Gemengd rapport voor het Belgische buitenlandbeleid

Opinie

Matige klimaatleerling, ontwikkelingssamenwerking met goede accenten

Gemengd rapport voor het Belgische buitenlandbeleid

07 juni 2024

MO*journalist John Vandaele overloopt enkele belangrijke aspecten van het Belgische buitenlandbeleid. Ons land was een matige klimaatleerling, zijn ontwikkelingssamenwerking hield stand en het legde interessante klemtonen. België behield ook zijn volle geloof in de internationale instellingen.

Buitenlands beleid is een beleidsdomein waar de bewegingsvrijheid van een regering beperkt is. Dat beleid wordt immers mee bepaald door jarenlange beddingen en tradities, informele afsprakenkaders en officiële akkoorden die niet alleen geschraagd worden door België maar ook door zijn partners.

Een Belgische regering kan die moeilijk eenzijdig herroepen. Zeker een klein land als België, dat erg afhankelijk is van het buitenland en tevens de thuisbasis is van belangrijke internationale organisaties, heeft er belang bij een betrouwbare partner te zijn. Dat belet evenwel niet dat een regering eigen accenten kan leggen. Dat gezegd zijnde, hoe ging de Belgische Vivaldi-regering daarmee om?

Ontwikkelingssamenwerking houdt de lijn

België koos niet voor het terugschroeven van de ontwikkelingssamenwerking, zoals sommige andere Europese landen deden. We bleven weliswaar met onze bestedingen, net als alle voorgaande jaren, onder 0,7% van ons nationaal inkomen (een streefcijfer dat in de jaren 1970 door de rijke landen beloofd werd in de Verenigde Naties).

Maar het budget kende met 2,4 miljard euro of 0,44% van het nationaal inkomen – het EU-gemiddelde bedraagt 0,5% – ook geen daling, ondanks de pandemie en de energiecrisis, die zware eisen stelden aan het budget. Ons land hield ook zijn keuze aan voor bestedingen in de minst ontwikkelde landen, vaak fragiele staten, aan – zoals de internationale instellingen bepleiten.

‘In een tijdperk waarin veel landen besparen op ontwikkelingssamenwerking bleef België dat wel inzetten in de strijd tegen armoede en ongelijkheid.’

De portefeuille Ontwikkelingssamenwerking werd in de Vivaldi-regering door twee verschillende Vooruit-ministers ingevuld. De eerste twee en een half jaar nam Meryame Kitir de honneurs waar, zij werd opgevolgd door Caroline Gennez.

Kitir voelde zich nooit echt comfortabel in de portefeuille – ze had ook weinig ervaring in de materie en slaagde er onvoldoende in dat nadeel te compenseren door zich goed te omringen. Ze leek soms onzeker in haar publieke tussenkomsten. Het verschil met Gennez, die decennia ervaring had in het internationale veld, was en is opmerkelijk.

Wel werd Kitirs keuze voor klimaatfinanciering ook onder Gennez volgehouden, legt Griet Ysewyn die dit terrein opvolgt bij 11.11.11 uit: ‘België verdubbelde zijn klimaatfinanciering tot 154 miljoen euro in 2022, en 138 miljoen in 2024. Dat vinden wij positief, maar we blijven nog altijd onder de 500 miljoen euro die ons land volgens ons zou moeten betalen als het zijn eerlijke deel opneemt internationaal. Het idee om schulden aan de Belgische overheid om te zetten in lokale klimaatinvesteringen – een zogenaamde schuld/klimaatswap - vinden we prima. Al bleef dat in Mozambique beperkt tot 2,5 miljoen euro. Het heeft de verdienste om de schuldenproblematiek op de agenda te plaatsen maar het is geen structureel antwoord op het feit dat veel ontwikkelingslanden nu meer schulden afbetalen dan ze kunnen besteden aan gezondheidszorg.’

Ysewyn is over het algemeen positief over Gennez. ‘Ik ben geneigd bloemetjes te werpen. In een tijdperk waarin veel landen besparen op ontwikkelingssamenwerking of die steeds meer inzetten om hun eigen belangen te dienen, bleef ons land ontwikkelingssamenwerking inzetten in de strijd tegen armoede en ongelijkheid.’

Zo vindt Ysewyn dat ons land onder Gennez een Europese voortrekker werd in het verdedigen van de mensenrechten in de oorlog in Gaza. ‘Of het nu ging om de vraag om een staakt-het-vuren, handelssancties tegen export vanuit de bezette gebieden of het behoud van de steun voor het VN-agentschap UNRWA in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Minister Gennez is erin geslaagd om op concrete actuele dossiers de juiste antwoorden te formuleren én daar het nodige politieke gewicht achter te zetten. Wat toch wel een contrast is met haar voorgangster.’

Gennez slaagde er evenwel niet in de liberale regeringspartners te overtuigen dat ook ons land, net als Spanje, Ierland en Noorwegen, de Palestijnse staat zou erkennen.

Zoals altijd rijst de vraag in hoeverre de gemaakte keuzes enige permanentie zullen hebben. Het Belgische beleid voor ontwikkelingssamenwerking heeft de neiging elke legislatuur nieuwe, vaak interessante accenten te leggen, die daarna opnieuw in de lade verdwijnen. Bij ontwikkelingssamenwerking zie je niet snel de resultaten. Wat blijft er van al die vluchtige initiatieven over?

Ontwikkelingssamenwerking moet gaan over langetermijninvesteringen. Ysewyn wijst erop dat Alexander De Croo (open Vld) als minister van Ontwikkelingssamenwerking inzette op digitalisering maar dat er van dat accent niet veel overbleef onder deze legislatuur.

De vraag dringt zich op, aldus Ysewyn, om er bij partnerlanden naar te streven dat een ‘civic space’, een ruimte van burgerlijke vrijheden, behouden blijft. ‘Een zeer goed signaal dat minister Gennez in deze tijden de ruimte voor middenveld op de agenda zet, maar blijven de genomen maatregelen overeind bij een volgende regering?’

Ysewyn erkent dat, wat dat betreft, de context in veel landen moeilijker wordt. ‘Ik vind het een positief en moedig signaal dat België, ondanks de staatsgrepen, op een indirecte manier actief bleef in Niger of Burkina Faso. Ook al wenden deze landen zich af van de mensenrechten. Het klopt dat je in zo’n situatie goed moet nadenken wat je nog kan doen op regeringsvlak. Maar je moet de dialoog blijven aangaan en via andere kanalen het verschil proberen te maken, bijvoorbeeld via het middenveld of via multilaterale samenwerking.

Believer

Als het gaat om het Europese beleid volgde ons land zijn aloude traditie om een goede Europeaan te zijn, met veel begrip voor de cruciale rol van de Europese Commissie. België bereidde zijn Europese voorzitterschap in de eerste helft van 2024 goed voor, al waren er niet meteen eclatante successen.

Toch zijn de totstandkoming van begrotingsafspraken – ondanks een Belgische onthouding – en regels voor platformwerkers belangrijk. Het geschipper over de natuurherstelwet daarentegen verdiende allesbehalve een schoonheidsprijs.

Meer algemeen bleef ons land inzetten op de internationale instellingen en het internationaal recht. Dat is in een tijd van opstuwend nationalisme en vijanddenken belangrijker dan het misschien lijkt. Internationale samenwerking blijft een noodzaak voor een mensheid die in een samenhangende wereld heel wat gemeenschappelijke belangen heeft. Internationale regels en organisaties helpen daarbij.

België nam historische klimaatverantwoordelijkheid niet echt op

Klimaatbeleid is in zekere zin bij uitstek internationaal beleid. Door zijn emissies van broeikasgassen te verminderen, neemt België zijn verantwoordelijkheid op om de klimaatverandering zo veel mogelijk te beperken.

Ons land draagt daarin een historische verantwoordelijkheid want het is één van slechts vier landen – samen met de VS, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland - die per hoofd van de huidige bevolking sinds 1750 meer dan 1000 ton CO2 in de lucht hebben gebracht.

Door die verantwoordelijkheid op te nemen, schept België meer ruimte voor ontwikkelingslanden (die weinig tot klimaatverandering bijdroegen maar er wel steeds meer de gevolgen van ondergaan) om gebruik te maken van fossiele brandstoffen.

België was de voorbije legislatuur geen klimaatkoploper in de Europese Unie, al was het maar omdat ons land heel dikwijls zelfs geen standpunt kon innemen in de schoot van Europese beslissingsorganen, omdat de gewesten het niet eens raakten over een gemeenschappelijk standpunt. Meestal was het Vlaanderen dat pleitte voor lagere objectieven dan Wallonië en Brussel en bleek een consensus niet haalbaar.

Terwijl ons land wel nog zijn Europese doelen van 2020 haalde, mede dankzij de pandemie die de economie sterk afremde, lijken we nu niet op weg om die te halen.

‘De salariswagens worden binnenkort verplicht elektrisch, maar ondanks alle beloften is Vivaldi er niet in geslaagd om de energiefiscaliteit klimaatvriendelijker te maken.’

De EU voorziet voor ons land tegen 2030 een vermindering van de emissies in 2005 in de sectoren buiten de emissiehandel met 47%, maar zijn Nationaal Klimaat- en Energieplan (NKEP) stevent, volgens de Europese Commissie, op een vermindering met 42% af.

‘De reden is dat Vlaanderen als doelstelling een reductie van de emissies met 40% vooropstelt. Aangezien Vlaanderen goed is voor meer dan de helft van de Belgische emissies bepaalt dat ook mee het Belgische resultaat,’ zegt Yelter Bollen, expert klimaat en milieufiscaliteit van de Bond Beter Leefmilieu (BBL). ‘Als je daar nog de klimaatzaak aan toevoegt, waar de rechter in zijn arrest eist dat België geen reductie met 47% maar met 55% realiseert, zijn we nog verder van huis.’

Ook de doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zullen we volgens de Commissie met het huidige NKEP niet halen. Zo komt België voor het aandeel van hernieuwbare energie in het totale energieverbruik - waar de EU voor ons land 33% vooropstelt tegen 2030 - met het huidige beleid slechts tot 21%, volgens de Europese Commissie.

Dat alles betekent niet dat er geen inspanningen zijn gebeurd: Vlaanderen timmert bijvoorbeeld wel degelijk aan de zware weg naar een goed geïsoleerd woningbestand, met scherpe maatregelen die nieuwbouwprojecten verbieden nog langer te verwarmen met gas, of woningkopers verplichten binnen de vijf jaar hun woning beter te isoleren. Maatregelen overigens, die het Vlaams Belang tijdens deze verkiezingscampagne onder vuur nam.

Bollen vindt dat ook de federale regering meer had kunnen doen: ‘Oké, de salariswagens worden binnenkort verplicht elektrisch, maar ondanks alle beloften is Vivaldi er niet in geslaagd om de energiefiscaliteit klimaatvriendelijker te maken.’

In ons land is de belasting op elektriciteit nog altijd veel zwaarder dan die op gas – we zijn daarin zowat de slechtste leerling van de EU - wat het heel moeilijk maakt om bijvoorbeeld warmtepompen te installeren.

Federaal minister van Energie Tinne Van der Straeten (Groen) oogstte bij de industrie geregeld lof voor haar kennis van zaken en haar visie. Ze zette serieuze stappen vooruit in de uitbouw van windkracht op zee en verlengde het gebruik van de twee jongste kernreactoren toen dat nodig bleek door de oorlog in Oekraïne en ondanks de groene neiging om van de kernuitstap een symbooldossier te maken. Het behoud van het uitbreide sociaal tarief voor energie hielp mee de pil vergulden voor de kwetsbare groepen tijdens de energiecrisis, die het gevolg was van die oorlog.

Deze federale regering wilde de groenste in de geschiedenis worden. Maar haar gebrek aan impact op belangrijke dossiers maakte dat sowieso al moeilijk en ook wat ze zelf kon doen, realiseerde ze niet altijd.

Draagvlak voor klimaatbeleid: Vlaanderen kon beter

Klimaatbeleid leek niet iets waar de Vlaamse regering echt op inzette. Dat bleek voor wie goed toekeek uit de aanpak van het industriebeleid. MO* beschreef eerder hoe de Europese energie-intensieve bedrijven, samen met de Europese Commissie en een paar Europese milieu-ngo’s, een meesterplan schreven over hoe zij tegen 2050 klimaatneutraal kunnen worden.

In dat plan geven ze aan dat er grote infrastructuurwerken moeten gebeuren, dat er overheidssteun nodig is voor risicovolle investeringen en, vooral, dat er vanuit de overheid gecommuniceerd moet worden over deze industriële transformatie om de bevolking daarin mee te krijgen. Opdat de bedrijven niet gekneld komen te zitten tussen klimaateisen, vergunning voor infrastructuurwerken en de bevolking. Hoe belangrijk dat is, blijkt in Vlaanderen uit de spanningen rond de Ventilus-hoogspanningslijn of de Leidingstraat tussen Antwerpen en het Ruhrgebied.

Door niet vol achter een sterk klimaatbeleid te gaan staan, dreigt men ruimte te scheppen voor politieke krachten die van de strijd tegen de opwarming een cultuuroorlog willen maken.

Voor een uitgewerkt Vlaams industriebeleid dat breed gecommuniceerd wordt, bleek bij de Vlaamse regering en de Vlaamse cd&v-ministers van Economie en Innovatie (eerst Hilde Crevits, later Jo Brouns) maar weinig animo.

Yelter Bollen (BBL): ‘De Vlaamse overheid is begonnen met een reeks werkgroepen onder de noemer van de “klimaatsprong”. Daar is uiteindelijk nog weinig uitgekomen, behalve een proefproject voor industriële subsidies. Meer algemeen is er geen duidelijke strategie, zelfs in een dossier als ArcelorMittal Gent, waar er dan wel sprake is van heel wat federale en Vlaamse steun. Een echte visie is er niet. Soms had ik de indruk dat de bedrijven en milieu-ngo’s meer bezorgd waren om de transitie in de energie-intensieve bedrijven dan de regering.’

Klimaatbeleid gaat ook om het scheppen van een draagvlak voor dat beleid. Dat heeft de Vlaamse regering te weinig gedaan. Minister van Omgeving en Energie Zuhal Demir (N-VA) benadrukte telkens weer dat het ‘haalbaar en betaalbaar’ moet zijn. En het spreekt voor zich dat de overheid er moet voor zorgen dat iedereen mee kan in het klimaatbeleid.

In dat verband is dan de vraag wat er op termijn meer kost: een uit de hand gelopen klimaatverandering of een begroting die echt investeert in klimaatneutraliteit? Door niet vol achter een sterk klimaatbeleid te staan, dreigt men ruimte te scheppen voor politieke krachten die van de strijd tegen de opwarming een cultuuroorlog willen maken.