De verborgen kanten van het Colombiaanse conflict

De afgelopen weken stond Colombia volop in de internationale belangstelling. In de media wordt het conflict hoofdzakelijk herleid tot een probleem van een democratisch verkozen regime met een extreemlinkse rebellengroepering, die steun krijgt van “links populistische regimes” zoals Venezuela. Het decennialange conflict is echter veel complexer dan het kat-en-muisspel van president Uribe met de FARC en de bemoeienissen van Hugo Chavez met zijn buurlanden. En hoewel de FARC recent zware klappen kreeg, blijven er veel redenen om te betwijfelen dat duurzame vrede binnen handbereik komt in Colombia.
  • Jorge Mata / Surimages-IPA Colombia: legerkazerne midden in een indiaans dorp (Toribio, Cauca) Jorge Mata / Surimages-IPA
Er bestaat geen eensgezindheid over de manier waarop de guerrilla aangepakt moet worden. Uribe wil de FARC militair op de knieën krijgen. Uiteraard heeft een regering het recht om zich te verdedigen tegen de terreuraanslagen van linkse rebellen. Maar evengoed heeft ze de plicht om zo te handelen dat hierbij zo min mogelijk slachtoffers vallen. Uribes beleid van “democratische veiligheid” brengt niet alleen het leven van de gijzelaars van de FARC in gevaar, maar heeft een enorm impact op de burgerbevolking van de rurale conflictgebieden, waar kazernes midden in de dorpen neergepoot worden. Familieleden van gijzelaars, NGO’s, mensenrechtenorganisaties, sociale bewegingen en een deel van de oppositie zien als enige uitweg een humanitair akkoord, dat op termijn moet leiden tot politieke onderhandelingen, hoe moeilijk die ook zullen zijn.
Als een regering zich democratisch en rechtvaardig noemt, heeft ze de plicht om alle vormen van geweld te veroordelen, ook die van de paramilitairen en van het leger. De grote media-aandacht voor de gijzelaars van de FARC wekt de indruk dat deze gewapende groep de enige of grootste factor van het geweld in Colombia is. Maar veruit het grootste aantal moorden, verdwijningen en gedwongen verhuizingen die Colombia de laatste decennia geteisterd hebben, zijn op rekening te schrijven van de paramilitaire groepen, al dan niet met passieve of actieve samenwerking van leger of politie (71% over het geheel van de voorbije 10 jaar). Vaak opereerden deze paramilitairen milities met feitelijke toestemming en zelfs met actieve medewerking van het leger. 
De eerste paramilitaire groepen ontstonden in een klimaat van “strijd tegen het communisme” en moesten ervoor zorgen dat de bestaande sociale orde gehandhaafd bleef. Ze werden ingezet tegen de guerrilla, maar ook tegen gewettigde politieke en socio-economische veranderingsprocessen. In deze context is de uitroeiing van de Union Patriótica te situeren, een  politieke beweging die in 1985 uit de FARC ontstond en voor het eerst als democratische linkse partij het establishment bedreigde. Van bij aanvang werd een ware politieke genocide ingezet. De meest conservatieve schattingen spreken van het elimineren van minstens 2000 militanten en verkozen lokale en nationale politici. Tegenwoordig worden de politieke tegenstanders van de gevestigde orde op een subtielere en meer verdekte wijze gestigmatiseerd. Maar de verbale agressie van Uribe aan het adres van mensenrechtenactivisten, vakbondsleiders, sociale organisaties en leden van de oppositie, toont aan dat de mentaliteit van politieke intolerantie niet verdwenen is.
Volgens de Colombiaanse overheid is het probleem van het paramilitarisme fundamenteel opgelost sinds het collectieve ontwapeningsakkoord in 2003, dat met de Wet “Rechtvaardigheid en Vrede” in 2005 bezegeld werd. De massamoorden zijn weliswaar fel afgenomen, maar de selectieve moorden op individuen blijven aanhouden.  Men heeft geen controle over de officieel gedemobiliseerden en er zijn nieuwe groepen van para’s ontstaan met eenzelfde modus operandi, die in dezelfde regio’s, tegen hetzelfde type doelwitten en met dezelfde ongestraftheid optreden. Met de regelmaat van de klok komen berichten binnen van bedreigingen, moorden, ontvoeringen en boeren die van hun land verdreven worden door deze “nieuwe” paramilitaire bendes. 
De regelgeving en praktijk rond het demobilisatieproces is evenzeer omstreden.  Er komt in het geval van de (relatief weinige) effectieve aanhoudingen geen echt proces of onderzoek naar de waarheid. De open sessies, waarop paramilitaire kopstukken hun publieke bekentenissen komen doen in ruil voor strafvermindering, verlopen in een sfeer van arrogantie en dreiging. De parabazen rekenen op loyaliteit van ‘het vaderland’ (lees: de politieke elite) ‘wier belangen ze altijd zo consequent verdedigd hebben’. De slachtoffers, die slechts beperkte toegang tot de sessies hebben, worden geïntimideerd en minstens 15 van hen zijn de afgelopen twee jaar vermoord. De teruggave van de onwettig verworven bezittingen van de paramilitairen (o.a. miljoenen ha. grond) is slechts in kleine (en onduidelijke) mate voorzien.
De paramilitairen blijven bovendien op vele plaatsen vervlochten met de lokale machthebbers, wat zwaar weegt op het Colombiaanse politieke systeem. De nauwe banden tussen het paramilitarisme en het establishment werden door een reeks recente onthullingen eindelijk zwart op wit bewezen. Dit leidde tot een aantal ophefmakende gerechtelijke onderzoeken, die reiken tot in de intieme kring van de president. In die context moet het eenzijdige focussen op de FARC begrepen worden als een afleidingsmanoeuvre van het schandaal van de allianties tussen paramilitairen, drugstrafikanten en politici, waar het einde nog lang niet van in zicht is.
Het eenzijdige focussen op de FARC leidt tenslotte de aandacht ook af van de strijdkrachten, de derde actor van het gewapende conflict. Uribe wijst graag op de rol van de lokale bevolking als biotoop van de guerrilla en het leger wordt constant onder druk gezet om resultaten te tonen. Een veelzeggende uitspraak komt van Juan Rubbini, katholieke ethicaprofessor (!) die tijdens de onderhandelingen over de collectieve demobilisatie van de para’s in alle ernst betoogde: in Colombia zijn er ongeveer 20.000 guerrillero’s en om die te liquideren moet men  zo’n 20 burgers per guerrillero doden, in totaal dus 400.000.  Deze theorie lijkt door leger en politie regelmatig in de praktijk toegepast te worden. Burgers worden gedood en achteraf voorgesteld als gesneuvelde guerrillero’s. Het aantal aan het leger toegeschreven standrechtelijke executies is dan ook fors gestegen (191 per jaar in 2002-2007, tegenover 131 per jaar in de periode 1996-2002).
De methodes waarmee de strijd tegen de drugtrafiek gevoerd wordt, getuigen evenzeer van het traditionele misprijzen en de ongevoeligheid voor de ‘collateral damages’ waarvan de landelijke bevolking slachtoffer is. Het Plan Colombia (dat grotendeels door de V.S. gefinancierd wordt) combineert de strijd tegen de drugtrafiek met de strijd tegen de guerrilla. De manier waarop het uitgevoerd wordt (met bombardementen, besproeiingen vanuit de lucht, militaire grondoperaties), treft vooral de landelijke bevolking die tussen de cocavelden woont en laat de grote drugshandelaars en hun routes buiten schot. Vorig jaar becijferde een VN-rapport dat er na 7 jaar strijd tegen de drugs alleen maar meer Colombiaanse cocaïne de Verenigde Staten binnen is gekomen.
Colombia telt na Soedan het hoogste aantal desplazados internos, interne vluchtelingen ter wereld. Deze vluchtelingen dreigen de meest benadeelde slachtoffers van het Colombiaanse conflict te worden: ongeveer 4 miljoen mensen die alles verloren en die weinig kans maken op echte schadevergoeding of op teruggave van hun grond, in totaal miljoenen hectaren. Velen hebben hun huis en dorp verlaten omdat ze in het kruisvuur van de strijdende partijen zaten: guerrilla, leger, paramilitairen of zijn op de vlucht gegaan voor de antidrugsoperaties. Hele gemeenschappen zijn verdreven door de paramilitairen.
De para’s hadden, in tegenstelling tot de guerrilla,  de rurale gemeenschappen niet nodig als natuurlijke omgeving. Zij - en hun stromannen - verjaagden de lokale bevolking in antiguerrilla operaties en eindigden als eigenaars van hun gronden. Deze operaties zijn dan ook terecht omschreven als een ‘contrareforma agraria’, een contra landhervorming. Vanaf de jaren ’90 ging het niet alleen meer om landusurpatie voor lokale grootgrondbezitters, maar ook om het verwerven van territoria voor de megaprojecten van multinationals. Vooral inheemse en afrocolombiaanse gemeenschappen werden hiervoor met intimidatie en geweld illegaal van hun grond verdreven. De paramilitairen deden het vuile werk, het leger keek een andere kant uit, politici zorgden voor een wettelijk kleedje en het gerecht ging niet op klachten in.
De Colombiaanse Staat erkent het vluchtelingenprobleem niet in zijn ware omvang en benadert de vluchtelingen zelfs met wantrouwen. Wie het statuut van desplazado  krijgt, kan weliswaar rekenen op bijstand, maar weinig of geen structurele maatregelen worden genomen. Onlangs stelde de minister van landbouw voor om 17.000 ha. staatsgronden in het departement  Meta, bestemd voor 80 families van desplazados, liever in concessie te geven aan privé-bedrijven.
De faciliteiten die de grote agro-industrie krijgt, staan in schril contrast met de lijdensweg van vluchtelingen, kleine boeren, inheemsen en afrocolombianen om hun toegang tot grond te behouden. De Nasa-indianen in de Cauca wachten al jaren op gronden die hun beloofd zijn als herstelmaatregel voor massamoorden in hun gemeenschappen. Met dezelfde onverstoorbaarheid en starheid wordt een neoliberaal economisch beleid gevoerd dat de situatie van armoede en extreme armoede van een groot deel van de bevolking (rond de 60% leeft onder de armoedegrens, waarvan ongeveer de helft extreem arm is) gewoon negeert. Dit zijn de verborgen kanten van het Colombiaanse drama.
Colombia heeft dus meer nodig dan het uitschakelen van de FARC. Er is nood aan een andere mentaliteit en praktijk bij de staat en de economische en politieke elites. Nu blijft de cultuur doorwegen van argwaan, vijandigheid en repressie tegenover sociale bewegingen en personen die ijveren voor participatie, mensenrechten en meer sociale gelijkheid. De voorkeursbehandeling voor de paramilitairen, het selectieve optreden van leger en politie en de wijdverspreide straffeloosheid zijn hier de schrijnende expressie van.
‘Neen aan de FARC’, natuurlijk.  Maar dit mag geen vrijbrief zijn voor het negeren, dwarsbomen of onderdrukken van wie opkomt tegen de straffeloosheid, voor de mensenrechten en voor sociale rechtvaardigheid. Deze organisaties, civiele comités, gemeenschappen en sociale bewegingen verdienen meer steun en meer erkenning vanwege de internationale gemeenschap, die zich vooral voor de “strijd tegen het terrorisme” lijkt te interesseren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift