Als De Croo de passie preekt, ngo’s let op uw doelstellingen

Alexander De Croo, minister van Ontwikkelingssamenwerking, stelt een ‘geïntegreerde aanpak’ voor in zijn beleidsbrief ontwikkelingssamenwerking waarin alle Belgische actoren in een partnerland samen moeten werken. Dit lijkt de eigen rol van de civiele maatschappij te miskennen, en is daarom af te wijzen. Maar het biedt onze ngo’s ook de kans om meer ‘motor van maatschappelijke verandering’ te worden. Aldus Marcus Leroy, expert op het vlak van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking.

  • Simon Blackley (CC BY-ND 2.0) 'Ngo’s, neem de vrijheid om opnieuw 'motor van maatschappelijke verandering' te worden in plaats van 'uitvoerder van projecten.' Simon Blackley (CC BY-ND 2.0)

‘Zodra het document overgaat op concrete beleidslijnen botsen we op enkele onrustwekkende ideeën.’

Het document waarin minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo zijn beleid voor de komende jaren uiteenzet getuigt van een gedegen inzicht in de problemen waarmee de wereld vandaag geconfronteerd wordt en van de mogelijkheden en beperkingen om daarop een impact te hebben. Lof dus voor de inzichten.

Maar pech: zodra het document overgaat op concrete beleidslijnen botsen we op enkele onrustwekkende ideeën.

Drie ervan neem ik graag even onder de loep. Ik doe dit echter met de uitdrukkelijke reserve dat vandaag nog niet geweten is of en hoe deze ideeën omgezet zullen worden in daadwerkelijke beslissingen. De aloude waarheid dat de soep niet zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend, zal mogelijk ook hier van toepassing zijn.

1. Partnerlanden beperken

De minister wil het aantal partnerlanden beperken met als doel ‘het verschil te maken’ en ‘voldoende gewicht in de schaal te leggen’. Het klinkt als iets waar geen weldenkend mens tegen kan zijn.

Helaas, het zijn loze kreten. Ja, het bestede bedrag per land zal misschien omhoog gaan. Ja, België zal zich in een paar landen tot de tien grootste donoren kunnen rekenen. Maar dat zegt helemaal niets over de impact die je als donor daarmee hebt.

De impact van hulp op basis van een causaal verband toerekenen aan een bepaalde donor is namelijk vrijwel onmogelijk. Daarover bestaat degelijke wetenschappelijke literatuur. Niet verwonderlijk: maatschappelijke ontwikkeling is immers een dialectisch proces waarop een oneindigheid aan factoren inspelen. We zien dan ook hoe donorlanden die vijf jaar geleden de weg van ‘verschil maken’ zijn opgegaan, daar nu stilletjes van terugkeren.

2. Hulpdoeltreffendheid

De minister breekt een lans voor het verhogen van de hulpdoeltreffendheid en daarom wil hij onder meer resultatenkaders invoeren en een plan van aanpak per land. Alweer, het lijkt een zinnig idee.

En toch. Het wordt vaak vergeten, maar de efficiëntie van de uitvoering verbeteren is niets meer dan sleutelen aan de input-zijde van onze hulp. Dat is niet nutteloos, maar het zegt niets over de output, niets over de echte hulpdoeltreffendheid. Het zegt niets, met andere woorden, over de mate waarin hulp metterdaad bijdraagt aan ontwikkeling. Zijn die nieuwe kaders en plannen dan wel de inspanning waard?

3. De ‘geïntegreerde aanpak’

Tot daar blijft alles vrij onschuldig. Het is gewoon doorgaan op de weg die andere ministers en andere donoren hebben uitgestippeld. Onrustwekkend wordt het pas zodra de ‘geïntegreerde aanpak’ uit de doeken wordt gedaan.

We willen, zegt de beleidsbrief, ‘evolueren van partnerlanden van de gouvernementele samenwerking naar partnerlanden van de Belgische ontwikkelingsamenwerking.’

En verder: ‘Dit is slechts mogelijk indien alle instrumenten gebundeld worden in een geïntegreerde aanpak waarbij alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking elkaar versterken.’ Daarom ‘streeft de Belgische ontwikkelingssamenwerking […] meer complementariteit na met de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking (ANGS).’

En ook: ‘de regering wil erop toezien dat de programma’s van de ANGS kaderen binnen een geïntegreerde aanpak en een concentratie van middelen.’

‘Dit lijkt verdacht veel op de centrale planning uit de vorige eeuw.’

Hier rijzen een aantal zeer fundamentele vragen.

De ‘geïntegreerde aanpak’ wil alle middelen concentreren in een door de overheid uitgestippeld programma waarin alle actoren samenwerken.

Brr! Dat lijkt verdacht veel op de centrale planning uit de vorige eeuw. Is het niet verwonderlijk dat een minister uit het liberale politieke huis zo’n sterk vertrouwen blijkt te hebben in centraal geleide planning?

Dat alle Belgische actoren elkaar zullen moeten gaan versterken kan op het eerste gezicht een mooi streefdoel lijken. Maar in werkelijkheid is het dat niet.

Of Belgische actoren elkaar al dan niet versterken is immers nauwelijks relevant. Op het terrein is samenwerking een zaak van alle actoren, lokale in de allereerste plaats, en verder buitenlandse – ongeacht hun oorsprong of nationaliteit.

Het zou zonde zijn geld en tijd te verspillen voor coördinatie onder Belgische actoren en intussen de hoofdzaak uit het oog te verliezen: ngo’s laten samenwerken met (organisaties van) de civiele maatschappij, wat hun nationaliteit ook is.

‘Of Belgische actoren elkaar al dan niet versterken is nauwelijks relevant.’

Maar de meest verontrustende passage is die waar de ngo’s herleid worden tot ‘actoren van de niet-gouvernementele samenwerking (ANGS)’.

De beleidsbrief lijkt hier te vergeten wat ngo’s eigenlijk zijn – of zouden moeten zijn: emanaties van onze civiele maatschappij die een onvervangbare eigen rol spelen in de brede agenda van mensenrechten, gelijkheid, behoorlijk werk, duurzaamheid, welzijn enzovoort.

Die rol moeten ze in eigen land en overal elders spelen, in samenwerking met de civiele maatschappij van andere landen. Natuurlijk, ook de overheid heeft een onvervangbare rol te spelen in die agenda. Maar die rollen, hoewel beiden van vitaal belang, zijn niet dezelfde en kunnen niet dezelfde zijn.

Meer zelfs, in hun inspanningen ten bate van die agenda zullen overheid en civiele maatschappij geregeld botsen met elkaar. En zo hoort het. Zo zit een open samenleving in elkaar. De programma’s van de ngo’s – al of niet herleid tot ANGS – laten kaderen in een door de overheid bepaald programma negeert deze eigen rol van de civiele maatschappij, hier en in de landen waarmee we samenwerken. Het is een vorm van etatisering die, alweer, vanwege een Open Vld-minister, grote verwondering wekt.

Maar pas op. Ik probeer objectief te blijven. In zekere zin krijgen onze ngo’s hier een koekje van eigen deeg voorgeschoteld. De laatste decennia zijn veel van hen – niet allemaal – zich inderdaad als ‘actoren’ gaan gedragen.

‘Of ngo’s nog ‘motor van maatschappelijke verandering’ zijn, valt te betwijfelen.’

Ze leven hoofdzakelijk van overheidssubsidies, ze hebben een hoop mensen in vaste dienst, ze zijn vooral bezig met het voorbereiden en uitvoeren van projecten, en ze zitten vast in een systeem van doelstellingen en indicatoren.

Ze zijn een deel van de ‘aid industry’ geworden. Het verschil met de officiële ontwikkelingsagentschappen is soms moeilijk te zien.

De band met de civiele maatschappij is vaak ver te zoeken. Of ze nog ‘motor van maatschappelijke verandering’ zijn, valt te betwijfelen. Dat is ook het beeld dat bij de publieke opinie leeft als men het over ngo’s heeft: ‘ngo’s voeren projecten uit.’ Is het dan verwonderlijk dat een minister zijn beleid op dit beeld bouwt?

Daarom ligt hier een unieke kans voor de minister om onze civiele maatschappij aan te sporen om meer dan ooit haar onvervangbare eigen rol te spelen in de uitdagingen van deze eeuw. De universele agenda realiseren die we hierboven kort bekeken, is in de allereerste plaats een politiek probleem. Het is een zaak van inspraak, behoorlijk bestuur, ethisch gedrag, strijd tegen corruptie, mobiliseren en behoorlijk gebruiken van lokale hulpbronnen, strijden tegen illegale geldstromen…

De interventies van de minister tijdens de ‘Think Global Day’ op 1 april 2015 toonden duidelijk aan dat dit ook zijn overtuiging is. Proberen hierop impact te krijgen is nauwelijks een zaak van ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s plannen en realiseren. Het vergt een ‘whole of society’ aanpak. Het is een zaak van gelijkgezinde partners vinden, veranderingsprocessen identificeren en steunen, samen proberen, soms (mis)lukken… en lessen trekken. En dat op alle niveaus: internationaal, nationaal, lokaal, met overheid, middenveld en burgers.

Een deel van dat werk kan de overheid doen, maar de essentie ligt bij de civiele maatschappij, ngo’s, sociale instellingen, werkgevers- en werknemersverenigingen, bedrijven, enzovoort.

‘Ngo’s, laat luider van je horen!’

Dus, ngo’s, neem de vrijheid om opnieuw ‘motor van maatschappelijke verandering’ te worden in plaats van ‘uitvoerder van projecten’.

En minister, spoor hen aan om die stap te zetten, ook als ze daarvoor wat minder aan het infuus van het ontwikkelingssamenwerkingbudget moeten liggen.

Laat de dialoog tussen overheid en ngo’s niet langer handelen over subsidies, meerjarenprogramma’s en rapportage, maar over onze bijdrage in de aanpak van de grote, universele uitdagingen. Ngo’s, laat luider van je horen, niet om te klagen dat het budget daalt, of om te pleiten voor een groter deel van die koek, maar om onze eigen samenleving en haar overheid te helpen op het pad naar ‘good global citizenship’.

Dat zal nog eens ‘het verschil maken’!

Na studies in Gent en Montpellier en vier jaar bij het landbouwonderzoeksinstituut van Burundi, bekleedde Marcus Leroy (°1946) gedurende 35 jaar leidende posities in de Belgische ontwikkelingssamenwerking in Rwanda, Indonesië, Zaïre/Congo, zuidelijk Afrika, Vietnam, Cambodja en de Filipijnen, en bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de VN in New York.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift