5 lessen voor De Croo uit publiek-private samenwerkingen

Minister Alexander De Croo schuwt de grote stellingen niet, dat moeten we hem nageven. Onlangs beweerde onze minister van Ontwikkelingssamenwerking nog dat het overheidsbudget voor ontwikkeling ‘verouderd en (bijna) niet relevant’ is, en viel daarmee rechtsstreeks zijn eigen beleidsdomein aan. Publiek ontwikkelingsgeld kan volgens hem het nuttigst zijn als het wordt aangewend als hefboom voor private investeringen. Merkwaardig, want middenveldorganisaties schreeuwen net de risico’s van zo’n beleid van de daken.

Alexander De Croo (CC0)

 

Vandaag lanceren verschillende internationale en lokale middenveldorganisaties, gaande van ngo’s, vakbonden en denktanks tot burgerinitiatieven, een oproep aan overheden en internationale instellingen om niet langer publiek-private partnerschappen (PPP’s) te promoten. Hun ervaring biedt waardevolle lessen voor minister De Croo. We lichten er vijf toe.

Van PPP’s tot blenden

Publiek geld gebruiken om commerciële investeringen aan te trekken voor het realiseren van ontwikkelingsdoelstellingen, het is geen nieuw idee waarmee onze minister aan komt draven. In het jargon heeft men het over blending. De Belgische Adviesraad Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling bracht dit jaar enkele cijfers uit die vrij ontnuchterend zijn. De gemobiliseerde middelen door blending komen zelden de armste landen ten goede: 80% van de private investeringen ging naar landen met een armoedepeil onder de 20%. Slechts 5% van de middelen ging naar de armste landen.

Van alle landen ontvangt Turkije het meeste. Turkije staat zonder twijfel voor grote uitdagingen, maar bij onderontwikkeling denken we toch aan andere landen. Wat interessant is voor investeerders, valt dus lang niet altijd samen met de grootste prioriteiten op vlak van ontwikkeling.

PPP’s zijn het stokpaardje van verschillende G20-landen, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank.

Een gangbare praktijk om de samenwerking tussen de openbare en de publieke sector te organiseren is bekend onder de noemer van “publiek-private partnerschappen”, of kortweg “PPP’s”. PPP’s zijn langetermijncontracten tussen overheden en de private sector, waarbij de overheid klassiek garant staat voor de grootste risico’s van de onderneming. De rol van de private actor is dan het bouwen en soms uitbaten van de infrastructuurprojecten en diensten, zoals ziekenhuizen, scholen, wegen en water- en energievoorzieningen.

De logica achter deze aanpak is aannemelijk: private investeringen zijn op korte termijn snel beschikbaar, en het gaat in theorie slechts over een gedeeltelijke privatisering. PPP’s zijn dan ook het stokpaardje van verschillende G20-landen en internationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Ook ontwikkelingslanden zien deze aanpak alsmaar meer als een oplossing voor hun beperkt overheidsbudget. Maar de praktijk toont aan dat de samenwerking met de private sector zelden in het voordeel van de bevolking is.

Les 1: PPP’s zijn vaak duurder dan verwacht

In contrast met de opzet zijn PPP’s vaak de duurste financieringsmethode op de lange termijn. Publieke instellingen moeten gewoonlijk garant staan voor onverwachte kosten. Een onderzoek van Oxfam berekende dat een publiek-privaat ziekenhuis in Lesotho drie keer meer kostte aan de overheid dan het publieke ziekenhuis dat het verving. Die kosten worden dan meestal opgevangen door besparingen in ziekenhuispersoneel en kwalitatief materiaal, ten koste van universeel toegankelijke zorg.

In contrast met de opzet zijn PPP’s vaak de duurste financieringsmethode op de lange termijn.

Voor infrastructuurprojecten loopt het contract vaak af op het moment dat de constructie tekens van veroudering begint te vertonen, zodat herstellingskosten op de publieke rekening vallen.

Daarnaast eisen private investeringen een private logica. Een recent onderzoek van David Himmelstein wijst uit dat er enorm veel middelen nodig zijn om gezondheidsdiensten winstgevend te maken: in het Verenigd Koninkrijk verdrievoudigde het aantal managers in de National Health Service sinds de intrede van een marktlogica. In Nederland besteden private zorgverzekeraars 500 miljoen euro per jaar aan reclamecampagnes.

Les 2: PPP’s lossen de ongelijkheid niet op – integendeel

Niet alleen komen de hogere kosten van PPP’s in de praktijk neer op een transfer van de meest kwetsbaren naar de meest rijken, het gevaar van PPP’s is eveneens dat de marktlogica binnensluipt in openbare diensten.

Niet basisgezondheidszorg maar tertiaire gespecialiseerde diensten zijn vaak interessanter voor investeerders.

Openbare diensten hebben als taak om zorgen te verlenen aan iedereen zonder onderscheid van financiële afkomst. Dat zijn ook en bovenal mensen met hoge noden en weinig koopkracht. Commerciële diensten daarentegen focussen op mensen die het zich kunnen veroorloven. Dit onderscheid zien we sterk in de gezondheidszorg. Niet basisgezondheidszorg maar tertiaire gespecialiseerde diensten zijn in die zin vaak interessanter voor investeerders.

Het grootste risico van commercialisering van de gezondheidszorg bestaat uit de creatie van een gezondheidssysteem met twee snelheden. Met name particuliere, hoogtechnologische en gespecialiseerde zorg voor diegenen die het zich kunnen veroorloven en eenvoudige openbare gezondheidszorg voor de minder gegoeden.

Bovendien gaan PPP’s vaak gepaard met stijgende gebruikerskosten. In Tanzania werden de onverwacht hoge kosten van het publiek-private elektriciteitssysteem doorgerekend aan de verbruikers, waardoor de tarieven stegen met 40% op één jaar tijd.

Les 3: PPP’s bedreigen democratische controle

De onderhandelingen van PPP-contracten verlopen onder strikte regels van vertrouwelijkheid, wat publieke controle bemoeilijkt. Dit gebrek aan transparantie maakt de kans op corruptie gevoelig hoger en ondermijnt het principe van democratische controle. In Brazilië kwam aan het licht dat de sterk gestegen kosten voor het aanleggen van een snelweg niet door onvoorziene omstandigheden kwamen, maar vooraf geheim onderhandeld was.

PPP’s ondermijnen de rol en plicht van de overheid om de private sector te reguleren in het publieke belang.

Daarnaast ondermijnen PPP’s de rol en plicht van de overheid om de private sector te reguleren in het publieke belang. Overheden kunnen bijvoorbeeld door het uitbesteden van een dienst beperkt worden in hun bewegingsruimte om milieu- en sociale standaarden te hanteren.

Sterker nog, onder sommige contracten kan het bedrijf de staat aanklagen voor onverwachte kosten, zoals een staking van de werknemers. In de hoofdstad van de Filipijnen weigerde het stadsbestuur een nieuwe prijsstijging van het water door de private operator MWC, nadat deze de tarieven al met 845 % had laten stijgen. MWC eist nu een compensatie van 1,79 miljard dollar. Desondanks staat het project in de archieven van de Wereldbank beschreven als een succes.

Les 4: Economische groei is geen ontwikkeling

Dat de winstlogica van de private sector voor betere ontwikkelingsresultaten zorgt, is helaas niet veel meer dan een axioma uit de neoliberale ideologie. Economische groei staat niet garant voor ontwikkeling. Zelfs in de meest optimistische scenario’s zou het nog 200 honderd jaar duren eer de meest extreme armoede is uitgeroeid als we daarvoor enkel moeten rekenen op economische groei. Dat is wat een studie uit 2015 van David Woodward in de World Economic Review aantoonde.

Bovendien zijn net de landen waar de staat een herverdelende rol heeft gespeeld en de private sector strikte voorwaarden heeft opgelegd, de landen die in de voorbije decennia ontwikkeling hebben kunnen realiseren.

Les 5: Zet mensenrechten centraal

Minister De Croo ziet zichzelf graag als een hervormer maar zijn ideeën zijn eeuwenoud. Hij verdedigt een business as usual-benadering van ontwikkeling. Het is een systeem dat enkel gericht lijkt op economische groei, ondanks de groeiende ongelijkheidskloof. Goede voornemens van regeringen en internationale verdragen hebben daar tot nu toe weinig aan kunnen veranderen.

Het is net daarom dat mensenrechten tegenwoordig centraal staan in elk ontwikkelingsdiscours. Ze zijn eveneens minister De Croo’s stokpaardje, maar laat ons toe zijn interpretatie op zijn zachts “apart” te noemen. Het is immers de overheid die het best geplaatst is om de basisrechten te garanderen, vervullen en beschermen en daarvoor ook de nodige democratische controle kan garanderen. Waarom die dat volgens onze minister zou moeten uitbesteden aan de privésector mag Joost weten.

Ontwikkelingssamenwerking is in de eerste plaats een politiek daad die brede participatie vraagt, en kan daarom niet vervangen worden door de onzichtbare hand van de marktlogica.

Daarom kiezen ngos voor steun aan basisbewegingen uit het Zuiden die de overheid onder druk kunnen zetten om de basisrechten af te dwingen. Tezelfdertijd vertolken ze ook hier bij ons die stem van onderuit. Onze minister zou er goed aan doen om er zijn oor te luisteren te leggen. Daar valt meer te leren over ontwikkeling dan bij de CEOs uit de privésector.

Wim De Ceukelaire is directeur van de ngo G3W

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift