Van de voedings- tot de textielindustrie

Multinationals blijven geld pompen in Xinjiang ondanks wereldwijde verontwaardiging

Ondanks felle kritiek na mensenrechtenschendingen in het Chinese Xinjiang, waar Oeigoeren gedwongen tewerkgesteld worden, blijven multinationals in de regio investeren. Dat blijkt uit nieuw Amerikaans onderzoek.

© C4ADS

 

Het Amerikaanse onderzoeksinstituut C4ADS heeft bewijs verzameld dat internationale merken blijven handel drijven in de Chinese autonome regio Xinjiang, ondanks wijdverspreide rapporteringen van mensenrechtenschendingen. In het noordwesten van China wonen zo’n 11 miljoen Oeigoeren, een moslimminderheid met Turkse achtergrond.

Ook internationale bedrijven zijn betrokken partij bij de mensenrechtenschendingen.

Naar schatting zou 1 tot 1,8 miljoen van hen de afgelopen jaren gedeporteerd zijn naar heropvoedings- of detentiecentra, waar ze onder meer verplicht worden om gedwongen arbeid te verrichten. Die dwangarbeid dient niet louter de interne Chinese markt: ook internationale bedrijven met toeleveringsketens tot in Xinjiang zijn betrokken partij bij de mensenrechtenschendingen.

Testcase

Het rapport, dat Long Shadows: How the Global Economy Supports Oppression in Xinjiang gedoopt werd, richt zich specifiek tot één fabriek, de Xinjiang Production and Construction Corps (XPCC). Die fabriek werd opgericht in 1954 en is in handen van de Chinese staat. Onderzoekers noemen deze fabriek een ‘testcase om beter te begrijpen hoe mensenrechtenschenders in Xinjiang toegang hebben tot de internationale markt’.

C4ADS kon dataonderzoek verrichten op basis van openbaar beschikbare informatie. Uit die data blijkt dat de sancties die getroffen zijn sinds bekend is dat in Xinjiang dwangarbeid plaatsvindt onvoldoende zijn om spelers zoals XPCC tot een faillissement te drijven. ‘Daardoor kan het blijven profiteren van dwangarbeid en andere vormen van onderdrukking’, klinkt het.

Het gaat om handelsnetwerken die vaak via Centraal-Azië en Rusland lopen, maar uiteindelijk bedoeld zijn voor Amerikaanse en andere internationale detailhandelaars. Daarnaast heeft XPCC ook buitenlandse dochterondernemingen gelinkt aan de Asian Development Bank, een belangrijke speler in de ontwikkelingssamenwerking in Centraal-Azië. Bovendien gaat het om beursgenoteerde dochterondernemingen, die zo toegang hebben tot de Chinese financiële markt en buitenlandse investeerders. Op die manier vloeit buitenlands geld terug naar de fabriek in Xinjiang.

Vooral de tomatenteelt en de katoenpluk worden genoemd in het rapport.

Bij de betrokken sectoren zit onder meer de voedings- en de textielindustrie. Vooral de tomatenteelt en de katoenpluk worden genoemd in het rapport. Daarnaast rapporteerde The Wall Street Journal vorige maand over de betrokkenheid van de elektronicasector: ook een toeleverancier van smartphoneschermen voor Apple zou betrokken partij zijn, al zegt die leverancier ‘geen Oeigoerse werknemers meer aan te nemen’. Hetzelfde geldt voor sneakers van Nike, blijkt uit datzelfde artikel.

Een op de vijf T-shirts

Kledingketens worden al langer gelinkt aan dwangarbeid in Xinjiang. End Uyghur Forced Labour, een coalitie van maar liefst 180 ngo’s zoals Anti Slavery International, het Uyghur Human Rights Project en de Schone Kleren Campagne, trok vorige zomer aan de alarmbel.

Volgens hun onderzoek zijn Oeigoeren gedwongen tewerkgesteld in de katoenproductie in de regio en zou zo een op de vijf katoenen kledingstukken in verband gebracht worden met dwangarbeid. Op basis van bronnenonderzoek, gaande van een rapport van de denktank Australian Strategic Policy Institute tot eerdere onderzoeksjournalistiek van de Wall Street Journal , bleek dat ‘zo goed als iedere kledingketen betrokken partij is’, van Nike tot Patagonia.

Steeds meer kledingmerken die gelinkt zijn aan dwangarbeid in Xinjiang, waaronder Patagonia, hebben sinds vorig jaar hun productieketens in de regio stopgezet. Onder meer de katoenproductie die gecontroleerd wordt door Better Cotton Initiative (BCI), waarvoor onder meer het water- en pesticidenverbruik lager ligt dan bij gewoon katoen (maar nog steeds hoger dan biokatoen), kwam sterk onder vuur te liggen. Het jeansmerk Levi’s, dat eerder een prominente plaats in de raad van bestuur van BCI innam, heeft om die reden het controleorgaan verlaten.

‘Leugens en smaad’

China zelf is niet te spreken van de rapporten die de mensenrechtenschendingen aantonen en de terugtrekkingen die daarop volgden.

De Chinese tak van Better Cotton Initiative stelde eerder met klem dat het ‘geen mensenrechtenschendingen in Xinjiang waargenomen had’. In de Chinese media verschenen echter berichten aan het adres van de internationale zetel van BCI dat het ‘leugens en smaad’ zou verspreiden over de tewerkstelling in de regio en noemt dwangarbeid ‘een hype in de buitenlandse media’.

Auteur van het artikel Hu Yuqi, een commentator van Beijing Daily, beschuldigt BCI van gesjoemel en noemt een bedrag van 88.000 dollar om toeleveringsketens in de regio in diskrediet te brengen, dat BCI uitbetaald zou hebben aan een externe auditeur die niet eens ter plaatse zou geweest zijn.

Global Times, een Engelstalig medium uit China, voerde juridisch expert Zhi Zhenfeng op na het artikel in The Wall Street Journal over Nike en Apple. Zhenfeng benadrukte dat ‘Chinese bedrijven niet mogen toegeven aan de politieke druk van buitenaf om Oeigoerse werknemers aan te nemen’. ‘Als ze dat toch doen, kunnen de fabrikanten vervolgd worden’, zei hij. ‘Elke Chinese staatsburger heeft immers het recht om tewerkgesteld te worden, ongeacht zijn etniciteit.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist

    Sarah Vandoorne is freelance journaliste, hispanologe, Latijns-Amerika-aficionada en – voor zover die term steek houdt – een rasechte Belgisch Britse Bengalese.