Israël privatiseert zijn checkpoints, de normalisering van een bezetting

Joachim Leclair, Senne Mertens & David Deriemaecker

16 november 2015
Opinie

Israël privatiseert zijn checkpoints, de normalisering van een bezetting

Israël privatiseert zijn checkpoints, de normalisering van een bezetting
Israël privatiseert zijn checkpoints, de normalisering van een bezetting

In april trokken drie studenten van de Masteropleiding Conflict and Development naar Palestina voor veldonderzoek. Hun bevindingen over de privatisering van de checkpoints leest u hier. 'De grote winnaars zijn de Israëlische overheid en de bewakings- en technologiebedrijven.'

Het is 05:00 uur en we spreken af met vrijwilligers van EAPPI, een ngo die toezicht houdt op de humanitaire situatie aan ‘Checkpoint 300’ tussen Bethlehem en Jeruzalem. De zon komt net op en 3000 Palestijnse arbeiders staan aan te schuiven om Jeruzalem binnen te treden. Want wie eerst Israël binnen kan, heeft het meeste kans op werk die dag.

Sinds het begin van de bezetting in 1967 plaatste de Israëlische regering verschillende grensovergangen zowel tussenin de Westelijke Jordaanoever en Israël als binnenin de West Bank zelf. Deze checkpoints werden in de eerste fase van de bezetting bemand door het leger en waren bedoeld als tijdelijke veiligheidsmaatregel.

Over de jaren heen heeft Israël een heel netwerk van checkpoints opgebouwd om de bewegingsvrijheid van de Palestijnse burgerbevolking te beperken. De laatste decennia werd deze taak van het leger gretig uitbesteed aan private veiligheidsbedrijven.

Pionier in privatisering

Privatiseringsprocessen in Israël zijn verre van anomalieën als we kijken naar de economische geschiedenis van het land. In de jaren negentig heeft de Israëlische staat een golf aan privatiseringsprojecten doorgevoerd in verschillende domeinen van zijn samenleving: zowel op sociaal, militair, economisch en cultureel vlak werden overheidstaken uitbesteed.[1]

Door middel van deze neoliberale hervormingen wou de toenmalige regering het machtsbastion van de vakbonden treffen. Volgens een rapport uitgebracht door het IDF (Israeli Defense Forces, het Israëlische leger), in 2004, zou de situatie aan de checkpoints humaner, veiliger en effectiever worden wanneer ze uitgebaat zouden worden door private bewakingsfirma’s.[2] Daarnaast zou de privatisering ook goedkoper uitvallen voor de regering, waardoor de fiscale druk zou dalen. Waar de overheid faalt, neemt de privémarkt het over.

‘Een goede oversteek gewenst’

In de laatste jaren hebben de militaire checkpoints een moderniseringsproces ondergaan. Op de plaats waar vroeger slechts enkele betonblokken op de weg, bewaakt door een stel militairen, dienst deden als controlepost staan nu gigantische, hypermoderne ‘terminals’. Langs de buitenkant zien ze eruit als eender welke luchthaventerminal ter wereld.

De checkpoints hebben een langdurig karakter gekregen.

Daarmee wil Israël de internationale gemeenschap tonen dat deze grensovergangen niet anders zijn dan andere douaneposten. Dat de checkpoints op feitelijk bezet gebied dus ‘normaal’ zijn.

Binnenin zien we pas de dagelijkse vernederingen die de Palestijnen moeten ondergaan. Naast het feit dat de wachtrijen op die in gevangenissen lijken, zijn de terminals zo ontworpen dat de interactie met de veiligheidsagenten tot een minimum beperkt wordt.

De Palestijnse burger wordt gecontroleerd door oogscanners en metaaldetectoren en moet zijn verblijfsvergunning tonen aan een bewaker achter kogelvrij glas. Deze vergunningen worden soms afgenomen en burgers worden vaak op willekeurige manier de toegang tot Israël geweigerd.[3]

Overige faciliteiten zoals drinkfonteinen en airco zijn niet toegankelijk voor de Palestijnen. Daarbovenop zijn de humanitaire wachtrijen voor hoogzwangere vrouwen, toeristen, ouderen, invaliden en humanitaire medewerkers zelden open. Kortom, de situatie is er niet op verbeterd en de checkpoints hebben een langdurig karakter gekregen.

Implicaties van het privatiseringsproces

De gevolgen in de praktijk verschillen sterk met het rapport van het leger. Het argument dat de privésector goedkoper is, blijkt onjuist. Aanvankelijk werden de uitgaven geschat op NIS 145 miljoen (ongeveer 33 miljoen euro) per jaar. Maar na de privatisering bedroeg het kostenplaatje NIS 200 miljoen (45,5 miljoen euro) en in de toekomst wordt geschat dat dit zal oplopen tot NIS 270 miljoen (74,8 miljoen euro) per jaar.

De staat schuift met opzet zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de Palestijnse burgers van zich af.

Dan is er nog de onmenselijke situatie ter plaatse. Verschillende humanitaire organisaties rapporteren over de chaos aan de checkpoints.[4] Mensen worden er soms urenlang samengedrukt als vee in eindeloos lange wachtrijen. Vorig jaar stierven twee Palestijnen nog terwijl ze stonden aan te schuiven.

Een ander probleem zijn de privébewakers zelf. Ze komen vaak uit het buitenland (Rusland en Tsjetsjenië onder andere) en spreken noch Arabisch, noch Hebreeuws. Communicatie met de Palestijnen, als die er al is, verloopt stroef. Bovendien toont de wetgeving waaraan de bewakers zich moeten houden vele gebreken. De bewakers hebben het recht om Palestijnse burgers vast te houden en te fouilleren.

Maar bij onregelmatigheden kunnen de bewakers kunnen enkel berecht worden voor een civiele rechtbank, terwijl Palestijnen enkel voor een militaire rechtbank kunnen verschijnen.[5] Het is deze wettelijke bescherming die ervoor zorgt dat bewakers steeds vaker gewelddadig optreden. De staat schuift met opzet zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de Palestijnse burgerbevolking van zich af naar de privésector en verliest daardoor zijn monopolie op geweld.

‘Testlabo checkpoint’

Andrea Moroni (CC BY-NC-ND 2.0)

De muur in Qalqiya.

Andrea Moroni (CC BY-NC-ND 2.0)​

Waar de privémarkt de wet dicteert, wordt winst het beleid. Bedrijven zoals HP, G4S, AS&E, Garret willen elk hun eigen stukje van de taart meepikken en leveren hypermoderne veiligheidssystemen zoals oogscanners, vingerafdrukscanners, metaaldetectors, prikkeldraad en draaihekken.[6]

De opgevoerde sociale controle kwam hand in hand met een vraag naar nieuwe biometrische apparatuur. Aan het Qalqilya-checkpoint bijvoorbeeld werd onlangs een nieuw controle systeem geïnstalleerd waarbij er lucht uit gecontroleerde auto’s wordt gezogen, waarna deze in een reservoir wordt verzameld.

Die lucht in het reservoir wordt dan besnuffeld door een bewakingshond. Als de hond iets verdacht ruikt, mag de passant Israël niet binnen. Omdat de honden vaak koffie en kruiden ook als merkwaardige geur beschouwen, belemmert dit vaak onterecht de bewegingsvrijheid van Palestijnen. Elke Palestijnse burger wordt op deze manier een laborat voor nieuwe apparatuur.

Ook de VS financiert een deel van het privatiseringsproces. De Amerikaanse regering zou via het ontwikkelingsagentschap USAID een contract hebben ondertekend voor 15 miljoen dollar met AS&E voor 5 draagbare scanners voor de Israëlische overheidsdienst verantwoordelijk voor de grensovergangen.[7]

Men kan meteen de volgende vraag stellen: Houdt USAID zich nog strikt bezig met ontwikkelingshulp? Het lijkt onlogisch dat het Amerikaans ontwikkelingsprogramma de bezetting financiert.

Privatisering als soelaas?

De grote winnaars van dit verhaal zijn de Israëlische overheid, die zijn verantwoordelijkheid doorschuift naar de privésector bij mensenrechtenschendingen, en de bewakings- en technologiebedrijven wiens winsten de lucht inschieten. De grote verliezer is het Palestijnse volk wiens situatie nog uitzichtlozer is geworden.

Hoewel de privatisering gezorgd heeft dat de checkpoints moderner ogen, bieden ze geen structurele oplossing voor de veiligheid maar belemmeren ze het dagelijkse leven van de Palestijnen en wordt de bezetting erdoor permanent en ‘normaal’. De ontmanteling van de checkpoints zou samen met het afbouwen van de illegale nederzettingen op Palestijns grondgebied en eerste stap naar een verder vredesdialoog kunnen betekenen.

Joachim Leclair is historicus, Senne Mertens studeerde productie ontwikkeling en David Deriemaecker studeerde Arabistiek. In het kader van hun ManaMa Conflict and Development aan de UGent gingen ze op veldonderzoek naar Palestina in april 2015 waar ze de privatisering van de checkpoints bestudeerden.

[1] NITZAN, J; Bichler S. (2002). The Global Political Economy of Israel. Pluto Press, London.

[2] BRAVEMAN, I. (2012). Checkpoints, privatization and Normalisation of Occupation. Hebrew University of Jerusalem.

[3] B’tselem, Whoprofits, Machtsom Watch, EAPPI

[4] B’tselem, Whoprofits, Maschom Watch.

[5] HAVKIN, S. (2008). La Privatisation des Checkpoints: Esquisse d’une transformation d’un Dispositive de Pouvoir. Université Paris 1, Paris.

[6] Whoprofits

[7] Whoprofits, bizjournals, US Securities and Exchange Commission, US Campaign for the Academic & Cultural Boycott of Israel