Post-electorale depressie

De Vlaamse verkiezingen van 13 juni zorgden voor een doffe knal in het politieke universum van ons land. Enkele bedenkingen, nu het stof stilaan gaat liggen.
Als het van Leterme I afhangt, zal er in de toekomst in elk geval minder België in de wereld zijn. Volgens het nieuwe Vlaamse regeerakkoord wil de Vlaamse regering bijvoorbeeld een eigen vertegenwoordiging bij de Europese Unie. De Vlaamse regering claimt ook die delen van de federale ontwikkelingssamenwerking die in het verlengde liggen van haar bevoegdheden, zoals onderwijs, leefmilieu en welzijn. Dat laatste is niet nieuw.
Het Lambermontakkoord beloofde die “defederalisering” van de ontwikkelingssamenwerking al in 2000. Ondermeer door het verzet van de Noord-Zuidbeweging en door de obstructiepolitiek van een rist Groene ministers in de federale en Vlaamse regeringen is daar tot nog toe geen werk van gemaakt. Het Waalse regeerakkoord formuleert terzake geen eisen, maar de Waalse regering ‘wil wel haar verantwoordelijkheid nemen als het er van komt’, zo staat het er.
De kans dàt het er dit keer van komt, is groter dan ooit. Vlaams minister van Buitenlandse Betrekkingen Geert Bourgeois moet zijn zwart-gele achterban bewijzen dat de aanwezigheid van de NV-A in de regering een verschil maakt. Ontwikkelingssamenwerking zou wel eens een makkelijk slachtoffer kunnen worden van die profileringdwang. Ook al leidt het versplinteren van de bescheiden Belgische hulp in nog kleinere regionale stukjes niet noodzakelijk tot grotere efficiëntie op het terrein. Onderzoek in landen als Spanje, waar ontwikkelingshulp gedeeltelijk geregionaliseerd werd, leert namelijk dat regio’s meestal veel leergeld betalen en alle lessen vergeten die de federale staat met vallen en opstaan had geleerd. Al blijven er ook voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking, na een halve eeuw coöperatie, nog veel lessen die geleerd kunnen worden.

Au suivant…


De regionale verkiezingen gaven ook aanleiding tot een nooit geziene stoelendans in de federale regering, waardoor de buitenlandportefeuilles allemaal een andere minister kregen. Marc Verwilghen -de man die ervoor wou zorgen dat kandidaat-ministers ‘over vier jaar’ zouden vechten voor de portefeuille Ontwikkelingssamenwerking- verhuisde naar Economie, Energie en Buitenlandse Handel. Hij wordt opgevolgd door Armand De Decker (MR). Die neemt bijna niemand over van Verwilghens kabinet, zodat de vraag rijst wat er van de intussen geformuleerde beleidslijnen zal overblijven. Wat bijvoorbeeld met de nota Ondernemen tegen armoede? Het geld daarvoor is begroot voor dit najaar, maar de nota moest nog op de ministerraad komen. Wat als De Decker de zaken anders ziet? Als de nieuwelingen de plannen van hun voorgangers niet willen uitvoeren, gaat er door die stoelendans veel werk en geld verloren. De stoelendans vormt ook een democratisch probleem: je kan ministers moeilijker aanspreken op hun beleid als ze om het jaar van post veranderen.
Karel De Gucht volgt op Buitenlandse Zaken Louis Michel op. De Gucht heeft vijftien jaar ervaring in het Europees Parlement en kent de internationale dossiers daardoor vrij goed. Hij neemt zich voor de Afrikapolitiek van Louis Michel voort te zetten. Wellicht zal hij minder impulsief te werk gaan dan Michel, wat wel eens een politiek voordeel zou kunnen zijn. Michel maakte niet allen vrienden door zijn emotionele aanpak en kwam daardoor verzwakt op het internationale toneel in de tweede regering Verhofstadt. Hij had teveel goed te maken, met name bij de Amerikaanse regering. De Gucht kan daarom de lijn Michel misschien beter doortrekken dan Michel zelf.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur