Moeten we geen heel ander ontwikkelingsverhaal vertellen?

Het Globale Zuiden heeft nood aan rechtvaardigheid, niet aan hulp

CC0

 

Koen Bogaert, Bernard Mazijn, Brecht De Smet, Julie Carlier & Marlies Casier doceren aan de vakgroep Conflict- en Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van Gent. 

‘Laat ons de functie van Europese Commissaris voor Ontwikkeling afschaffen’, zo gooiden Jan Orbie en Sarah Delputte enkele weken geleden de knuppel in het hoenderhok. Het hele concept van een ontwikkelingsbeleid is aan een grondige herziening toe. Met de nieuwe Europese Commissie in de maak, voor de eerste keer geleid door een vrouw, de Duitse politica Ursula von der Leyen, een uitgelezen kans om dit debat weer op te rakelen.

Volgens Orbie en Delputte boette het Directoraat-generaal Ontwikkeling de laatste decennia sterk aan macht in. Europa degradeerde de Ontwikkelingscommissaris tot een keizer zonder kleren. Eén van de oorzaken, zo stellen de auteurs, is dat het Europese hulpbeleid ‘steeds meer ondergeschikt wordt gemaakt aan geopolitieke en economische agenda’s’.

Deze op het eerste zicht provocatieve stelling drukt ons met de neus op de feiten: het ontwikkelingsbeleid werkt niet. Het heeft nooit gewerkt. Het gevaar bestaat echter dat deze oproep gezien wordt als een uitnodiging om zich terug te trekken uit (historische) problemen waar Europa in de eerste plaats mee voor verantwoordelijk is. Daarom willen we als leden van de vakgroep Conflict- en Ontwikkelingsstudies (UGent) dieper ingaan op een aantal punten die door onze collega’s werden aangeraakt.

Waar komt het idee vandaan dat wij de rest van de wereld moeten “ontwikkelen”? Wat zeggen we meestal niet als we spreken over ontwikkelingshulp? En hoe zou een post-ontwikkelingstijdperk er kunnen uitzien als we daadwerkelijk luisteren naar het Globale Zuiden?

Het nieuwe buitenlandse beleid van Harry Truman

Na de Tweede Wereldoorlog werd het idee dat het Westen de rest van de wereld naar haar evenbeeld moest “beschaven” gradueel vervangen door een ontwikkelingsdiscours. Aan het begin van zijn tweede ambtstermijn lanceerde de Amerikaanse president Harry Truman (1945-1953) het idee van ontwikkeling als één van de pijlers van zijn toekomstig buitenlands beleid. In zijn inaugurele speech van 20 januari 1949 stelde hij dat Amerika moest beginnen:

‘… aan een moedig nieuw programma om de voordelen van onze wetenschappelijke vooruitgang en industriële vooruitgang beschikbaar te stellen voor de verbetering en groei van onderontwikkelde gebieden. Meer dan de helft van de mensen in de wereld leeft in ellendige omstandigheden. Hun voedsel is ontoereikend. Ze zijn het slachtoffer van ziekte. Hun economie is primitief en stagneert. Hun armoede is een handicap en vormt een bedreiging zowel voor henzelf als voor de meer welvarende regio’s. Voor het eerst in de geschiedenis beschikt de mensheid over de kennis en vaardigheden om het lijden van deze mensen te verlichten. De Verenigde Staten steken boven alle andere landen uit in de ontwikkeling van industriële en wetenschappelijke technieken.’

Amerika moest, aldus Truman, de arme landen in het Zuiden helpen in hun economische ontwikkeling en hen de technologische en politieke knowhow aanreiken om op eigen benen te staan. Op die manier zou de VS bijdragen aan een nieuw tijdperk van wereldvrede, overvloed en vrijheid. Het tijdperk van het “oude imperialisme” – verwijzend naar de Europese koloniale machten – was voorbij. Het was de eerste speech van een Amerikaanse president die rechtstreeks kon gevolgd worden op televisie.

Volgens Jason Hickel, antropoloog aan de London School of Economics, mogen we de publieke impact van deze wending in het Amerikaanse buitenlands beleid niet onderschatten. In zijn laatste boek The Divide schrijft hij dat Truman’s ontwikkelingsverhaal miljoenen Amerikaanse kijkers een nieuwe manier aanbood om naar de wereld te kijken. Een nieuwe manier om de wereld te begrijpen.

Rijke landen waren “ontwikkeld”. Zij liepen voorop in de vaart der volkeren en dit succes hadden ze vooral te danken aan hun eigen innovatie, hun eigen inspanningen en hun eigen intelligentie. Rijke landen hadden betere instituties, betere technologie en betere waarden en normen en net die zaken moesten ze delen met de arme landen van deze wereld. Met andere woorden, de Verenigde Staten – en bij uitbreiding het Westen – waren nu het model voor de rest van de wereld.

Van kolonisering naar ontwikkeling

Via het nieuwe ontwikkelingsverhaal konden rijke landen de armoede in de wereld en de ongelijkheid tussen Noord en Zuid verklaren als iets wat los stond van hun eigen rijkdom. De armoede van de ene had niets te maken met de rijkdom van de andere. Ongelijkheid was slechts een tijdelijke aberratie. Een gevolg van onfortuinlijke landen die (nog) niet mee konden. Ontwikkelingshulp zou dit probleem oplossen. Zo werd tijdens de jaren zestig gepleit om één procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) van de geïndustrialiseerde landen te investeren in ontwikkelingshulp.

Deze hulp moest enkel dienen als eerste aanzet voor ontwikkeling. Het credo was toen “trade, not aid”. Het gaf de Westerse landen de mogelijkheid hun oude verhaal van koloniale overheersing en beschaving te vervangen door een nieuw, modern verhaal van ontwikkelingshulp, liefdadigheid en altruïsme met het oog op een steeds intensievere geglobaliseerde wereldeconomie. Over het koloniaal verleden en vooral de impact van dat verleden op de bestaande ongelijkheid tussen Noord en Zuid werd gezwegen.

Het was ook in die periode dat de verhoudingen in de wereld – althans de indruk gaven – drastisch te veranderen. Voordien was het koloni­alisme het kenmerk van de Noord-Zuid verhou­dingen. In de postkoloniale periode zijn op de ver­schillende conti­nenten pogingen onderno­men om, al dan niet succes­vol, te komen tot gebie­den van regio­nale economi­sche (en politieke) integratie.

De Afro-Aziat­ische conferentie van Bandung (1955) en de eerste conferentie van niet-gebon­den landen te Belgrado (1961) zorgden voor een groeiend geopolitiek bewustzijn van het zuidelijk halfrond. De postkoloniale staten probeerden hiermee een onafhankelijke politieke koers te varen in de context van de Koude Oorlog. Het rechtstreekse gevolg was de oprichting van de groep van 77 (G77) op de eerste UNCTAD-conferentie. China leunde vooral aan bij deze laatste groep.

De geïndustrialiseerde landen uit het Noorden groepeerden zich eveneens in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het vroegere communistisch blok verenigde zich in een economisch samenwerkingsverband tussen de zogenoemde Oostbloklanden (COMECON). Andere initiatieven waren de Europese Gemeen­schap (EG), het Latijns-Amerikaans Ver­bond voor Vrije Handel (AL­ALC), de Conferen­tie voor Zuid-Afrikaanse Ontwikkelingssamen­wer­king (SADCC), de Associ­atie van Zuidoost Aziati­sche Landen (ASEAN), de Noord-Ame­rikaanse vrijhandels­zone (NAFTA), en meer recent nog de Zuid-Amerikaanse douane unie MERCOSUR.

De VN-confe­rentie over handel en ontwik­keling (UNCTAD) van Genève in 1964 moest mee gestal­te geven aan deze regionalisering en de intrede van het Zuiden als politiek blok. Het streven naar groeivoeten van meer dan vijf procent was tijdens de opeenvolgende UNCTAD-conferenties een steeds weer­kerende doelstelling. Vandaag kent deze VN-organisatie echter al vele jaren een sluimerend bestaan. De machtsverhoudingen tussen het Noorden en het Zuiden werden ondertussen ook hersteld, onder andere met de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation, WTO). De rijke landen bleven het ontwikkelingsverhaal bepalen en domineren.

Het huidige verhaal van ontwikkeling is er één dat de oorzaken voor onderontwikkeling, armoede en ongelijkheid reduceert tot louter interne kwesties van slecht bestuur, corruptie en gebrekkige hervormingen

Dit resulteerde in het huidige verhaal. Een verhaal dat de oorzaken voor onderontwikkeling, armoede en ongelijkheid reduceert tot louter interne kwesties van slecht bestuur, corruptie en gebrekkige hervormingen. Het werd in de volgende decennia telkens opnieuw verpakt, in de vorm van acht Millenniumdoelstellingen (2000) in het begin van de 21ste eeuw en recent nog in de vorm van 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (2015).

Maar ondanks alle mooie beloftes, engagementen en financiële inspanningen blijft de ongelijkheid vandaag in snel tempo toenemen en leeft de meerderheid van de wereldbevolking in armoede of armoederisico. De kritische vraag is dus niet hoe we het ontwikkelingsverhaal kunnen heruitvinden maar eerder of we niet een heel ander verhaal moeten vertellen? De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie waarschuwt ons voor het gevaar van het dominante en eenzijdige verhaal van ontwikkeling en onderontwikkeling. We moeten op zoek naar een nieuw narratief en misschien ook wel nieuw perspectief:

‘Start het [ontwikkelingsverhaal] [niet] met de pijlen van de Native Americans, [maar] met de komst van de Britten, en je hebt een heel ander verhaal. Begin het [ontwikkelingsverhaal] [niet] met het falen van de Afrikaanse staat, [maar] met de koloniale creatie van de Afrikaanse staat, en je hebt een heel ander verhaal’

Het Zuiden ontwikkelt vandaag het Noorden

Welk ander verhaal moeten we dus vertellen vandaag? Welk verhaal kunnen we vertellen dat “ontwikkelingshulp” plaatst binnen een veel bredere context van structurele machtsrelaties en ongelijke ontwikkeling? Elk jaar vloeit er ongeveer 130 miljard dollar richting het Globale Zuiden in de vorm van ontwikkelingshulp. Op het eerste zicht lijkt het een enorme som geld. Hoe komt het dan dat het ontwikkelingsbeleid faalt?

De reden is eenvoudig. Als we ontwikkelingshulp zien als een onderdeel van de totale som van financiële transacties die het Globale Zuiden binnen en buiten stromen – dus naast ontwikkelingshulp ook buitenlandse investeringen, handel, belastingontwijking, interesten, etc. – dan zien we dat sinds de jaren tachtig de zogenaamde ontwikkelingslanden met een negatieve financiële balans zitten van 16,3 biljoen dollar.

Voor elke dollar ontwikkelingshulp, vloeit er vandaag 24 dollar terug richting rijke landen en rijke investeerders

Met andere woorden, de laatste vier decennia vloeide er 16.300 miljard dollar meer uit het Globale Zuiden dan dat er binnenkwam. Dit is te wijten aan zaken zoals interesten op overheidsschulden, winsten van buitenlandse multinationals in mijnbouw, landbouw en de olie-industrie. Maar het grootste deel is afkomstig van Illicit Financial Flows (illegale transacties zoals “trade misinvoicing” en “transfer mispricing”).

Volgens een studie van de Amerikaanse denktank Global Financial Integrity vloeien er jaarlijks miljarden dollars op illegale manier terug naar het Noorden (lees de “ontwikkelde” landen) of verdwijnt het in belastingparadijzen. Tussen 2004 en 2013 steeg de waarde van de illegale transacties die uit het Globale Zuiden vloeiden van 465 miljard dollar naar meer dan 1 biljoen dollar.

Onze perceptie moet dus aangepast worden. Voor elke dollar ontwikkelingshulp, vloeit er vandaag 24 dollar terug richting rijke landen en rijke investeerders. De rijke landen helpen dus niet met de ontwikkeling van arme landen, het is eerder andersom. De zogenaamde hulp die rijke landen bieden aan arme landen uit het Zuiden is slechts een fractie van het geld dat verdiend wordt door rijke landen en vooral Westerse multinationals ten koste van het Globale Zuiden.

De structurele onderontwikkeling van het Zuiden is dus niet alleen geworteld in een geschiedenis van kolonialisme, racisme en imperialisme – dat men handig negeerde binnen het nieuwe ontwikkelingsverhaal – maar ook in hedendaagse mondiale productieketens, economische machtsverhoudingen, illegale financiële stromen en Westerse belangen die worden uitgevochten in het Zuiden.

Het idee dat er verschillende economieën op verschillende snelheden bestaan klopt niet: er is één wereldeconomie met een hiërarchie van productieprocessen en arbeidsvoorwaarden. De innovatieve elektrische wagen in het Noorden maakt deel uit van een productieketen die tot diep in het Globale Zuiden reikt. De rijkdom van het Noorden hangt intrinsiek samen met de vervuilende mijnbouw en de delokalisering van klassieke industrieën gebaseerd op lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden en heel vaak ook gewapend conflict en oorlog.

De klimaatkosten van het ontwikkelingsverhaal

Bovenop de negatieve financiële balans, de economische uitbuiting en de gevolgen van oorlog en geweld, zijn er nog extra kosten die worden afgeschoven op het Globale Zuiden. In onze zoektocht naar steeds goedkopere arbeid, steeds goedkopere productiekosten en steeds voordeligere belastingregimes in het Zuiden worden de kosten voor het klimaat doorgeschoven naar toekomstige generaties. In de huidige prijs van consumptiegoederen wordt nauwelijks rekening gehouden met vervuiling en haar effecten op klimaatverandering, bodemuitputting en biodiversiteit.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

De door Andre Gunder Frank en Samir Amin reeds lang beschreven economische ongelijke ruil tussen Noord en Zuid wordt zo verder belast met een ecologische ongelijke ruil: de arme landen in de wereld zullen de grootste kosten dragen voor toekomstige rampen gelieerd aan die klimaatverandering.

Volgens Climate Vulnerability Monitor stierven in 2010 400.000 mensen als gevolg van extreme weersomstandigheden, droogte en ziektes gelieerd aan klimaatverandering. Men verwacht dat dit aantal zal stijgen tot zes miljoen per jaar in 2030, waarvan 99 procent van de slachtoffers in het Globale Zuiden. Andere studies schatten het aantal klimaatvluchtelingen tussen de 135 en 200 miljoen in 2050. Volgens Jason Hickel zullen de financiële kosten voor de klimaatopwarming oplopen tot 954 miljard dollar in 2030, een veelvoud van de jaarlijkse ontwikkelingshulp.

Een nieuwe verhaal gebaseerd op rechtvaardigheid

Net zoals Jan Orbie en Sarah Delputte geloven ook wij eerder in TAMARA (There are many alternatives ready and available) dan in TINA (There is no alternative). Maar hoe ziet TAMARA eruit? Hoe kunnen we evolueren naar een post-ontwikkelingstijdperk? Hoe schuiven we een nieuw mobiliserend verhaal naar voor? Een post-ontwikkelingstijdperk moet radicaal breken met het huidige beleid en de huidige economische en politieke machtsverhoudingen tussen Noord en Zuid. Veel tijd is er niet om dit te realiseren, gezien de opwarming van het klimaat en het dreigende gevaar van onomkeerbare effecten (de zogenaamde tipping points).

Vanuit het Zuiden zelf worden verschillende oplossingen naar voor geschoven die het verhaal van “hulp” en “ontwikkeling” vervangen door een verhaal van “rechtvaardigheid” en “solidariteit”. Dit is geen nieuwe eis. Tijdens de dekolonisatie bekritiseerden intellectuelen en leiders uit het Globale Zuiden zoals Kwame Nkrumah reeds de dynamieken en gevolgen van ontwikkelingshulp. Samir Amin zag de-linking – “afkoppeling” van de “centrale” economie van het Westen – als oplossing voor de afhankelijkheid en onderworpenheid van de “perifere”economie van het Globale Zuiden.

Het idee dat we vandaag praten over “hulp” of “samenwerking” is absurd in het licht van de manier waarop de rijkdommen uit het Zuiden veel te goedkoop en zelfs illegaal ontgonnen worden door investeerders, landen en bedrijven uit het Noorden. Bovendien, is het verhaal van ontwikkelingshulp demoraliserend, misleidend en voedt het een superioriteitsdenken dat compleet misplaatst is (ondanks al onze “hulp” slagen landen in het Zuiden er maar niet in om hun problemen op te lossen). Als we de focus verleggen naar rechtvaardigheid, krijgen we een heel ander verhaal. In een recent interview met MO*-magazine pleitte de Marokkaanse mensenrechtenactiviste Khadija Ryadi nog voor een heel ander Europees beleid:

‘Waarom vertrekken mensen uit Afrika naar Europa? Omdat het Europese en vooral het Franse beleid gericht is op de ontginning van de inheemse rijkdom en de uitbuiting van de lokale bevolking. Afrikaanse migranten die naar Frankrijk trekken, volgen alleen het kruimelspoor van de rijkdom die hen ontnomen is. Er is nood aan een nieuw Europees beleid dat een einde maakt aan de plundering van de rijkdom van de Maghreb en bij uitbreiding de rest van Afrika.’

Post-ontwikkeling?

Er bestaan onnoemelijk veel oplossingen en voorstellen voor een meer sociale en ecologisch rechtvaardige wereldorde. Het is onmogelijk om deze allemaal te bespreken. Niettemin gaan we bij wijze van conclusie kort in op een aantal grotere principes die als leidraad zouden kunnen dienen.

Als de vervanging van fossiele brandstoffen door groene energie enkel en alleen gericht is op de vervanging van één soort grondstof door andere grondstoffen, dan zal die groene transitie alles behalve duurzaam zijn

Eerst en vooral, maak een einde aan de verstikkende debt trap waarin vele landen in het Globale Zuiden vastzitten. Verschillende bewegingen en ngo’s ijveren hier al jaren voor. Arme landen spenderen grote delen van hun inkomen aan het betalen van interesten op schulden die ze al vele malen hebben afbetaald. Dat belet broodnodige investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en economische ontwikkeling. Bovendien zijn veel van deze schulden opgebouwd via leningen aan autoritaire leiders (vaak in het zadel geholpen door Westerse regeringen) en/of aan voorwaarden waarvan internationale grootbanken de risico’s al dan niet bewust hebben genegeerd.

Waarom moeten miljoenen burgers in het Globale Zuiden daarvan vandaag de dupe zijn, en niet de banken? Het idee dat landen kost wat kost hun schulden moeten afbetalen, zelfs als dit leidt tot een humanitaire crisis, is ook iets zeer recent. In het verleden stopten landen veel vaker met het terugbetalen van hun schulden als de (menselijke) kost te hoog was.

Ten tweede, maak een einde aan een economische relatie die gericht is op de plundering en uitbuiting van de natuurlijke rijkdom en de arbeid in het Zuiden. Dit is zeer belangrijk met het oog op de zogenaamde groene energietransitie die voor de deur staat. Als de vervanging van fossiele brandstoffen door groene energie geen rekening houdt met de manier waarop we energie consumeren en enkel en alleen gericht is op de vervanging van één soort grondstof door andere grondstoffen, dan zal die groene transitie alles behalve duurzaam zijn.

Integendeel, als we olie, gas en steenkool enkel vervangen door een nog intensievere extractie van grondstoffen zoals kobalt, lithium, nikkel en koper binnen eenzelfde logica van ongebreidelde groei, zo laag mogelijke productiekosten en winstmaximalisatie ten koste van zowel mens en klimaat in het Zuiden, dan zal de groene transitie vervallen in een zeer vuile business en in een nieuwe vorm van kolonisering.

Ten derde, een meer rechtvaardige wereldorde die een einde maakt aan de groeiende ongelijkheid vereist een radicale herverdeling van rijkdom op mondiaal vlak. Laten we daarom een discussie openen over reparaties (herstelbetalingen). Hoe kunnen rijke landen in het Noorden verantwoordelijkheid opnemen voor het feit dat ze eeuwenlang rijkdom hebben opgebouwd ten koste van het Globale Zuiden?

Twee soorten reparaties zouden hier aan bod kunnen komen. Enerzijds, historische reparaties voor de menselijke en materiële achterstelling ten gevolge van de kolonisering. Anderzijds, klimaatreparaties voor de manier waarop de klimaatverandering het Zuiden disproportioneel treft.

Het is belangrijk te beseffen dat deze discussies over reparaties niet vertrekken vanuit een idee van slachtofferschap, maar eerder voortgestuwd worden door de radicale claims van steeds meer bewegingen en individuen die zich laten inspireren door idealen van dekolonisering en klimaatrechtvaardigheid, zowel bij ons als in het Globale Zuiden. Het aanpakken van belastingsparadijzen en het streven naar eerlijke belastingheffingen wereldwijd zou ook al een eerste stap zijn in de richting van een financieringsmodel voor reparaties. Dus als we DG Ontwikkeling afschaffen, waarom dan geen Europese Commissaris voor reparaties in de plaats?

Tot slot moeten we het voorbeeld volgen van de dekoloniseringsbewegingen en klimaatactivisten en opkomen voor een meer democratische wereldorde. Belangrijke en ook zeer machtige instellingen zoals de Wereldbank, het IMF en ook onze eigen Europese Unie moeten uit de klauwen worden gehaald van de multinationals, de één procent rijksten en hun belangen. Alleen op die manier kunnen we einde maken aan een mondiaal handelssysteem dat gebaseerd is op de uitbuiting van het Zuiden. Alleen op die manier kunnen we beginnen nadenken over een wereldeconomie gebaseerd rechtvaardigheid en menselijke noden in plaats van een systeem dat geobsedeerd is door het absurde idee dat we alles kunnen oplossen met ongebreidelde groei. Alleen op die manier kunnen we ook de toekomst van de volgende generaties vrijwaren.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift