De slag om Duinkerke: dwaze hoop en schoon ondergoed

Het is zondagavond, ik geniet van een warme douche en verlang naar mijn bed. Na een dag als vandaag, waan ik me heel gelukkig met deze alledaagse luxe. Vandaag ging ik namelijk opnieuw met de vrijwilligers van Bredene naar La Grande-Synthe, het geïmproviseerde tentenkamp voor vluchtelingen in Duinkerke.

Gewapend met lege vuilniszakken, waterdichte kledij, stevige laarzen en sterke handschoenen staan we met 50 vrijwilligers geblokkeerd aan de ingang van “het kamp”.

‘De politie weigert ons binnen te laten. De agenten maken er een spelletje van.’

De politie weigert ons binnen te laten. De agenten maken er een spelletje van. Eerst moeten we allemaal onze naam opgeven, dan moeten we allemaal links gaan staan, dan allemaal rechts. Het voelt aan als pure provocatie, als een ontmoedigingsactie.

Ze lijken wachten tot de eerste onder ons zijn geduld verliest en ze zo een reden hebben om ons niet binnen te laten. Misschien hopen ze dat we afdruipen en terugkeren naar de warme auto’s waarmee we gekomen zijn. En dan komt plots een verlossend bericht, we “mogen” allemaal naar binnen.

Twee weken geleden was er hier al heel wat modder maar toen bleef het gelukkig droog, er waren nog enkele verharde en begaanbare paden. Nu regent het en verandert de slijkmassa in snel tempo in een stinkende modderpoel.

Bij elke stap die je zet zuigt de modder aan je laarzen. Wie geen stevig geknoopte schoenen aanheeft, verliest ze al snel en keert terug naar de auto’s om geschikte laarzen aan te trekken.

Grote schoonmaak: dweilen met het enige kraantje open

Er staan enkele smerige toiletcontainers en twee geïmproviseerde douchecellen, overal tussen de bomen liggen uitwerpselen. Het kamp beschikt slechts over één kraantje met lopend water waar de vluchtelingen hun spullen proberen schoon te krijgen.

Alles is vuil, niet alleen de grond, maar ook de tenten en hun inhoud.

Het eerste uur besteden we opnieuw aan de schoonmaak. Er ligt heel wat beschimmeld voedsel, onbruikbare kleding, kapotte schoenen, kapotte tenten, dode ratten en uitwerpselen. Het is een broeihaard voor bacteriën en ongedierte.Schurft en luizen zijn reeds aanwezig.

We stoppen alles in zakken en vinden een achtergelaten winkelkar om het vuilnis te vervoeren. In dat uur nemen we een oppervlakte van ongeveer 500 vierkante meter onderhanden en vullen we een hele container. Dit is echter maar een beperkt deel van het modderkamp.

© Niels Wagabaza

Een tent voor zeven

‘De politie doet plots moeilijk, er mogen geen nieuwe tenten meer in het kamp.’

Op de terugweg naar de wagen komt een jonge, verkleumde man naar ons toe. Hij weet niet goed hoe hij het moet vragen, zijn Engels is slecht, maar hij heeft gezien dat we komen helpen.

Hij wil graag een tent voor 7 personen, want slechts enkele uren geleden kwamen ze aan in dit kamp, helemaal vanuit Duitsland. Ze weten niet waar ze terecht kunnen in deze chaos. We laten hem weten dat we terugkomen.

Op weg naar de auto nemen de agenten zonder uitleg onze identiteitskaarten in beslag. We laten ons niet intimideren. Tussen de hulpgoederen zoek ik een tent, een andere vrijwilliger heeft een tweede tent ter beschikking.

We vullen onze tassen voor Hassan en zijn reisgezellen met jassen, dekens, een opblaasbare matras… De politie doet plots moeilijk, er mogen geen nieuwe tenten meer in het kamp.

Het is duidelijk dat ze niet willen dat het kamp in omvang toeneemt. Maar het lukt, een vrijwilliger met een opvallend grote rugzak leidt de aandacht van ons af. Ik graai mijn pas terug uit de handen van de agent die zich druk maakt over de rugzak en we geraken met de tenten terug het kamp binnen.

Tijdelijk verblijf van lange duur

Hassan is zijn naam. De hele nacht heeft hij met zijn 6 vrienden gestapt om deze ochtend in het tentenkamp aan te komen. Er staan veel vraagtekens op zijn gezicht. Hij is zo’n beetje de leider van de groep mannen, want hij spreekt twee woorden Engels meer dan de rest.

Zodra ze mij zien, helpen ze me en nemen ze mijn rugzak over. Ze vinden het ongehoord dat ik hun materiaal zo ver zou zeulen.

Samen zoeken we een plekje uit waar ze min of meer droog staan. Toeval of niet… het is precies dezelfde plaats die ik twee weken geleden opruimde.

Er staat een kapotte tent, met dode ratten, waar we al het afval in verzamelen en in zijn geheel de container in kieperen. Ik kijk ernaar en kan alleen maar denken dat ik ze liever een betere plaats had gegeven voor hun eerste nacht aan de Franse kust.

We geven hen alles wat we kunnen. Enkele onderbroeken willen ze eerst niet aannemen, maar ik dring aan, ze zullen hier langer zitten dan ze nu beseffen.

© Niels Wagabaza

Leven in doodsangst

Wanneer we opnieuw het kamp binnenkomen met een volle lading hulpgoederen, trekt een Engelse vrijwilligste aan mijn mouw. Ze spreekt Duits en Engels door elkaar en probeert me uit te leggen dat er vannacht een gezin is aangekomen met drie jonge kinderen.

Voor ik goed besef wat er gebeurt, zit ik op mijn knieën voor een tent. De vrouw in de tent huilt en wil me niet aankijken, maar wanneer ik haar enkele mandarijntjes aanreik, neemt ze die dankbaar aan. Haar dochtertje Myriam is 24 maanden oud en zit in de tent, op de koude, vochtige bodem en eet het fruit gulzig op.

De vrouw heet Jalawa, ze is 28 jaar. Haar kinderen zijn 2, 5 en 7. De twee oudsten zijn al stoere jongens, Myriam is haar oogappel. Ze zijn gevlucht uit Irak nadat ISIS hun huis plat bombardeerde.

‘Zolang het huis rechtstond, hadden ze de moed om te blijven.’

Zolang het huis rechtstond, hadden ze de moed nog om te blijven. Haar man streed als vrijwilliger in het leger tegen ISIS. Hun stadje Kharaba, vlak bij Sulaymaniyah werd ingenomen en ze konden er niet meer blijven zonder vrees voor hun leven.

Reeds drie weken zijn ze op de vlucht, om te overleven. Ze bereikten de Libanese kust en namen er een boot naar Griekenland. Vandaar werden ze naar Duitsland gesmokkeld, waar ze vreselijk behandeld werden.

Om de twee uur moesten ze van locatie veranderen, de andere vluchtelingen werden agressief. Er waren gewoon teveel mensen op één plaats. Daarna namen ze verschillende bussen naar Frankrijk, afgewisseld met stukken te voet.

Twee auto’s en een speelgoedpony

Vannacht konden ze voor het eerst slapen zonder angst, in hun tentje in de modder. De kinderen herleven elke nacht opnieuw de angsten die ze elke dag hebben moeten doorstaan zoals hun platgebrande huis. Ze voelen de angst van hun ouders en slapen slecht.

Mijn vriendin is gisteren nog speciaal speelgoedauto’s voor de jongens en speelgoedpony’s voor de meisjes gaan kopen. De kinderen zijn verrukt met zo’n cadeautje.

Ik denk dan aan de voorbije kerst- en nieuwjaarsdagen waarop massaal veel cadeaus werden gegeven en we overdadig aten en dronken. Ik denk aan het televisiejournaal waarop beelden van de eerste koopjesdag te zien zijn.

Massa’s mensen schuiven aan in rijen voor de kassa’s van de winkels om hun koopjes te betalen. Ik denk aan de talloze keren dat mensen elkaar gelukkig nieuwjaar toewensen en de komende weken nog zullen toewensen.

Hier in Duinkerke hoor je dat niet. Maar zo één klein autootje en een pony’tje doet wonderen bij de kindjes in de tent.

© Niels Wagabaza

Oude bekenden en nieuwe vrienden

Wanneer ik uit de tent kom, alweer met een lege rugzak, voel ik de behoefte om even “oude bekenden” op te zoeken. Ik ga op zoek naar de papa zonder schoenen, zijn tent lijkt verdwenen. Ik maak mezelf wijs dat hij ergens opvang heeft gevonden.

Daarna zoek ik de dierenart, zijn gezin verhuisde naar een andere tent, hij is niet meer te vinden. De tenten van de jongens waar de student Engels in zat, zijn weg. Zouden ze veilig in Engeland geraakt zijn?

En plots… Soner! De Turk die ik twee weken voordien wat ondergoed en een degelijke broek kon geven. Hij staat daar en is even blij om mij te zien. Ik vraag hem naar de andere jongens en hij zegt dat ze opnieuw de oversteek hebben gewaagd.

‘Ik ga op zoek naar de papa zonder schoenen, tevergeefs, ik maak mezelf wijs dat hij ergens opvang heeft gevonden.’

Hij heeft geen nieuws meer. Ik vraag of hij iets nodig heeft. Hij aarzelt en wil eerst zeggen dat hij niets tekort komt. Dan vraagt hij me in gebroken Engels of de Franse winter nog moet beginnen. Uiteindelijk wil hij graag handschoenen.

Het weer slaat om, de regen valt steeds harder uit de hemel. De vluchtelingen vragen de hulpverleners in hun tentjes te komen schuilen.

Ondanks hun intrieste situatie zijn ze gastvrij en willen ze graag een praatje slaan. En ik ga daar graag op in. Zo kom ik terecht in een grotere, goed ingerichte tent, waar 14 mensen in wonen.

Met veel gebaren en enkele woorden Engels voeren we een gesprek en voel ik hun blijdschap en respect omdat ik de tijd neem voor hen.

© Niels Wagabaza

Engeland, het beloofde land

Veel mensen in België vragen zich af waarom deze mensen allemaal naar Engeland willen, ik ook, dus daarover gaat ons gesprek. Ongeveer tien jaar geleden heeft de Britse regering een groot aantal Koerden toegang verleend. Nu willen ook andere Koerden zich bij hen voegen. Het is een menselijke redenering.

Saman spreekt het beste Engels. Hij komt uit Erbil, Iraaks Koerdistan. Hij heeft 8 jaar lang in London gewoon en keerde terug naar Irak omdat zijn vader zwaar ziek werd. Daar leerde hij zijn vrouw kennen en samen stichtten ze een gezin.

Toen werd de situatie onhoudbaar. Hij sloot zich aan bij de Peshmerga (Koerdische strijdkrachten tegen ISIS) in een poging zijn land te verdedigen. Tijdens zijn laatste gevecht verloor hij zijn broer en werd zijn buurman zwaar getroffen.

Die nacht zijn ze allemaal samen gevlucht. De gewonde buurman, de vrouwen, de kinderen. Een maand lang waren ze onderweg, langs Turkije naar Parijs, te voet naar Lille om dan uiteindelijk in Duinkerke te belanden. Tijdens de tocht leden ze honger en kou. Zijn dochter van 5 werd zeer zwaar ziek.

Maar ze gaven nooit op. Hij wil naar Engeland omdat hij het land zo goed kent. Hij heeft er veel vrienden en familie, en heeft geen paspoort nodig om er te overleven en weet dat hij een dak boven zijn hoofd zal hebben. De hoop, zelfs naïviteit waarmee hij spreekt brengt me in verwarring.

Hij denkt dat de Engelsen hem zullen komen halen, omdat ze weten dat hij in een mensonterende situatie zit. Al drie maanden wacht hij. ‘In mijn thuisland heb ik een huis, een mooie auto, een goede bankrekening, … maar daar ben ik niets mee als ik dood ben.’

© Niels Wagabaza

Onveiligheidsgevoel van Europeanen

Ze halen allemaal hun gsm boven en tonen ons het nieuws uit het thuisland en de Facebookpagina’s van vrienden en familie. We zien hoe mensen doodgeschoten worden, huizen ontploffen en kinderen huilen.

Bij elke persoon die we zien, vertellen ze ons een verhaal… ‘Dit is mijn buur, dat is mijn broer, …’ Plots krijgt de harde realiteit van deze oorlog gezichten.

Saman wil weten waarom Europeanen bang zijn voor hen. Hij ervoer in Parijs paniek wanneer mensen hen zagen. Ik vertel hem over de aanslagen op de satirische krant Charlie Hebdo en de terreuraanslagen in november. Waarop ik een vuile blik terugkrijg.

‘Terroristen’, spuwt hij, ‘ze maken de Islam kapot. Islam is tussen mij en daar (terwijl hij naar boven wijst), niemand anders heeft daar wat mee te maken’.

Ondanks het gure weer, weet ik dat we moeten vertrekken. Er zijn nog andere mensen die ik even wil spreken. Ik beloof de volgende keer terug te komen en mee te eten. Hij wil graag voor ons koken.

© Niels Wagabaza

Bevrijders en/of dictators?

Terug in de regen. De modderpoel van daarnet is nu een echt moeras. We zakken tot de enkels in de modder. Een schuchtere man staat op ons te wachten. Hij wilde graag eens praten met mensen van hier. Om te schuilen kruipen we onhandig in zijn tentje. Siyaw is een 29-jarige fotograaf.

Hij is uit Irak gevlucht omwille van het totalitaire regime van Massoud Barzani en Jalal Talabani (Koerdische politieke leiders in Irak).

Wanneer hij over hen spreekt, windt hij zich op: ‘Dictators, massamoordenaars, ze jagen op iedereen en willen ons land kapotmaken. Ik moest er wel weg, ik ga naar mijn broer die in Engeland woont. Deze reis heeft me al mijn spaarcenten gekost.

Met 17 mensen stapten we in een sloepje. Er waren ook twee kindjes bij. De boot is gekapseisd en ik kan niet zwemmen, maar Jezus heeft me gered. Het volgende moment was ik aan land.’

Tranen wegpinken met sterren in de ogen

Siyaw heeft doodsangsten uitgestaan. Terwijl hij zijn verhaal doet, moet hij regelmatig naar boven kijken om zich sterk te houden en zijn tranen te verdringen. Het lijkt wel of hij zelf niet vat wat voor een reis hij heeft afgelegd. En terecht.

Zes weken was hij onderweg. De sloep was nog maar het begin. Hij was wel graag in Griekenland gebleven, dichter bij zijn land en Grieken zijn hele lieve mensen. Maar het werd een heksenjacht. Door de vele vluchtelingen die tegelijk aankomen is het er niet veilig en de economie laat niet toe om een leven op te bouwen.

‘Siyaw hoopt als fotograaf ooit James Blunt, Adele of Steve Tyler te kunnen zien.’

Met de trein, de bus en grotendeels te voet ging hij via Servië naar Kroatië, Slovenië, Duitsland, daarna verder naar Parijs, naar Lille en uiteindelijk naar Duinkerke. Zijn twee oudere broers wonen in Engeland, hij hoopt daar als fotograaf aan de slag te kunnen.

Hij vertelt ons hoe graag hij naar concerten gaat en hoopt ooit James Blunt, Adele of Steve Tyler te kunnen zien. Zelfs The Passengers kent hij! Siyaw houdt van mode en uitgaan en vrienden en eten.

Hij zou zo in mijn vriendenkring kunnen passen. ‘Ik wil opnieuw kunnen dromen en leven’. Siyaw zal me nooit meer loslaten, al zie ik hem misschien nooit meer terug…

© Niels Wagabaza

Bedankt om ons te redden

Het is nu echt tijd om naar huis te gaan. Maar ik wil nog snel gaan kijken of Hassan en zijn vrienden hun tent recht kregen. Ze lachen als ze ons zien, de tent staat zo goed als recht. En dat is nodig ook, want de wind en de regen zijn niet meer te harden.

Ik wens hen veel geluk en hij beantwoord dit met een ‘Thank you for saving us’ (Bedankt om ons te redden).

We moeten nog langs de keuken, want het allerlaatste in mijn rugzak zijn kruiden. Het is een moeilijk pad, maar we geraken er. Wanneer de deur opengaat worden we warm onthaald door een massa mannen die samen thee drinken.

‘Ik blijf teruggaan tot al deze mensen een menswaardige oplossing krijgen.’

Ik hoor mijn naam… Darbar en Raman, twee mannen die ik elk een onderbroek gaf, herkennen me en maken plaats voor ons. We zetten ons nog snel even neer, ondanks de groep die staat te wachten om terug naar Gent te rijden.

Het praten gaat moeizaam door het gebrek aan een gemeenschappelijke taal, maar ik leer toch een beetje Koerdisch: choni (hallo) en zor bash (zeer goed). We lachen en vergeten even dat we niet gewoon ergens op reis zijn, dat we elkaar niet zomaar ontmoeten op café.

Ik ga terug, zo regelmatig mogelijk. Samen met de vrijwilligers die zich wekelijks inzetten. Het moet, tot al deze mensen een menswaardige oplossing krijgen. Ik kom vanonder de douche. Mijn nagels krijg ik niet meer schoon. Er hangt Duinkerke onder. En onrecht.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3253   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift