Vlaamse Ontwikkelingssamenwerking doorgelicht

Small is beautiful? Waarin regionale overheden groot kunnen zijn

 

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Geert Bourgeois op projectbezoek in Kaapstad, Zuid-Afrika

De Vlaamse regering heeft de ambitie om ook internationaal in toenemende mate als een echte regering gezien te worden, niet zomaar als een regionale overheid. Ze doet dat onder andere door actief in te zetten op aanwezigheid in multilaterale organisaties die betrekking hebben op bevoegdheden waarvoor in België gewest of gemeenschap verantwoordelijk zijn. Zo is Vlaanderen al heel wat jaren actief in Unesco, en sinds vorig jaar neemt Vlaanderen ook deel aan een OESO-DAC studie over gedecentraliseerde ontwikkelingssamenwerking. Het Development Assistance Committee van de OESO is zowat de belangrijkste denktank van donorlanden, waar ook de standaarden voor ontwikkelingssamenwerking afgesproken en onderling geëvalueerd worden.

Binnenkort verschijnt het rapport Reshaping Decentralised Development Co-operation. The key role of cities and regions for the 2030 Agenda. MO* kon het rapport al inkijken.

‘Het rapport besluit dat Vlaanderen wordt gewaardeerd als een flexibele donor die ruimte laat voor innovatie, nieuwe technologieën en experimenten.’

Het rapport besluit ook dat Vlaanderen wordt gewaardeerd als een flexibele donor die ruimte laat voor innovatie, nieuwe technologieën en experimenten. Wanneer het succes van een proefproject wordt aangetoond, zet Vlaanderen bewust in op opschaling.’

‘Het OESO-rapport geeft goede punten aan de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking’, zei minister-president Geert Bourgeois donderdag 24 mei, bij de opening van de Staten-Generaal van de Vlaamse Ontwikkelingssamenwerking. ‘Vlaanderen onderscheidt zich door de hoge en constante bijdrage aan ontwikkelingssamenwerking wat zorgt voor rechtszekerheid en voorspelbaarheid bij de ontvangende partner. Op die manier neemt Vlaanderen zijn volle verantwoordelijkheid op als donor’, vervolgde Bourgeois. ‘Het rapport besluit ook dat Vlaanderen wordt gewaardeerd als een flexibele donor die ruimte laat voor innovatie, nieuwe technologieën en experimenten. Wanneer het succes van een proefproject wordt aangetoond, zet Vlaanderen bewust in op opschaling.’

Het onderzoek van de OESO-DAC is op zich geen volwaardige evaluatie van de Vlaamse Ontwikkelingssamenwerking. Het onderzoekt vier voorbeelden van “gedecentraliseerde ontwikkelingssamenwerking”, met de nadruk op decentralisering van de donoren. De voorbeelden zijn de Vlaamse, Toscaanse en Baskische inspanningen als regionale overheden, en diverse voorbeelden van Franse stedelijke of regionale initiatieven op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. Van elk voorbeeld wordt in kaart gebracht wat de sterktes zijn en waar de uitdagingen liggen.

De “goede punten” die Geert Bourgeois citeerde, worden inderdaad opgemerkt door de OESO, al kan men zich wel vragen stellen bij de stelling dat de vrij constante bijdrage van Vlaanderen wel echt groot te noemen is. De rechtstreekse bijdrage op het budget Ontwikkelingssamenwerking is sinds 2014 eerder aan een krimpbeweging bezig (van 32,55 miljoen euro in 2013 naar 24,95 miljoen euro in 2016), al is er in 2017 een herpakking met 28,1 miljoen euro op dat budget, te wijten aan de toevoeging van uitgaven vanuit het klimaatfonds. Samen met andere uitgaven die erkend worden door de OESO als officiële ontwikkelingssamenwerking (op het terrein van onderwijs, milieu, cultuur, jeugd…) is er inderdaad een oplopende lijn: van 5 miljoen in 1995 over 30 miljoen in 2005 tot 50,2 miljoen in 2017.

‘Vlaanderen kiest voor lange termijn engagementen met een duidelijke geografische en thematische focus om middelen zo effectief mogelijk in te zetten. En dat werpt vruchten af’, aldus minister-president Geert Bourgeois.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Geert Bourgeois op terreinbezoek in Malawi

Tijdens een bezoek aan de samenwerkingslanden Zuid-Afrika, Malawi en Mozambique in de zomer van vorig jaar konden we zelf vaststellen dat de meeste partners positief waren over de voorspelbaarheid van de hulp, over de participatieve manier waarop de strategische focus van de hulp vastgelegd werd en over de openheid om binnen de afgesproken samenwerking nieuwe manieren van werken uit te proberen.

‘Er gaan kansen op uitwisseling, capaciteitsversterking en wederzijds leren verloren die toch ook belangrijk zijn in het ruimere kader van de ontwikkelingssamenwerking’

Wat de Vlaamse minister-president niet vermeldt, ook al ligt het eigenlijk in de lijn van de eigen ambities, is dat de OESO-DAC de Vlaamse OS meer dan eens omschrijft als vergelijkbaar met de ontwikkelingssamenwerking van traditionele donorstaten. Dat bedoelt het rapport niet negatief, maar in het kader van de Vlaamse regeringsideologie, die de uitbreiding eigen bevoegdheden toch nog vaak argumenteert vanuit een verzet tegen de “centrale” staat, klinkt het wellicht niet echt positief. Overigens voegt het rapport daar toch weer aan toe dat Vlaanderen flexibeler is dan de meeste nationale donoren, met meer ruimte voor innovatie en experiment.

Het OESO-onderzoek heeft ook aanbevelingen om de Vlaamse OS nog beter en effectiever te maken. Zo raadt het rapport Vlaanderen aan om directere relaties aan te gaan met de lokale overheden die tot de eindbegunstigden van zijn hulp behoren. Vandaag werkt Vlaanderen vooral via multilaterale organisaties of ngo’s. Dat is zeker waardevol, zegt de OESO, maar er gaan kansen op uitwisseling, capaciteitsversterking en wederzijds leren verloren die toch ook belangrijk zijn in het ruimere kader van de ontwikkelingssamenwerking.

In vergelijking met de Toscaanse ontwikkelingssamenwerking valt op dat die samenwerking meer gebaseerd lijkt op de bundeling van acties door heel diverse actoren, en dus minder het statelijke samenwerkingsmodel repliceert. De Basken lijken dan weer veel te leren te hebben van de Vlaamse OS, aangezien zij nog vasthangen aan een projectmatige hulp.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Op bezoek in Mozambique wordt de Vlaamse minister-president niet behandeld als vertegenwoordiger van een regionale overheid, maar als een volwaardige regeringsleider. In Malawi werd zelfs de rode loper uitgerold.

Ook het OESO-rapport concludeert dat Vlaanderen intussen veel ervaring en kennis te bieden heeft aan andere overheden en donoren. Het rapport verwijst daarvoor onder andere naar de samenwerking met Malawi, waar nieuwe technieken die in een agro-bosbouwproject ontwikkeld werden met steun van Vlaanderen, nu gefinancierd en op grotere schaal verspreid worden door de Wereldbank en de Europese Unie. ‘Een ander voorbeeld is de Farm Radio Trust in Malawi die haar activiteiten heeft kunnen uitbouwen dankzij Vlaamse investeringen en vandaag ondersteund wordt door het Wereldvoedselprogramma’, voegt Geert Bourgeois toe. ‘Deze OESO-erkenning is een extra stimulans om verder werk te maken van onze duurzame ontwikkelingsdoelstellingen’, besluit de minister-president, die ook verantwoordelijk is voor Ontwikkelingssamenwerking.

Het dilemma voor de Vlaamse Ontwikkelingssamenwerking van de toekomst lijkt te zijn: ofwel bouwt Vlaanderen volop door op de kracht en de flexibiliteit die eigen is aan een kleine, regionale donor; ofwel mikt men vooral op de ambitie om een echte statelijke donor te worden, waarbij het dan een grote uitdaging zou worden om de opgebouwde sterktes te behouden. Het wordt uitkijken of de regeringsonderhandelingen in 2019 daarover duidelijkheid zullen brengen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur