Hoe een alternatief Turkijeboek sommigen erg zenuwachtig maakt

Over mijn boek ‘Wat u niet mag weten over Turkije. Hoog tijd voor een eerlijk debat’ (Lannoo 2016) verscheen op de website van MO* een opiniestuk van Stephen Bouquin. Dit is geen normaal opiniestuk of boekbespreking. Dit is een doelgerichte poging om iemand te beschadigen op basis van gemakkelijk aantoonbare leugens en halve waarheden. Je houdt het gewoon niet voor mogelijk. De vraag is vooral waarom dit nu gebeurt, en waarom journalisten en anderen het gretig verspreiden.

  • CC Bass_Nroll (CC BY-NC-ND 2.0) CC Bass_Nroll (CC BY-NC-ND 2.0)

Het hele stuk is erop gericht van mij en mijn boek een karikatuur te maken. Mij wordt het citaat in de mond gelegd dat ik “het beeld over Turkije wil nuanceren en de waarheid in ere herstellen”. Ik heb zoiets nooit gezegd en nooit bedoeld. In de bijna 20 jaar dat ik lesgeef over internationale politiek, heb ik nooit beweerd de waarheid in pacht te hebben, omdat ik geloof dat niemand dat kan. Turkije is bovendien een dermate complexe materie dat iedereen bescheiden moet blijven, ook Stephen Bouquin. Er zijn zoveel vraagtekens, er circuleert zoveel propaganda.

Dat ik de Armeense genocide banaliseer, is desinformatie

Bouquin zegt vlakaf dat ik het lot van de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog banaliseer. Een gratuite en kwetsende opmerking. In het boek erken ik de genocide onder Ottomaanse verantwoordelijkheid. Ik schrijf er onder andere het volgende over: “Armeense mannen, vrouwen en kinderen werden het slachtoffer van massamoorden en een massadeportatie richting Syrië waarbij de meesten zijn gestorven door honger, ziekte en aanvallen.” Volgens Bouquin ligt mijn banalisering in het feit dat ik ook wijs op andere mogelijke genocides van de voorbije honderdvijftig jaar, zonder erbij te vertellen waarom ik dit doe.

Ik constateer dat de Duitse parlementaire resolutie over de Armeense genocide vroeger goedgekeurd was dan de erkenning van de genocide door Duitse troepen op Namibische volkeren in het begin van de twintigste eeuw

Ik bespreek de Armeense genocide namelijk onder een categorie ‘twee maten en twee gewichten’. Als niet-historicus maak ik vooral bescheiden opmerkingen over de manier waarop het debat vandaag politiek gevoerd wordt. Die vind ik contraproductief om te komen tot algemene erkenning en verzoening. Waarom wordt Stephen Bouquin zo boos, wanneer ik bekritiseer dat er over andere grootschalige massamoorden veel minder heisa is? Die (westerse) staten zijn er ook niet in het reine mee, maar ze krijgen geen parlementaire resoluties of minuten stilte tegen zich.

Ik constateer dat de Duitse parlementaire resolutie over de Armeense genocide vroeger goedgekeurd was dan de erkenning van de genocide door Duitse troepen op Namibische volkeren in het begin van de twintigste eeuw. Doe ik met deze vaststelling afbreuk aan de nagedachtenis van de Armeense slachtoffers? Is het een ‘wetenschapper onwaardig’, als ik zeg dat de politieke spelletjes en ongelijke behandeling de vooruitgang van de gemeenschappelijke erkenning van wat moet erkend worden, in de weg staat? Bouquin wil van deze meta-discussie om duistere redenen een taboe maken.

Liegen over mijn bronnengebruik en standpunten

In dit verband heb ik durven verwijzen naar de vele massamoorden op Turken en moslims in het Ottomaanse Rijk in de periode 1820-1923, waar in het Westen bijna niemand over spreekt. Zoiets levert dus meteen banbliksems op. Wie bepaalt hier eigenlijk de agenda? Ik vraag mij af of deze feiten ook niet voor genocide in aanmerking komen. Ik vermeld dat er in de literatuur sprake is van 2,5 miljoen doden onder Anatolische moslims in de periode 1914-1923.

Bouquin beweert zomaar dat ik hiervoor “geen duidelijke bronvermelding” hanteer en hij “na lang zoeken terecht komt bij de omstreden Justin McCarthy.” Mijn bron staat meteen na deze zin en dat is de Leidse hoogleraar Erik-Jan Zürcher, niet McCarthy. Ik heb wel de bekende studie van McCarthy vermeld, waarin hij gewag maakt van 5 miljoen omgekomen Ottomaanse moslims tussen 1820 en 1923. Zelf neem ik geen stelling in over die aantallen, en sta open voor iedereen die argumenteert dat deze massamoorden op Turken en andere moslims niet hebben plaatsgevonden.

Bouquin gaat ethisch gezien zwaar uit de bocht omtrent de Armeense genocide door het volgende te stellen: “Lesage zwijgt in alle talen over deze kritiek op Mc Carthy en haalt zelf het aantal slachtoffers nog meer naar omlaag, tot ongeveer 300.000.” Dit zuigt hij gewoon uit zijn duim. In mijn boek bespreek ik wel dat bepaalde parlementen de historische waarheid over het exacte aantal slachtoffers politiek vastleggen, terwijl de standpunten over de aantallen sterk uiteenlopen. Ik citeer de Armeense republiek (1,5 miljoen), de International Association of Genocide Scholars (meer dan 1 miljoen), Erik-Jan Zürcher (tussen 600.000 en 800.000) en een denktank van het Turkse ministerie van buitenlandse zaken (300.000). Ik had ook kunnen verwijzen naar de sterk uiteenlopende cijfers die tijdens het herdenkingsjaar 2015 in Nederlandstalige kwaliteitsmedia verschenen zijn (De Standaard en de VARA hadden het over 800.000, anderen noemden veel hogere cijfers). Maar ik heb alleszins nergens gezegd of geschreven dat 300.000 mijn standpunt is. Wat Stephen Bouquin hier doet, is doelbewust fake news verspreiden.

In tegenstelling tot wat Bouquin beweert, heb ik gewoon nergens Justin McCarthy geciteerd met een cijfer over de Armeense genocide

Maar het is nog lang niet gedaan. In tegenstelling tot wat Bouquin beweert, heb ik gewoon nergens Justin McCarthy geciteerd met een cijfer over de Armeense genocide. Bouquin weet wellicht dat McCarthy twijfels heeft bij de centrale aansturing van de massamoorden op de Armeniërs en derhalve het G-woord, en daarom veel vijanden heeft. Via desinformatie probeert hij dat op mij te doen afstralen.

Bouquin legt mij de uitspraak in de mond dat er in Turkije “geen ontkenningscultuur heerst”. Dit staat simpelweg niet in mijn boek, wat er alweer op wijst dat het stuk van Bouquin schaamteloze propaganda is om mij in diskrediet te brengen. In mijn tekst betwist ik wel dat er omtrent de gebeurtenissen van 1915 “een totale ontkenningscultuur heerst”. Zo haal ik onder meer aan dat de Turkse overheid namens het Ottomaanse Rijk de verantwoordelijkheid voor de dood van honderdduizenden Armeniërs op zich neemt en dat de laatste jaren genocide-erkenners bij mijn weten niet meer vervolgd worden. Ik heb nooit beweerd en nooit willen beweren dat de ontkenningscultuur verdwenen is. Door een woord weg te laten geeft Bouquin mijn boodschap een compleet andere inhoud. Je ziet bij hem ook een intolerantie voor elke nuance tegenover de wijdverspreide horrorverhalen over de mainstream Turken.

Deze flagrante leugens, die elk kind gewoon kan vaststellen door zijn tekst en mijn boek naast elkaar te leggen, bewijzen andermaal dat we hier niet te maken met een ‘boekbespreking’, maar met een nietsontziende beschadigingsoperatie tegen een collega. Extra bezwarend is dat uitgerekend de Armeense genocide hiervoor wordt gebruikt, wat net mijn punt over het politieke misbruik ervan bewijst.

Demoniseren

Omdat ik in één van de eerste hoofdstukken gesproken heb over “Koerdische dialecten”, suggereert Bouquin ten onrechte dat ik het Koerdisch niet als volwaardige taal naast het Turks erken. Dit is hallucinant, wat elke eerlijke lezer van mijn boek weet. Hij haalt er bovendien meteen “officiële Turkse analyses” bij die de Koerdische talen “allemaal als verbasterde en vereenvoudigde vormen van het Turks” beschouwen. Met dit soort knettergekke opvattingen heb ik niks te maken. Voor mij is het evident dat Koerdisch een aparte, volwaardige taal(groep) is, die erg weinig tot niets met het Turks te maken heeft.

Voor mij is het evident dat Koerdisch een aparte, volwaardige taal(groep) is, die erg weinig tot niets met het Turks te maken heeft.

Dit standpunt blijkt duidelijk uit het vervolg van mijn boek. Ik ben mij er ook van bewust dat er onder ‘het Koerdisch’ verschillende varianten bestaan – enkel in die context heb ik het woord ‘dialecten’ gebruikt, zoals elke lezer begrijpt. Ik wil graag aannemen dat deze varianten volgens de classificatie van taalkundigen elk volwaardige talen zijn in plaats van dialecten van één Koerdische taal. Maar dat is niet de kern van de politieke discussie, zolang men maar de Koerdische taal(groep) als volwaardig naast het Turks erkent. Dat doe ik op verschillende plaatsen in het boek, onder meer waar ik erken dat “de Koerdische taal zo werd onderdrukt” en “het Koerdisch als voertaal” in het publieke leven “een redelijke eis” is. Dit is dus alweer een onwaarschijnlijke poging van Stephen Bouquin om mij te demoniseren bij mensen die mijn boek nog niet gelezen hebben.

“Door zijn stilzwijgen over wat nu precies het Koerdisch vraagstuk mag wezen, ontkent Lesage elke grond voor een streven naar het recht op eigen taal, de uitoefening van culturele rechten en politieke autonomie”: dit is helaas een nieuwe leugen. Ik schrijf zelf dat de Koerden kunnen verwijzen naar het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren dat binnen de VN is erkend. Dit houdt geen recht in op separatisme, wel van identiteit en een vorm van bestuurlijke autonomie. Ik stel expliciet dat de Turkse politiek verzuimd heeft de voedingsbodem voor de PKK weg te nemen. Ik ga uitgebreid in op het onrecht dat de Turkse staat heeft begaan van 1923 tot vandaag. Bouquin voert mij op als iemand die het oké vindt dat “het hele onderwijssysteem voor 100 procent Turks is, alsof de lessen aan de Universiteit Gent nog in het Frans gegeven zouden worden.”

Letterlijk schrijf ik in het boek: “Koerdisch als voertaal in het publieke onderwijs en de overheidsdiensten lijkt mij een redelijke eis.” Ik verwijt de regeringspartij AKP ook expliciet in haar beloftes op dit en vele andere punten nooit klare wijn te hebben geschonken, wat het conflict mee in stand houdt.

Ik vraag een debat over de legitimiteit van de PKK

Tussendoor doet Bouquin alsof ik de nationalistische en racistische assimilatiepolitiek door de kemalistische staat niet problematiseer, terwijl dat net een rode draad doorheen het boek is.

Ik heb het wel degelijk over de absurde jakobijnse onderdrukking van de Koerdische identiteit, de tienduizenden doden, de verwoesting van duizenden Koerdische dorpen, de martelingen in de Turkse gevangenissen

In zijn pedante stijl verwijst Bouquin naar de repressie van Atatürk in de regio Dersim in de jaren 1930 waarbij vele duizenden Koerden zijn omgekomen. Of hoe tot recent de ene Koerdische partij na de andere werd verboden. Dat staat toevallig ook in mijn boek. Ik heb trouwens zelf eerlijk en duidelijk gesteld dat het boek focust op de ontwikkelingen tussen 2013 en 2016. Ik heb nooit geclaimd hét magnum opus over de hedendaagse Turkse geschiedenis te schrijven. In het enige, korte hoofdstuk waar ik de hele geschiedenis vóór 2002 bespreek, heb ik het wel degelijk over de absurde jakobijnse onderdrukking van de Koerdische identiteit, de tienduizenden doden, de verwoesting van duizenden Koerdische dorpen, de martelingen in de Turkse gevangenissen.

Ik weet en schrijf dat het mensen verboden werd Koerdisch in de privésfeer te gebruiken. Het is de duidelijk de bedoeling van Stephen Bouquin mij verkeerdelijk af te schilderen als iemand die onder invloed staat van Turkse ultranationalisten. Dat doet vragen rijzen over zijn motieven om dit manipulatieve stuk te schrijven.

In mijn boek vraag ik evenwel aandacht voor wat de voorbije 15 jaar ten voordele van de Koerden is veranderd. Zelfs de Turkse regeringspartij AKP haalde in het zuidoosten jarenlang monsterscores, waar elke Vlaamse partij van kan dromen. Op basis van dergelijke elementen vraag ik een debat over de legitimiteit van de PKK, met haar duizenden strijders, kolossale wapenarsenaal en grootschalig dodelijk geweld. Ik betwijfel of de PKK een meerderheid van de Koerdische mensen in Turkije vertegenwoordigt. Ik werp de hypothese op dat de PKK zelf een extremistische organisatie is, met een onredelijk maximalistisch programma – alleenheerschappij in het zuidoosten – en dit programma kracht bij zet met intimidatie en dodelijk geweld tegen andersdenkende Koerden. Dit maakt sommigen zichtbaar pisnijdig.

Nuanceren is niet goedpraten

Volgens Bouquin ondersteun ik “volmondig” het Turkse repressieve beleid waarbij Koerdische politieke organisaties worden verboden. In dit verband doe ik in het boek iets totaal anders, namelijk bewijzen aanreiken over de banden tussen de HDP en PKK, die in het Nederlandstalige debat nagenoeg onbelicht blijven. Mag het nog? Ik vind dat het publiek dit moet weten om een oordeel te kunnen vellen. Dat doe ik op basis van bronnen die in het Westen nochtans hoog aangeschreven staan, maar deze stukken informatie worden in 99 procent van de berichtgeving toch genegeerd.

Pleiten voor een kritischer houding, die volgens mij de Turkse democratie zou helpen, is niet hetzelfde als het toejuichen van de repressie

Ik vind het allerminst evident dat de Turkse justitie volksvertegenwoordigers opsluit. Maar ik vind het ook niet evident dat volksvertegenwoordigers eer gaan betonen aan zelfmoordterroristen van TAK – lees in mijn boek wat zij in Ankara en Istanbul hebben aangericht. Ik vind het ook niet evident dat er in Europa over de HDP géén kritische vragen worden gesteld, zelfs niet na het statement van PKK-leider Cemil Bayık dat de PKK de HDP eigenhandig heeft opgericht. Mag ik hiermee worstelen? Pleiten voor een kritischer houding, die volgens mij de Turkse democratie zou helpen, is niet hetzelfde als het toejuichen van de repressie. Maar ik heb al langer door dat verborgen dimensies opwerpen – “een wetenschapper onwaardig” – in bepaalde kringen tot nervositeit en zelfs woedende reacties leidt.

Het is ronduit pijnlijk hoe men de massa’s publicaties die de duistere kanten van de HDP gewoon verzwijgen, wél journalistiek of wetenschappelijk integer vindt. In mijn boek erken ik bovendien zelf twee goede redenen om de parlementsleden en militanten van de pro-Koerdische partij HDP niet te vervolgen: dat dit de PKK extra argumenten geeft om zijn legitimiteit te bewijzen en dat zo een mogelijke bemiddelaar tussen de gewapende groep en de regering wordt uitgeschakeld.

Moet er nog zand zijn?

Bouquin maakt ons ook niet echt wijzer over de oorzaken van de heropflakkering van het geweld tussen de PKK en de staat vanaf de zomer van 2015. In mijn boek vermeld ik veel elementen die je nergens anders in het Nederlandse taalgebied vindt en die volgens mij op een gedeelde verantwoordelijkheid wijzen. Ik leg als één van de weinigen dus ook een zware verantwoordelijkheid bij de PKK. In mijn analyse gaan de regeringspartij AKP en de nationalistische oppositiepartijen CHP (Atatürkisten) en MHP (extreemrechts) zeker ook niet vrijuit. Ik zit zelf nog met veel vraagtekens, omdat niet alle nodige informatie publiek is. Ik hoop dat academici ook nog mogen twijfelen in complexe situaties. Het is alvast duidelijk dat sommigen mijn analyse te genuanceerd vinden.

Bouquin zegt dat ik de vervolging van de opstellers en ondertekenaars van de petitie Academics for Peace “geenszins als problematisch” beschouw. Dat is alweer een regelrechte leugen, want in mijn boek staat net het omgekeerde.

Bouquin zegt dat ik de vervolging van de opstellers en ondertekenaars van de petitie Academics for Peace “geenszins als problematisch” beschouw. Dat is alweer een regelrechte leugen, want in mijn boek staat net het omgekeerde. In schrijf letterlijk dat ik deze repressie toen al veroordeeld heb als “een zware inbreuk op de vrijemeningsuiting”. Wel vind ik de petitie inhoudelijk schandalig, omdat ze met geen woord repte over de verantwoordelijkheid van de PKK.

Moet er nog zand zijn? Nergens heb ik beweerd dat ik deze petitie afkeur wegens haar oproep voor nieuwe onderhandelingen; waar haalt hij dat? Ik heb ook nergens gesteld dat “met terroristen niet te onderhandelen valt”. Zo’n radicaal standpunt heb ik nooit in mijn leven ingenomen. Bouquin schuift me in de schoenen dat ik het vervolgen van belediging van de president legitiem vind, terwijl ik in mijn boek – alweer – het omgekeerde heb geschreven, op meer dan één plaats. Voelt de man zich wel door ethische normen gebonden?

Het klopt ten slotte hoegenaamd niet dat ik “Europese kritiek” als zodanig mee verantwoordelijk acht voor een groeiend draagvlak voor autoritarisme in Turkije. Daar heb ik het onder meer wel over de feitelijke steun vanuit het Westen aan ondemocratische groepen die Turkije proberen te destabiliseren, zoals de PKK en de Gülenbeweging. Hierdoor voelt de meerderheid van de Turken zich belaagd, waardoor ze een nog groter mandaat geven aan een sterke leider. In mijn boek breek ik er net een lans voor ondemocratische oppositiekrachten niet meer kritiekloos te romantiseren en steunen, opdat de terechte kritiek op Erdoğan in de ogen van de Turkse publieke opinie net geloofwaardiger zou worden. Ik geef trouwens zélf veel kritiek.

Duidelijk signalen

Dit zelden geziene verbale geweld op de site van MO* bevat voor mij bepaalde signalen. Waag het niet de linkse consensus over Turkije en de PKK/HDP in vraag te stellen. Waag het niet de vuile was van de PKK en HDP buiten te hangen. Anders word je voor heel weldenkend Vlaanderen zwart gemaakt. Het is duidelijk dat mijn bredere en meer genuanceerde visie, die in het Nederlandse taalgebied nu iets meer gehoord wordt, voor het dominante PKK/HDP-discours een bedreiging vormt. Daarom proberen sympathisanten van zulke extremistische bewegingen mij voor te stellen als een extremist van “de andere kant”, in de hoop dat ik in de ogen van de media en anderen gediscrediteerd wordt.

Hoewel mijn boek heel harde kritiek op Erdoğan bevat, blijven mensen als Stephen Bouquin mij aan hem koppelen. Maar hun eigen publicaties zijn net gekenmerkt door minieme of afwezige kritiek op de PKK. Deze organisatie heeft al duizenden mensen van het leven beroofd en blijft dit dagelijks doen. Het is gezien de complexe en evoluerende context te gemakkelijk om dit als “zelfverdediging tegen staatsterreur” voor te stellen. In een mediaklimaat waarin er weinig tot geen grondige kritische analyses of zelfs vragen verschijnen over de legitimiteit van de PKK, wordt het voor een individu als mij moeilijker in mijn eentje dit debat aan te gaan, wetende dat de Belgische PKK mee leest.

In een mediaklimaat waarin er weinig tot geen grondige kritische analyses of zelfs vragen verschijnen over de legitimiteit van de PKK, wordt het voor een individu als mij moeilijker in mijn eentje dit debat aan te gaan

Het lef waarmee Bouquin hier de ene leugen op de andere over mijn boek stapelt, zegt ook iets over dat mediaklimaat. Deze poging tot karaktermoord op mezelf kon om te beginnen vlotjes verschijnen op MO*. Vervolgens werd het via de sociale media als “gegronde” lectuur of “zeer de moeite om te lezen” gedeeld door verscheidene journalisten, zoals Tine Dankaers van MO*, Ayfer Erkul van Knack en de beroemde nogal PKK-vriendelijke freelance journaliste en gewezen VRT-correspondente Fréderike Geerdink, thans ‘embedded’ bij de PKK in Kandil, Irak. Op deze manier is het al bij duizenden mensen terecht gekomen, ook in mijn professionele netwerken.

Bouquin vermoedt – wellicht terecht – dat hij hiermee gemakkelijk zal wegkomen. Ook dit is een signaal. Zolang je binnen het dominante narratief over Turkije blijft, kun je alles beweren wat je wil. Je zal altijd applaus krijgen. Je mag zelfs zonder scrupules alternatieve stemmen in diskrediet brengen. De consensus is zo sterk dat belangrijke journalisten dit niet alleen indekken, maar mee verspreiden. Wie nog iets anders zou willen zeggen, is dus gewaarschuwd. Ik ken nu al vele mensen die onder druk van deze zwijgspiraal hun mond niet meer durven opendoen.

Mijn boek is voor meer dan 97 procent gebaseerd op westerse en Turkse oppositiegezinde bronnen. Normaal ben ik heel bescheiden, maar nu alvast trots dat ik veel bij ons onbekende, maar belangrijke feiten aan de oppervlakte breng, en op basis hiervan argumenten ontwikkel, hypotheses voorstel en legitieme vragen stel. Mijn notenapparaat is veel uitgebreider dan dat van andere Nederlandstalige Turkijeboeken die recent zijn verschenen. Ik verwijt hen dat niet; onze boeken zijn voor een breed publiek bestemd.

Maar van het mijne wordt zo gemakkelijk gesteld dat het “een wetenschapper onwaardig is”. Hoe goed je je argumenten ook onderbouwt, hoe betrouwbaar je bronnen ook zijn, sommige activisten, politici, academici en journalisten zullen het altijd als Erdoğan-propaganda voorstellen. Omdat wat ik schrijf, niet past in het kraam van degenen die al vele jaren het mooie weer maken wat nieuws en duiding over Turkije betreft. Ik heb alleszins een andere visie op wat een democratisch debat moet zijn. Het stuk van Stephen Bouquin beschouw ik als ondemocratische laster.

Dries Lesage is politicoloog aan de UGent en auteur van het boek ‘Wat u niet mag weten over Turkije. Hoog tijd voor een eerlijk debat’ (Lannoo 2016).

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur