Nieuwjaarsbrief aan mijn niet-begeleide minderjarige

Bernard Sintobin is zakelijk leider bij MO*, maar daarnaast is hij ook erkend voogd van een Afghaanse minderjarige asielzoeker. Bernard draait de rollen om en schrijft zijn “pleegkind” een brief naar aanleiding van nieuwjaar -‘mijn Nieuwjaar en niet dat van jou, want Nowroez, jouw Nieuwjaar, valt pas in het voorjaar.’

  • CC Brian Eeles (CC BY-SA 2.0) CC Brian Eeles (CC BY-SA 2.0)

Bernard Sintobin

MO*redactie
Zakelijk leider
30 december 2016

Beste Qais,

Na de zomer van 2015 werd ik, zoals veel Vlamingen, Belgen, Europeanen, geconfronteerd met televisiebeelden van grote groepen vluchtelingen uit Syrië, Irak, Afghanistan, Afrika… die met de moed der wanhoop en met grote risico’s Europa probeerden te bereiken.

Het raakte mij, het zette mij aan het denken maar het frustreerde mij ook. Het was immers overweldigend en wat kon ik in mijn eentje doen aan zoveel ellende?
Als ik terugdenk aan die periode dan besef ik ook dat wij meer spraken over aantallen - ook in ons taalgebruik … bendes, horden, enzovoort – dan over echte mensen.

En dan, op 2 mei 2016, kwam jij in mijn leven. De Dienst Voogdij van FOD Justitie wees mij aan als jouw voogd, jij was mijn eerste NBMV zoals jullie genoemd worden in het administratieve jargon, een niet-begeleide minderjarige vluchteling. Een goede week later zag ik jou voor het eerst, in het opvangcentrum van het Rode Kruis waar je onderdak gekregen had.

Door omstandigheden had ik nog geen tolk kunnen vastkrijgen en het was behelpen, maar met het beetje Nederlands dat je sinds je aankomst in december geleerd had en wat Engelse woorden konden we toch kennismaken. Het was een wonderlijk moment, want hoe leg je uit aan een Afghaanse jongen die nog maar pas onze taal aan het leren is wat een ‘voogd’ eigenlijk is?

Een week later had ik een tolk en kon je in je eigen taal, het Dari, je hele verhaal doen. Ineens werden die televisiebeelden een persoonlijk verhaal, ineens werd ‘de vluchteling’ een mens van vlees en bloed, een mooie jonge man van vijftien.

Je verhaal is eigenlijk bijna cliché: de trektocht door het barre Iran, dan de lange weg door Turkije, het overladen gammele bootje zonder echte stuurman, de angst voor de verdrinkingsdood, de aankomst op een Grieks eiland – welk? Je hebt geen flauw idee, hoe zou je ook?, - opgepakt door de politie, weer vrijgelaten, het netwerk van smokkelaars die in iedere fase zorgden dat jullie weer verder konden, dan een tocht door de Balkan: Servië? Macedonië? Kroatië? je weet het niet, het doet er ook niet toe, uiteindelijk belandde je in België.

Waarom België, vroeg ik je? ‘Op de trein door ‘Autriche’ hadden mensen ons gezegd dat het een goed land was, met vriendelijke mensen …’

 

Beste Qais,

Het is nu exact een jaar geleden dat je in ons land aankwam. Ik kan getuigen dat je goed opgevangen bent, de Dienst Vreemdelingenzaken, de diensten van Justitie, Fedasil, het Rode Kruis, de OKAN-klas en al die gemotiveerde en behulpzame begeleiders, ze leveren allemaal fantastisch werk!

Vind jij dat ook? Ik denk het wel, al is het voor jou natuurlijk veel ingewikkelder, want een vreemd land, een andere taal, een cultuur die je niet kent, je heimwee naar je land, je mama, je papa, je broers en zussen die je zo mist… af en toe is het best wel lastig en vind je het helemaal niet leuk in de klas, zou je in het centrum graag wat meer vrijheid hebben, ben ook ik soms een beetje de (te) strenge vader!

Ik vind het wel super hoe hard je je best doet, hoe je na ieder gesprek weer belooft dat je zal doen wat nodig is – wat wij zeggen dat nodig is – om hier een leven uit te bouwen, om je hier te integreren zoals wij dat graag noemen.

Het raakt mij ook als je tegenover je vrienden in het centrum vol trots naar mij wijst ‘dat is mijn voogd!’, tenminste iets dat helemaal van jou is in een land waar je afhankelijk bent van alles en iedereen.

 

Beste Qais,

Dit is mijn nieuwjaarsbrief aan jou maar eigenlijk is dit mijn Nieuwjaar en niet dat van jou, want Noroez, jouw Nieuwjaar, valt maar in het voorjaar. Maar het zijn wel mijn wensen voor jou dus krijg je ze alvast mee, ze zullen ongetwijfeld nog niet vervallen zijn op 21 maart!

Eigenlijk zou ik je moeten wensen dat het Commissariaat je asielaanvraag goedkeurt, want daarom ben je naar hier gekomen. Ik wil het je wel toewensen – al kan ik je dat als voogd niet garanderen – maar ik weet het niet altijd, zeker als ik zie hoezeer je je land, je dorp, je familie mist. Maar eigenlijk heb je geen keuze, want de Taliban zit achter je aan, dus: ik wens je een succesvolle asielaanvraag!

Ik wens je ook gewoon geluk, dat is wat wij hier aan elkaar zeggen op 1 januari: ‘gelukkig Nieuwjaar!’. Met je vijftien weet je nog niet echt wat geluk voor jou precies inhoudt, maar laten we alvast hopen dat je het leuk vindt in de OKAN-klas, dat je een goede tijd hebt met al die nieuwe vrienden in het centrum, dat je dat verschrikkelijk moeilijke Nederlands stilaan onder de knie krijgt en dat je in je dromen de tekening kan beginnen maken van hoe je leven er hier in België zal uitzien.

Sta mij toe om ook nog een wens te doen die niet alleen voor jou is, maar voor ons allemaal: dat de wereld, Europa, de Belgen, de Vlamingen, de mensen rondom jou en mij toleranter worden, meer begrip opbrengen voor andere culturen en niet kiezen voor haat en onbegrip, maar voor liefde en vrede.

Je voogd,

Bernard

Meer uit het dossier ‘Liefste 2017,...’

Dag liefste schat. Je kent me, ik ben geen veelschrijver. Deze nieuwjaarsbrief is dan ook geen ellenlang epistel. Ik vond dat ik mijn brief aan jou moest richten. Waarom, vraag je me? Eenvoudig.
CC Gie Goris (CC BY-NA 2.0)
Gie Goris schrijft zijn nieuwjaarsbrief aan Ayoob, een Afghaanse dertiger die hij ontmoette op een vliegerfestival in een stadje op zestig kilometer van Kaboel.
Het was een jaar van hunkering naar respijt en hoop. En toch vinden we die in onze eigen straten. Bij jullie, het verzet van liefde tegen argwaan.
© Reuters
Mijn lieve zoon, Ik wil je nu vertellen waarom ik op 22 maart zo verdrietig was.