25 jaar mondiale journalistiek in vijf (en een halve) lessen

MO*hoofdredacteur Gie Goris blaast deze maand 25 professionele kaarsjes uit. Voor de gelegenheid keek hij eens achterom, en wat hij zag leek verrassend goed op wat er zich vandaag afspeelt in de wereld en in de media. Toch wordt alles anders, en ook dat is niet nieuw.

  • © Brecht Goris Op het Dal Lake in Srinagar, Jmmu and Kashmir (India) © Brecht Goris
  • © Brecht Goris In de wachtzaal van Moeders voor Vrede, in de wijk Dasht-e-Barchi, Kaboel (Afghanistan) © Brecht Goris
  • © Brecht Goris In gesprek met de directeur van de Jamia Ashafria madrassa in Lahore (Pakistan) © Brecht Goris
  • © Brecht Goris Praten met dichters en journalisten in Jalalabad (Afghanistan) © Brecht Goris
  • © Brecht Goris Teruggekeerde vluchtelingen uit Iran. In Charak-al-Asghan bij Kaboel (Afghanistan) © Brecht Goris

Op 1 december 1990 ging ik aan de slag als hoofdredacteur bij het maandblad Wereldwijd, een van de twee voorlopers van MO*. Een kwarteeuw later leven we in heel andere tijden en maken we heel andere media. Daarop reflecteren biedt stof voor dik boek met spannende verhalen, gemiste kansen en heerlijke momenten.

Maar omdat het een beetje overzichtelijk moet blijven, geef ik hieronder alvast vijf (en een halve) wijze lessen uit vijfentwintig jaar mondiale journalistiek.

1. Al ligt het nieuws onder je neus, daarom zie je het nog niet.

Dat was de eerste les die ik op de eerste dag van mijn baan als hoofdredacteur van Wereldwijd leerde. Toevallig was die eerste december 1990 een zaterdag, maar in de grote aula van de Leuvense universiteit vond er een grote conferentie plaats over Zuid-Afrika en Apartheid, dus maakte ik meteen mijn opwachting bij de perstafel voor de inschrijvingen.

Goede journalistiek is een zaak voor volhouders eerder dan van toevalstreffers.

Een van de sprekers was Smangaliso Mkhatshwa, een priester-activist die jarenlang gevangen gezeten had voor zijn betrokkenheid bij de opstand van jongeren in Soweto in juni 1976, en die daarna een van de drijvende krachten was achter de groeiende inzet van de kerken tegen de perfide ideologie en de gewelddadige praktijk van apartheid. Mkhatshwa had, zo bleek, in 1974-1976 aan dezelfde faculteit van de dezelfde universiteit gestudeerd als ik. Toch was ik hem daar niet tegengekomen, ondanks mijn uitdrukkelijke interesse voor apartheid.

Die individuele vaststelling gaat geregeld op voor de hele journalistiek. Voor 2001 werd er in de Vlaamse media niet of nauwelijks bericht over Osama bin Laden en zijn schimmige organisatie Al Qaeda. De hele jaren negentig knikten de Vlaamse media bij de geruststellende overtuiging van Frank Deboosere dat een jaar, een paar jaar, en zelfs een decennium van opvallend hoge temperaturen nog niet gezien konden worden als een bewijs dat het broeikaseffect bestond.

Goede journalistiek, leerde ik al doende, is zelden een zaak van toeval en bijna altijd een kwestie van bewuste nieuwsgierigheid, volgehouden zoeken en graven, opbouwen van kennis en contacten, een zaak voor volhouders eerder dan van toevalstreffers.

© Brecht Goris

In gesprek met de directeur van de Jamia Ashafria madrassa in Lahore (Pakistan)

2. Maar als je goed kijkt, zie je het nieuws lang voor het op de voorpagina’s staat.

In april 1991 reflecteerde ik in een voorwoord kort op de eerste Amerikaanse Golfoorlog – Saddam Hoessein was Koeweit binnengevallen, en George Bush de Oudere had een coalition of the willing op de been gebracht om die schending van de sacrosancte soevereiniteit te straffen, iets wat gedurende de acht jaar durende Golfoorlog tussen Irak en Iran nooit gebeurd was, al had Saddam zich in die periode aan veel meer schuldig gemaakt.

‘De haat van de islamitische wereld tegenover het westerse overwicht en de arrogante uitstalling ervan wordt door de oorlog enorm vergroot.’

Een eerste conclusie in dat voorwoord was een citaat van Noam Chomsky, met wie ik in Londen een exclusief interview had. De Nieuwe Internationale Orde, zoals de oudere Bush de eenzijdige overmacht van de VS in de post-Koude-Oorlog-wereld noemde, zou volgens Chomsky ‘gekenmerkt worden door een groter gebruik van geweld. Men zal alle middelen aanwenden om de principes van de vrije markt op te leggen aan de Derde Wereld, om zo hun uitbuiting te vergemakkelijken.’

Mijn eigen inschatting van de nieuwe toestand in de wereld was: ‘De muren van de bestaande wereldorde werden gesloopt, zonder er rekening mee te houden dat er dragende muren bij waren. Wie in het begin nog geloofde in de Nieuwe Internationale Orde, heeft intussen wel beter geleerd.’ Om te concluderen: ‘De haat van de islamitische wereld tegenover het westerse overwicht en de arrogante uitstalling ervan wordt door de oorlog enorm vergroot.’

Ik had dat zelfde voorwoord kunnen recycleren na het begin van de oorlog tegen Afghanistan in 2001, bij de invasie in Irak in 2003, bij de interventie tegen Kadhafi in 2011…

In oktober van dat zelfde jaar 1991 schreef Mark Fillet een reportage over Jordanië. Een opvallend citaat daaruit komt van een zekere professor Al-Assad: ‘Het Noorden heeft angst. Nee, ze zijn niet bang voor de Arabische landen, want die hebben ze mooi verdeeld en ze spelen ermee naar goeddunken. Maar na het spook van het communisme heeft het Noorden een nieuw spook wakker geroepen: de islam. Welnu, dat is onze kracht. Als jullie bang zijn voor de islam, dan zullen wij de islam als motor voor onze heropstanding gebruiken. Het wordt het cement van onze wederopbouw. Daar hebben we geen koningen voor nodig, presidenten of dictators, alleen massa’s mensen die geloven dat de islam hun kracht is.’

De hele jaren negentig bleven we die zelfde vaststelling maken. In juli 1996, drie maanden voordat de Taliban in Afghanistan hun eindoffensief begonnen en succesvol besloten, schreef Naziha Maher een omslagverhaal over moslimfundamentalisme als nieuwe vijand. Daarin stelde ze: ‘Het ziet er naar uit dat de “politieke islam” de komende jaren zwaar zal wegen op de agenda van de internationale politiek. De religieuze ijver dient vandaag, net zoals de socialistische strijdvaardigheid van gisteren, om de ongelijke politieke en economische verhoudingen tussen Noord en Zuid aan te klagen. Misschien moet er toch eens iemand luisteren.’

Als maandblad konden we weigeren mee te stappen in die optocht van goedbedoelde verontwaardiging

Met andere woorden: de collectieve maatschappelijke schok van 11 september 2001 was alleen een schok voor niet goed opgelet had, voor wie alleen het nieuws van de dag achternaliep of voor wie uit ideologische overtuiging blind was voor het feit dat er helemaal geen einde gekomen was aan het belang van ideologieën.

Een maandblad heeft de luxe om diep te graven en traag te schrijven, en stoot daardoor eerder op nieuwe tendensen dan de meeste nieuwsmedia.

Kranten, tijdschriften en audiovisuele media begonnen na 9/11 massaal te publiceren over de islam – ofwel om de vijand beter te leren kennen of om aan te tonen dat het geloof noch de gelovigen vijanden waren. Als maandblad konden we weigeren mee te stappen in die optocht van goedbedoelde verontwaardiging, omdat we de lezers allang geïnformeerd hadden over de ware aard van botsende belangen en transcendente waarheidsaanspraken.

© Brecht Goris

In de wachtzaal van Moeders voor Vrede, in de wijk Dasht-e-Barchi, Kaboel (Afghanistan)

3. Kies zorgvuldig je richting, en hou die aan.

In de loop van 25 jaar hoofdredacteurschap heb ik een aantal consultants, experts en andere raadgevers ingehuurd om advies te geven over de aanpak, de vorm en vooral de verkoop van het blad. Dat was vooral aan de orde tijdens de Wereldwijd-jaren van 1990 tot 2012, toen we voortdurend aankeken tegen dalende abonneecijfers.

Er zat een opvallende rode draad in de adviezen die we kregen: wat jullie schrijven is echt interessant en de vorm kan er gezien de beschikbare middelen zeker mee door, maar “de lezer” lust het menu niet langer. Er moet meer binnenland, emotie, beeld en positief – zeg maar: geruststellend – nieuws in het blad. Kortom: als jullie een ander blad zouden maken, dan kunnen wij voorstellen doen om het beter te verkopen.

‘Als jullie een ander blad zouden maken, dan kunnen wij voorstellen doen om het beter te verkopen.’

Eén advies – ongevraagd geleverd door de revisor die de jaarafrekening in rode cijfers moest goedkeuren – sloeg alles. De jonge econoom raadde ons een brand extension aan in de sector van de springkastelen, aangezien daar écht winst te maken viel. En de mogelijkheden waren eindeloos met een thema als Wereldwijd, toch?

In de jaren negentig bestreden we de langzaam dreigender wordende kloof tussen inkomsten en uitgaven ook door een slimme samenwerking met een Nederlands maandblad met dezelfde opdracht en achtergrond, BIJeen. Voor elk nummer planden en drukten we samen een katern van zestien bladzijden met reportages en opvallende interviews.

Tegen het einde van het decennium gooide BIJeen echter de handdoek in de mondiale ring: het blad transformeerde van mondiaal magazine in multiculti-mag. De redenering was simpel: de wereld ligt niet langer in Verweggistan, maar woont om de hoek, en dat is de wereld die er voor de lezer echt toe doet.

Zoals vaak was dat aantrekkelijke argument niet onjuist, wel ontoereikend. Want juist op dat moment begon een heel nieuwe golf van mondiaal engagement de straten en congrescentra van Noord en Zuid te overspoelen, wat uiteraard meteen ook leidde tot vernieuwde media-interesse in dingen die kort daarvoor nog afgedaan werden als “partijcongressen in Ouagadougou”: de wereld en de belangen van burgers die in de yuppe jaren negentig verwaarloosd werden omdat ze te arm, te dwars of te ver weg waren om deel te hebben aan het succes van de Washington Consensus.

Wij volgden de algemene beweging van de Wetstraat naar de Dorpsstraat en van het buitenland naar het binnenland niet omdat we in het veld voortdurend vaststelden dat het vreugdevuur der ijdelheden, zoals Tom Wolfe zijn succesroman over die jaren noemde, voor héél weinig mensen brandde. Eind jaren negentig leerde ik ook enkele Amerikaanse auteurs kennen zoals Benjamin Barber, William Greider en Kevin Danaher, die de enorme impact van de neoliberale mondialisering veel vroeger en beter beschreven dan de Europeanen, die op dat moment het puin van de Muur nog aan het ruimen waren.

‘Wie voortdurend twijfelt en onderweg van richting verandert, blijft eeuwig in het bos ronddwalen.’

Alma De Walsche bracht in die zelfde periode de “intergalactische” visie en praktijk van de Mexicaanse zapatisten binnen. Zij bleven niet vasthouden aan oud-linkse analyses om radicaal in actie te komen voor een andere wereld. En ze bewezen vooral dat wie echt bezorgd is voor het dorp maar beter héél bezorgd kan zijn over de machtsverhoudingen in de wereld. Overigens schreef Alma al over de terugkeer van Zapata ruim een jaar voor de zapatisten op nieuwjaarsdag 1994 opdoken, schijnbaar uit het niets.

Iemand gaf me onlangs nog het perfecte beeld om deze mediales te beschrijven. ‘Als je midden in een woud gedropt wordt zonder kaart of kompas, dan moet je eerst heel zorgvuldig een richting bepalen en die dan altijd volhouden. Je kiest misschien niet de kortste weg, maar wie voortdurend twijfelt en onderweg van richting verandert, blijft eeuwig in het bos ronddwalen.’

© Brecht Goris

Op het Dal Lake in Srinagar, Jmmu and Kashmir (India)

4. Dat een thema saai en ingewikkeld is, wil nog niet zeggen dat de journalistiek het mag laten liggen.

Het is bon ton om de mainstreammedia te verwijten dat ze kuddegedrag vertonen. Zodra de Balkanroute nieuws is, rept iedereen zich naar Hongarije of Bulgarije. Als er verkiezingen zijn in Myanmar, weet iedereen waar het vergeten Zuidoost-Aziatische land ligt. Vaak is het zelfs subtieler.

Afghanistan is gedurende jaren gevolgd door de media, maar aangezien het conflict daar zo vreselijk  ingewikkeld en onoverzichtelijk is, verkiest iedereen hetzelfde raamverhaal, waarin de Afghaanse samenleving opgedeeld wordt in twee kampen: de mensen die vooruitgang willen zoals wij ons die voorstellen tegenover de Taliban en consorten, die terug willen naar de duistere middeleeuwen. Ingaan tegen de kudde is een van de lastigste opdrachten in de journalistiek, want het publiek herkent alleen de mainstreamkeuzes als legitiem en de collega’s twijfelen – soms hardop – aan je professionaliteit.

Ook in de tegenstroom zijn er thema’s die je moet behandelen en gezichtspunten die breed gedeeld worden.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kuddegedrag geen exclusieve eigenschap is van mainstreammedia. Ook in de tegenstroom zijn er thema’s die je moet behandelen en gezichtspunten die breed gedeeld worden. Dan is het het klimaat, dan moet het weer TTIP, om Raymond van het Groenewoud te parafraseren.

Maar als er één ding is waarin media zoals MO* beter konden zijn – en dat vaak ook echt waren – dan de grote kranten en tijdschriften, en zeker dan de radio- en tv-journalistiek uit de voorbije periode, dan was het in het uitspitten en aanbrengen van moeilijke thema’s. In MO* schreven we over de opkomende machten lang voor iedereen de BRICS ontdekte, richtten we de blik specifiek op de klimaatverandering voor Al Gore de filmzalen en nieuwsprogramma’s vulde met zijn Ongemakkelijke Waarheid.

Die voorsprong blijven we behouden, ook nu we online first geworden zijn. Weekdossiers over de Balkanroute of over hormoonverstoorders verschenen bij ons maanden voor ze elders in de Vlaamse media nieuws werden.

Zo’n korte, en héél onvolledige, opsomming klinkt eenvoudiger dan de werkelijkheid is, natuurlijk. Met Wereldwijd hebben we in de jaren 1995-1998 te weinig gedaan met het toenmalige OESO-initiatief om tot een Multilateraal Akkoord over Investeringen te komen, ook al vormde het verzet tegen die verre voorloper van het huidige vrijhandelsverdrag tussen de VS en de EU (TTIP) de kern van wat enkele jaren later de antiglobaliseringsbeweging zou worden. Dat verhaal leek zo moeilijk te brengen voor ons weliswaar geïnteresseerd, maar allesbehalve gespecialiseerd publiek, dat het MAI maar in enkele korte stukken toegelicht werd.

Dat was een gemiste kans om de dynamiek van de wereld zichtbaar te maken. Met MO* hebben we die vergissing veel minder vaak gemaakt, wat ons natuurlijk wel eens het verwijt oplevert dat we te veel analyse en te weinig menselijke verhalen brengen. En misschien is ook dat weer waar.

Al leerden we vooral dat moeilijke thema’s véél toegankelijker zijn als ze verteld worden op basis van eigen onderzoeksjournalistiek. Het vraagt soms maanden, maar als we erin slagen namen te noemen, harde cijfers te geven of verborgen feiten te onthullen, dan zien we dat ook een ruim publiek belang stelt in ongemeen complexe verhalen. We brachten zo de financiële constructies van Luxleaks en Swissleaks aan het licht, in samenwerking met tientallen andere media uit de hele wereld. Daarmee bevindt MO* zich overigens in de frontlinie van een veelbelovende ontwikkeling: de internationale samenwerkingsjournalistiek.

© Brecht Goris

Praten met dichters en journalisten in Jalalabad (Afghanistan)

5. Het grootste kapitaal is tijd.

Ik schreef het helemaal aan het begin van dit stuk al: goede journalistiek is bijna altijd een kwestie van volgehouden zoeken en graven, opbouwen van kennis en contacten, een zaak voor volhouders eerder dan van toevalstreffers. Dat betekent op de eerste plaats dat een hoofdredacteur alleen “succesvol” kan zijn als hij een team sterke journalisten heeft. Dat ik wat dat betreft al een kwarteeuw niet mag klagen is een understatement. Maar het betekent ook dat die journalisten tijd – en een minimum aan middelen – moeten krijgen om hun professionele ambities te kunnen waarmaken. Die tijd staat steeds meer onder druk.

Een hoofdredacteur kan alleen “succesvol” zijn als hij een team sterke journalisten heeft

Dat heeft zeker te maken met de onvoorstelbaar snelle en diepgaande technologische revolutie die zich de voorbije kwarteeuw afgespeeld heeft en die zowel het journalistieke werk als de media onherkenbaar veranderd hebben. Het eerste nummer dat ik in de kerstvakantie van 1990 moest afwerken, werd op diskettes gezet en met de auto naar de vormgeving gebracht.

De snelste communicatie verliep via fax, research vond plaats op de hoogste verdieping van het gebouw door iemand met een hectaren breed geheugen en liefde voor de papieren jungle die de bibliotheek annex archief was. De ochtendpost was in een halfuur gelezen en beantwoord, waarna er een hele dag geen mail meer binnenkwam. Kortom: heerlijke tijden om rustig te studeren en lange documenten te lezen.

In 2003 begon MO* met pakweg zestig bladzijden redactionele ruimte per maand. In 2015 publiceren we gemiddeld dertig vergelijkbare bladzijden per dag, plus honderd gedrukte bladzijden in print elk kwartaal. Daarmee leveren we veel meer duiding en achtergrond bij veel meer tendensen en actuele gebeurtenissen uit de hele wereld. Maar de redactie is nauwelijks uitgebreid, en ook al kunnen we vaker een beroep doen op een kring van sterke freelancers, toch voelt iedereen dat de tijd om werk goed en grondig te doen krimpt.

Blijven vechten om journalisten de tijd te geven die ze nodig hebben om het verschil te maken

Dat beschouw ik dan ook als de belangrijkste uitdaging voor de komende jaren: blijven vechten om journalisten de tijd te geven die ze nodig hebben om het verschil te maken. Om andere verhalen te vinden dan die welke de collega’s al vertellen, om andere perspectieven te onderzoeken dan de al aanvaarde, om dieper te graven dan de ideologen of hoofden communicatie zouden willen, om plaatsen te bezoeken die er schijnbaar niet toe doen, en om vormen te vinden die dit alles aantrekkelijk maken voor een zo ruim mogelijk publiek.

Want wij schrijven niet om onszelf of onze collega’s te plezieren, we schrijven om de Vlaamse lezers in staat te stellen beter hun plaats en hun weg te vinden in de mondialiserende wereld, zodat ze op betere gronden ook betere keuzes kunnen maken.

© Brecht Goris

Teruggekeerde vluchtelingen uit Iran. In Charak-al-Asghan bij Kaboel (Afghanistan)

Coda.

Iemand uit de groep van onze jonge Turken, tien jonge journalisten die samen met de redactie dit blad maken, stelde op een recente vergadering dat ‘mensen behoefte hebben aan een nieuw verhaal. Meer zelfs: een nieuw Groot Verhaal, dat zin geeft aan het dagelijkse leven en aan de toekomst.’ Ik denk dat ze gelijk heeft. En misschien moet journalistiek daarin een grotere rol gaan spelen.

Maar hoe dat moet, daar heb ik nog geen antwoord op gevonden. Kritische journalistiek is beter in het aanwijzen van de schuldige dan in het aandragen van een mogelijk alternatief. Journalistiek draait vaker op achterdocht, in de eerste plaats tegenover de macht maar ook tegenover de gangbare mening en de eigen overtuiging, dan op vertrouwen. De zoektocht naar journalistiek die meer ruimte biedt aan antwoorden, toekomstperspectief en doodgewone menselijkheid is niet nieuw, maar wel urgent. Er is nog zoveel te leren.

Dit artikel werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts €20 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3148   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur