Ongelijkheid en onderdrukking in Oost-Jeruzalem

‘Mijn tweejarige kleindochter begreep al wat er aan die Israëlische controlepost gebeurde’

© Charis Bastin

Palestijn Kareem Jubran raakte met zijn kleindochter niet voorbij een controlepost in Jeruzalem (foto: vergelijkbare controlepost op de Westelijke Jordaanoever)

Het moest een rit van een klein halfuur worden, werd een rit zonder aankomst op bestemming. Kareem Jubran, medewerker bij de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem, zou zijn kleindochter naar huis in Oost-Jeruzalem brengen, maar ze mochten niet voorbij een Israëlische controlepost. ‘Ik voelde de onderdrukking en controle waar miljoenen mensen elke dag onder lijden. Ik voelde me verstikt', schrijft hij in deze opinie.

Als jonge grootvader heb ik soms het grote genoegen om een paar uur op mijn tweejarige kleindochter Tia te passen. Maar zoals we allemaal weten, komt aan alle mooie dingen een einde.

Mijn dochter, Tia’s moeder, wachtte thuis tot opa de baby terugbracht. Ik plaatste het autostoeltje in de wagen, klikte haar vast en reed van mijn huis in Beit Safafa (ten zuiden van Jeruzalem, red.) naar Sheikh Jarrah (in Oost-Jeruzalem, red.) waar mijn dochter en haar echtgenoot wonen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Bij het binnenrijden van Oost-Jeruzalem, moest ik langs een controlepost. Ik stopte en deed het raam naar beneden. Een politieagent kwam naar ons toe.

‘ “Opa, doe het raam dicht.” Ze gilde alsof er een monster op haar afkwam.’

Zodra hij bij het raam kwam, begon Tia te schreeuwen. ‘Opa, doe het raam dicht.’ Ze gilde alsof er een monster op haar afkwam.

Ik praatte met de politieagent. Ik ben zeker dat hij net als ieder ander mens het hele scala aan menselijke emoties kan voelen en herkennen. Ik legde uit dat ik mijn kleindochter terugbracht naar haar moeder. Tia bleef me smeken om het raam dicht te doen.

De politieagent reageerde met de kilte en arrogantie van iemand die gewend is om het leven van anderen te controleren. Hij vertelde me dat ik moest terugkeren, dat ik de wijk niet binnen mocht, dat hij me niet zou toelaten. Ik probeerde beroep te doen op zijn menselijkheid, maar hij gaf niet toe. Hij draaide me de rug toe en begon in zijn telefoon te praten.

In het uur dat ik er stond te wachten, gingen joodse kolonisten zonder problemen de buurt in en uit. Zodra zij de controlepost naderden werd die voor hen open gedaan. Alleen voor hen. Heren van het land en de buurt.

Ik wachtte in de auto. Er waren verschillende gewapende grensagenten. Nadat de politieman zijn telefoongesprek beëindigde, herhaalde ik mijn verzoek.

Maar hij bleef volhouden, met dezelfde kille en arrogante toon. Ik mocht niet door. Ik verhief mijn stem en eiste mijn recht op om langs de controlepost te passeren zodat ik de baby terug kon brengen naar haar moeder die thuis op haar wachtte.

Eén van de politieagenten richtte daarop zijn wapen op me. Iedereen aan de controlepost stond — zo’n acht politieagenten en grenspersoneel, mannen en vrouwen — leken klaar om me op elk moment uit mijn wagen te sleuren, aan te vallen en te arresteren. Ondertussen hield een angstige Tia niet op met huilen.

‘Ik probeerde de agenten opnieuw te vragen om me het recht te geven de controlepost te passeren zodat ik mijn kleindochter naar huis kon brengen.’

Tia vroeg naar haar moeder. Ze wilde haar omhelzen. Ik probeerde hen opnieuw te vragen om me het recht te geven de controlepost te passeren om haar naar huis te brengen. Met geschreeuw en bedreigingen verwittigden de politieagenten me, dat als ik niet weg ging, ze geweld zouden moeten gebruiken.

Eén van de politieagenten herinnerde me eraan dat ik een klein meisje bij me had. Ik moest er dus weg gaan. Ik bedankt hem voor het verrassende medeleven en vroeg hem of hij, in naam van dat medeleven, Tia naar haar moeder wou laten gaan.

Ik moest denken aan het verhaal van de jager die een koppel vogels ving. Toen de jager de vogels wilde doden, kwam een stofje in zijn oog terecht. Daarbij liep een traan over zijn wang. Toen zei de ene vogel tegen de andere: ‘Hoe nobel van hem, hij huilt uit de grond van zijn hart voor ons.’ Huilend terwijl hij het mes sleep.

Uit bezorgdheid voor mijn kleindochter moest ik noodgedwongen terugkeren. Ik voelde alle woede van de wereld in me opkomen. Ik voelde me verstikt. Ademen was moeilijk.

‘De poorten gingen open voor hen, en alleen voor hen.’

Ik voelde de onderdrukking en controle waar miljoenen mensen elke dag onder lijden. Ik voelde wat het betekent om onder een apartheidsregime te leven. Want recht voor mijn ogen bleven Joden de wijk binnengaan, zonder dat er vragen werden gesteld. De poorten gingen open voor hen, en alleen voor hen.

Palestijnen die in Jeruzalem wonen, leven elke dag met deze realiteit. Ze leiden hun leven onder bezetting en apartheid. Voor hun verzet betalen ze een hoge prijs. Maar die is nog laag in vergelijking met de overgave aan het dagelijkse officiële geweld.

Vele Israëli’s doen alsof ze dit niet begrijpen. Maar er is geen macht ter wereld, ongeacht de mate van geweld dat gebruikt wordt, dat een volk kan uitwissen, het zijn geschiedenis kan doen vergeten of hen kan doen stoppen om hun bestaan te verdedigen.

Mijn kleindochter leert nog maar net praten. Maar ze begreep de diepere betekenis van de controlepost al. De controlepost die haar ervan weerhield om thuis te geraken.

Tia leerde een les, en toonde haar gevoelens op de duidelijkste manier: ze weigerde anderen haar toekomst te laten bepalen. Ja, ze controleerden haar grootouders. En ze controleren nog steeds haar ouders. Maar ze zullen haar niet controleren.

Kareem Jubran is directeur veldonderzoek bij de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem en de Arabischtalige woordvoerder van de organisatie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift