gebied van leesvaardigheid als van wetenschappelijke en wiskundige geletterdheid.

Het jongste PISA-onderzoek van internationale scholierenevaluatie in 79 landen, dat vandaag wordt voorgesteld, leert ons dat de prestaties van de Vlaamse leerlingen de voorbije vijftien jaren zijn achteruitgegaan. En dat zowel op het gebied van leesvaardigheid als van wetenschappelijke en wiskundige geletterdheid.

Dat belet niet dat Vlaanderen voor wiskunde de beste resultaten haalt van alle westerse landen, samen met Estland en Nederland. De Volksrepubliek China-BSZJ (Beijing, Shanghai en twee kustprovincies Zhejiang en Jiangsu), Singapore, Taiwan en Japan scoren wel beduidend hoger.

Ook voor wetenschappelijke geletterdheid moet Vlaanderen onder de westerse landen alleen Estland, Finland en Canada laten voorgaan.

De school, het onderwijs, de leerkrachten worden veel meer gewaardeerd in Oost-Aziatische samenlevingen

Voor leesvaardigheid scoren ook Polen en Ierland beter. Ook in die twee laatste gebieden scoren de al genoemde Oost-Aziatische landen beter, telkens met China-BSZJ bovenaan.

Martin Valcke, professor onderwijskunde aan de UGent, heeft nogal wat ervaring in Oost-Azië. Hij wijst erop dat de school, het onderwijs, de leerkrachten veel meer gewaardeerd worden in die samenlevingen. ‘Vergelijken met andere landen blijft een moeilijke zaak. Maar zeker is dat de houding van de ouders in Oost-Azië heel anders is dan bij ons. Ze staan aan de kant van de school als het gaat om taken en om huiswerk. Er wordt ook veel meer buiten de school gewerkt aan de prestaties. Bij ons wil men vooral dat leerlingen zich goed voelen en zich amuseren. Maar onderwijs gaat niet alleen om plezier, maar ook doorzetten. Bloed, zweet en tranen.’

Taal, leerkrachtbegeleiding en rechtvaardigheid

In de cijfers valt ook op dat Vlaanderen doorgaans meer toppresteerders heeft dan het gemiddelde van de rijke OESO-landen: de hoogste proportie toppresteerders van alle Europese landen als het gaat om wiskunde.

Maar Vlaanderen heeft steevast ook meer laagpresteerders heeft dan het OESO-gemiddelde. Professor Valcke: ‘De achteruitgang situeert zich in een steeds breder deel van het Vlaamse onderwijs. Vroeger was het enkel in het beroeps- en technisch onderwijs, nu ook in het algemeen onderwijs. Je kan dit dus niet aanpakken door je enkel te concentreren op de toppresteerders. Het moet een brede inspanning zijn die de proportie laagpresteerders vermindert. Anders krijg je dat gemiddelde niet omhoog.’

‘Je kan dit niet aanpakken door je enkel te concentreren op de toppresteerders. Het moet een brede inspanning zijn die de proportie laagpresteerders vermindert’

Valcke is er, samen met onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) en OESO-onderwijsexpert Dirk Van Damme, van overtuigd dat betere taalkennis en dus beter taalonderricht cruciaal zijn. Valcke: ‘Een migratiebeleid en een onderwijsbeleid dat 200 procen inzet op taal (dus Nederlands in Vlaanderen) zal over tien jaar een effect hebben. Maar dan moeten we een tandje bijsteken. Taal is de smeerolie van ons cognitief systeem. Ik vind dat we ook de taalontwikkeling moeten stimuleren bij de ouders. We springen daar te nonchalant mee om.’

Minister Weyts verwijst ook naar de aangescherpte eindtermen en eengemaakte proeven, die in kaart brengen waar leerlingen staan. Valcke legt uit wat er nodig is om die hogere eindtermen ook te halen: ‘We moeten al van in het kleuteronderwijs en lager onderwijs ageren. En onze leerkrachten de instrumenten geven om les te geven in de diverse klasomgeving van onze tijd. Dat gebeurt veel te weinig.’

‘Het probleem stelt zich in heel West-Europa. Je ziet dat Finland, dat altijd zo hoog scoorde qua schoolprestaties, nu ook achteruitgaat. Omdat zijn klassen veel diverser zijn geworden en worstelt met de aanpak daarvan.’

Maar er is ook een belangrijke sociale dimensie, die raakt aan de fameuze discussie over de samenstelling van klassen en scholen. Valcke: ‘Het aantal laagpresteerders neemt almaar toe. Men kijkt vooral naar toppresteerders, maar je kan de gemiddelde resultaten niet verhogen als je niet naar de almaar groeiende “staart” van laagpresteerders kijkt.’

‘Dat heeft ook te maken met de segregatie in scholen. In Gent heb je in de ene school vijf procent kansarme kinderen en in de andere school 85 procent. Is dat nog wel rechtvaardig? Zijn er dan nog wel gelijke kansen? Dit is in feite gesubsidieerde apartheid. Kan je gelijkaardige resultaten halen in klassen waar bij acht op de tien leerlingen thuis geen Nederlands wordt gesproken? Als je niks doet aan segregatie, wordt het ook moeilijk om de gemiddelde prestaties te doen stijgen.’

‘Als je niks doet aan segregatie, wordt het ook moeilijk om de gemiddelde prestaties te doen stijgen.’

Valcke stelt dat er in Vlaanderen bewust scholen gecreëerd worden met vooral kinderen uit sterke sociale groepen. En omdat er een grote samenhang is tussen migratie en klasse betekent dat ook dat men bewust witte scholen schept.

‘Als men dat per se wil, goed. Maar dan moet men er ook de financiële gevolgen van dragen. Wie zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid niet opneemt, door de moeilijkere leerlingen buiten te houden, moet minder middelen krijgen dan scholen die wel hun verantwoordelijkheid opnemen.’

OESO-expert Dirk Van Damme is voorzichtiger: ‘Ik zou een beladen term als apartheid niet gebruiken, maar het klopt natuurlijk wel dat verschillen tussen scholen mee aan de basis liggen van die grote verschillen in schoolprestaties tussen groepen. Een bepaald beleid laat dit ook toe.’

‘Daarom is het inschrijvingsbeleid politiek zo’n heikel punt’, zegt van Damme. ‘Ouders willen dat hun kinderen school lopen met wat ze ervaren als hun referentiegroep. Ze hebben een afkeer van andere groepen, vaak met een andere etnisch-culturele achtergrond. Het is moeilijk om dat van bovenaf te beïnvloeden.’

Van Damme pleit voor centrale examens, en compensatie voor scholen met risicokinderen. ‘Alle scholen moeten het minimum halen. Maar de scholen die de moeilijkste scholierengroepen hebben, moeten dan ook meer middelen krijgen, opdat ze hun niveau kunnen opkrikken. Dat spreekt voor zich.’

Pxhere / Asawin (CC0)

 

Erfelijkheid en rechtvaardigheid

Vijftienjarigen uit sociaal-economisch groepen die minder bevoordeeld zijn qua scholing, inkomen en vermogen, hebben al een leerachterstand van drie jaar opgelopen tegenover hun collega-scholieren uit meer bevoordeelde klassen. Dat blijkt uit onderzoek van de OESO.

Dirk Van Damme, onderwijsexpert bij de OESO, licht die toch wel indrukwekkende kloof toe: ‘Daar spelen heel veel factoren. Al tijdens de zwangerschap zelfs, via de voeding. En later zijn er de huisvesting, de cognitieve prikkels in de schoot van het gezin van bij de geboorte… Hier speelt een opeenstapeling van processen. Dat maakt dat er al in het lager onderwijs grote verschillen zijn, die doorgaans nog toenemen in het secundair onderwijs.’

‘Er is ook wat men de opportunity hoarding door de middenklasse noemt. Wij noemen in Vlaanderen dat het mattheuseffect, waarbij de goed geïnformeerde middenklasse er veel beter in slaagt de beschikbare sociale voorzieningen te benutten dan meer kwetsbare milieus.’

Opportunity hoarding of het mattheuseffect: de goed geïnformeerde middenklasse benut de beschikbare sociale voorzieningen beter dan meer kwetsbare milieus

OESO-expert Van Damme wijst erop dat er momenteel weer volop gediscussieerd wordt over de rol van erfelijkheid: hebben de verschillen in schoolse prestatie enkel te maken met een gebrek aan kansen of ook met erfelijkheid?

Willem Van den Broeck, professor psychologie aan de VUB, formuleert het als volgt: ‘Wie er in een land als België na alle jaren van onderwijsexpansie nog niet in geslaagd is om sociaal mobiel te zijn, heeft wellicht geen goeie genen voor sterke schoolprestaties.’

‘Een zeer groot onderzoek uit 2016 van Tucker-Drob en Bates wijst uit dat talent in West-Europa kansen krijgt, anders dan in de VS’, verduidelijkt hij. ‘Er is een correlatie van 0.30 tussen sociaal-economische status en intelligentie. En dus kan erfelijkheid, ten dele, naast vele andere factoren, de grote verschillen in schoolprestatie tussen sociale groepen verklaren.’

Van den Broeck maakte daarbij wel een onderscheid tussen nieuwkomers en anderen uit de groepen met een minder gunstige sociaal-economische status. Het zijn volgens hem de “autochtonen” die aan een dergelijk genetisch deficit zouden lijden.

UGent-professor Valcke is niet overtuigd: ‘Het is een verderfelijke stelling, die de complexiteit van de ontwikkeling van kinderen in kansarme contexten miskent.
Er zijn duizenden factoren die de uiteindelijk leerprestaties van kinderen bepalen, op hetzelfde moment en in de loop van de ontwikkeling. Een correlatie van .30, bij een sterk gecontesteerd onderzoek, betekent overigens een percentage van 9 procent verklarende variantie.’

Valcke wijst erop dat een goede context de nadelen van een lagere sociale klasse kan compenseren. ‘Onderwijs heeft een duidelijk compenserend effect, maar er moet geïnvesteerd worden. Bovendien moeten alle actoren aan hetzelfde zeel trekken. Dan beginnen we best bij de ouders, en dit vanaf de voorschoolse leeftijd.’

‘Als dan toch iets moet besloten worden uit de vaststelling van collega Van den Broeck,’ vervolgt Valcke, ‘dan is het een sterk signaal naar de overheid om nog veel sterker in te zetten op Nederlands bij alle actoren die kinderen omringen. Zo stellen we vast dat in het Antwerpse onderwijs kinderen van vijf jaar uit een minder gunstige sociale omgeving een actieve woordenschat hebben van 800 woorden. Kinderen van dezelfde leeftijd uit een gunstige sociale omgeving hebben een woordenschat van 2500 woorden. Woordenschat is niet “aangeboren”, maar verwerf je door een prikkelende omgeving.’

‘De erfelijke verklaring van zwakke schoolprestaties is een verderfelijke stelling, die de complexiteit van de ontwikkeling van kinderen in kansarme contexten miskent.’

Professor Sara Willems is teamleider van de onderzoeksgroep ‘Sociale ongelijkheid in de gezondheidszorg’ aan de faculteit geneeskunde van de UGent. Zij is vanuit haar onderzoek naar armoede en gezondheid vertrouwd met dezelfde discussie over erfelijkheid en sociale klasse. ‘We zien dat mensen uit betere sociale groepen heel wat langer leven dan mensen uit minder begunstigde groepen. Dat heeft vooral te maken met ongunstige leef- en werkomstandigheden, met ontoegankelijke zorg, en met sociale uitsluiting  maar inderdaad ook met erfelijke factoren. Het grote gevaar is echter dat dit wordt gebruikt als argument om de structurele drempels en ongelijkheid in de maatschappij niet aan te pakken. Erfelijkheid bepaalt maar in beperkte mate — studies schommelen rond de 15% sociale variatie in gezondheid.’

Willems wijst er tevens op dat de zogenaamde ‘epigenetica’ recent een nieuwe dimensie heeft toegevoegd aan deze discussie. ‘Wij weten dat bij mensen uit lagere sociale klassen bepaalde ongunstige genen worden “aangeswitcht” door de voeding, door de luchtvervuiling, door de stress,… Als die genen door de omgeving dominant worden, worden ze ook overgeërfd. Armoede wordt op die manier dan eigenlijk erfelijk. Daarom moeten we er juist extra zorg voor dragen dat die genen niet aangeswitcht worden door een ongunstige omgeving. Tot slot, wie effectief erfelijk benadeeld is, en niet beter kan presteren op school, moet daarvoor niet gestraft worden – want hij of zij kan daar niks aan doen. Het is een morele keuze van een samenleving om ook deze mensen goed onderwijs en goede zorg te bieden.’

 

 

 

Op woensdagavond 4 december organiseren MO* en deBuren een gespreksavond over ongelijkheid en onderwijs. Op deze pagina vind je alle info.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur