‘De klimaatopwarming is voor ons geen item in het journaal, het is ons leven’

Reportage

Nomadische herders in Somaliland vechten tegen de droogte

‘De klimaatopwarming is voor ons geen item in het journaal, het is ons leven’

Kamelenmarkt Somaliland
Kamelenmarkt Somaliland

De Verenigde Naties hebben 2026 uitgeroepen tot het Internationaal Jaar van Graslanden en Herders. Maar net deze rondtrekkende herders hebben het in de zelfverklaarde republiek Somaliland steeds moeilijker om hun levenswijze te behouden.

Faisal vult een gele jerrycan met water uit een diepe put en kijkt bezorgd naar zijn twee zonen. De jongens zien er moe en uitgehongerd uit, van de oudste kun je de ribben tellen. Met veel moeite hijst de herder de jerrycan op een roestige kruiwagen. Zijn hele voorhoofd doet pijn. Vergeefs probeert hij met zijn pet koelte toe te waaien. ‘De droogte mag niet meer te lang aanhouden’, zucht hij.

Faisal praat met de bedaarde ernst van iemand die weet hoe het is om overgeleverd te zijn aan de grillen van de natuur. Hij werd geboren in Qoton, een dorp in Somaliland, de republiek die zich in 1991 eenzijdig losscheurde van Somalië. In zijn jeugd zag hij hoe het regenseizoen het dorp veranderde in een groene oase. De bomen kregen bladeren, het graasland strekte zich eindeloos uit en het vee kreeg jongen.

Maar vandaag komt de regen in kleinere hoeveelheden, en steeds later. ‘Sinds september is hier geen druppel meer gevallen’, vertelt hij. ‘Vroeger hadden we drie maanden droogte per jaar, nu zijn dat er negen. Ook moeten we steeds dieper op zoek naar water. Soms zijn de putten tien meter diep en vinden we nog niets, terwijl de waterspiegel altijd op zo’n drie meter lag.’

Het belangrijkste regenseizoen, Gu, loopt van april tot juni en is goed voor 50 tot 60 procent van de jaarlijkse neerslag. Het tweede regenseizoen, Deyr, vindt plaats tussen augustus en november en levert nog eens 20 tot 30 procent van de regenval. Daartegenover staan twee droge periodes: Jilaal (december tot maart) en Hagga (juli tot augustus).

‘Ik zal je wat tonen’, zegt Faisal. Met een handgebaar neemt hij ons mee naar een drenkplaats. Hij kijkt ontmoedigd naar de modderige plas, zijn wenkbrauwen gefronst. De kudde trappelende geiten die net nog op zoek was naar water, is inmiddels weer verdwenen achter een zanderige helling. ‘De dieren zijn verzwakt. Op de markt brengen ze minder op. Dat betekent dus ook dat ik minder geld heb om mijn gezin te onderhouden.’

Wijds uitzicht over een schaars begroeide oppervlakte. In de voorgrond een bijna uitgedroogde rivier. Aan de overkant grazen geiten

Nomadische en semi-nomadische herders zoals Faisal vertegenwoordigen in Somaliland bijna 70 procent van de bevolking. In het uitgestrekte, vaak droge landschap trekken ze met hun kuddes van de ene plek naar de andere, voortdurend op zoek naar water en vruchtbare grond. Als de regenseizoenen goed zijn, kunnen ze langere tijd op één plek blijven, anders zijn ze gedwongen om verder te trekken.

Sinds het begin van de jaren 80 zijn de temperaturen in deze regio van Oost-Afrika fors gestegen. Rapporten van onder meer de Verenigde Naties tonen aan dat de klimaatopwarming hier sneller gaat dan het wereldwijde gemiddelde. Er komen ook minder koude dagen en nachten voor, terwijl droogteperiodes steeds frequenter zijn. Vaak heeft de bevolking geen buffers meer.

‘Mijn jongste zoon is naar de hoofdstad Hargeisa verhuisd’, vertelt Fatima terwijl ze aan de takken van een grote boom schudt. Met een doffe tik vallen de langwerpige peulen op de grond. Enkele geiten dringen samen en beginnen gulzig te eten. ‘Steeds meer jongeren trekken weg naar de steden’, legt ze uit. ‘De meesten keren niet meer terug naar ons dorp.’

Maar de plattelandsvlucht is niet zonder gevolgen. Het vergroot de druk op de steden, en die kampen vaak al met zwakke voorzieningen en hoge werkloosheidscijfers. Tegelijk nemen de nomadische activiteiten af, wat de lokale economie verzwakt. Zo is de cirkel rond, want de steden zelf zijn sterk afhankelijk van het platteland voor producten zoals vlees, melk en boter.

Een oude vrouw poseert samen met twee kleine kinderen in de schaduw van een boom voor de lens van de fotograaf

Grilligheid klimaatverandering

In zijn kantoor in Hargeisa biedt Abdillahi Jama Osman Geeljire me een glas water aan. De ruimte is klein, maar aangenaam koel. De minister van Klimaat en Omgeving is bezorgd om de vele pastorale jongeren die naar zijn stad trekken.

‘Hier is geen werk. Bovendien hebben veel jongeren geen familie om op terug te vallen en belanden uiteindelijk op straat. Om rond te komen, grijpen sommigen naar kleine criminaliteit, zoals diefstal. Dat zou uiteindelijk onze samenleving kunnen ontwrichten.’

Geeljire beseft maar al te goed dat het een heel karwei is om deze jongeren ook maar een millimeter perspectief te bieden. Zeker, Somaliland is altijd al kwetsbaar geweest voor klimaatverandering, zegt hij. Maar het is de intensiteit en de onvoorspelbaarheid ervan die veranderd is.

‘In bepaalde delen van het land is er al zeven jaar geen regen gevallen. Elders komt de regen dan weer op het verkeerde moment, met overstromingen en stukken land die volledig wegspoelen tot gevolg.’

De grilligheid van het klimaat dwingt tot kordate actie. Alleen: de middelen zijn beperkt. Minder dan 1 procent van het volledige budget van Somaliland gaat naar de strijd tegen klimaatverandering, legt de minister uit.

‘We bevinden ons in een bijzonder volatiele regio. In Somalië is er de dreiging van terreurgroep Al-Shabaab en in Jemen, aan de overkant van de Golf van Aden, heb je de Houthi’s. De meeste middelen gaan dus naar veiligheid, ontwikkeling komt pas op de tweede plaats.’

Een man zit aan zijn bureau. Achter hem twee vlaggen van Somaliland

Dat betekent niet dat zijn ministerie helemaal niets kan doen. ‘Met beperkte middelen proberen we het verschil te maken’, klinkt het vastberaden. ‘Een van de prioriteiten is om erosie tegen te gaan en verdere landdegradatie te voorkomen. Daarom moeten we werk maken van het herstel van graslanden en investeren in beter landbeheer. Daarnaast ontbreekt het ons aan een goed functionerende meteorologische dienst die kan aangeven wanneer de regen zal vallen of hoe ernstig de droogte om zich heen zal grijpen. Nu zijn we onvoldoende voorbereid.’

Toch is de klimaatverandering volgens Geeljire niet de enige boosdoener. Hij legt uit dat veel Somalilanders bomen kappen om houtskool te maken. Dat gebruiken ze onder meer om te koken, maar ook als extra inkomen. Vaak gaat het om kwetsbare bomen die sneuvelen, zoals de acacia. Het gekapte hout wordt verbrand, vervolgens als kool in zakken geperst en op vrachtwagens geladen. Deze zakken worden in de steden voor slechts een paar dollar verkocht, of geruild voor de populaire drug qat.

De kap van deze bomen is nochtans illegaal, omdat het tot ontbossing leidt. En dat werkt op zijn beurt verwoestijning in de hand. Daarom wil de minister volop inzetten op alternatieve energiebronnen zoals zonne- en windenergie, die in Somaliland ruimschoots beschikbaar zijn.

Met de steun van de Wereldbank subsidieert de overheid in Hargeisa ongeveer 50 procent van de kosten van energiezuinige kooktoestellen. ‘Deze ondersteuning helpt gezinnen bij de initiële investering’, zegt Geeljire. ‘Al is het onzeker hoelang die financiering kan worden voortgezet. Ons doel is alleszins om minstens 20 procent van de huishoudens toegang te geven tot deze alternatieve kooktoestellen.’

Stapels verpakte houtskool liggen te wachten op kopers

Houtskool ligt opgestapeld in witte zakken langs de grote verbindingsweg tussen Hargeisa en de strategische havenstad Berbera.

Invasieve boomsoort

Herder Faisal in Qoton heeft nog geen kooktoestel ontvangen. Hij moet het vooralsnog stellen met houtskool, die in witte zakken opgestapeld ligt langs de grote verbindingsweg tussen Hargeisa en de strategische havenstad Berbera. Maar dat kan snel veranderen. In zijn omgeving is de regering van Somaliland gestart met een innovatief project om houtskool te maken van prosopis juliflora, een invasieve boomsoort die grote delen van het land overwoekert. 

‘We proberen op deze manier de houtkap van waardevolle boomsoorten tegen te gaan’, zegt klimaatminister Geeljire. ‘Ook voor dit project krijgen we ondersteuning van de Wereldbank, onder meer in de vorm van materiaal om de prosopis tot houtskool te verwerken.’

Botanicus en klimaatdeskundige Ahmed Ibrahim Awale is alvast enthousiast over het idee maar tempert ook meteen de verwachtingen. De prosopis uitroeien is in de praktijk bijna onmogelijk, zegt hij. ‘Zelfs in landen als Saoedi-Arabië, waar deze hardnekkige soort ook voorkomt, maar waar veel meer middelen beschikbaar zijn, krijgen ze die niet klein. Daarom moet de focus eerder liggen op beheersing dan op uitroeiing. Er houtskool van maken is een goed voorbeeld van hoe je de verspreiding een halt toeroept.’

Awale legt uit dat de prosopis zijn oorsprong vindt in Midden-Amerika en voor het eerst in 1952 in Somaliland werd geïntroduceerd. In die periode was Somaliland nog een Brits protectoraat. In het kustplaatsje Bulhar, zo’n zestig kilometer ten westen van de kuststad Berbera, probeerde het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen dadelpalmen te introduceren.

Een Britse boswachter die het project leidde, merkte al snel dat jonge dadelpalmen werden bedolven onder het opwaaiende zand. Als oplossing zocht hij naar een natuurlijke bescherming, en zo bracht hij de prosopis binnen. Opmerkelijk genoeg bleef de boom in die beginfase beperkt tot die ene locatie nabij de kust. De echte verspreiding begon pas decennia later. Maar om dat te begrijpen moeten we een duik nemen in de bewogen geschiedenis van Somaliland.

Nadat het voormalige Britse protectoraat Somaliland op 1 juli 1960 onafhankelijk was geworden, sloot het zich amper vijf dagen later aan bij Somalië. Die vereniging gebeurde in de geest van een “Groot-Somalië”, een ideaal om alle Somalische gebieden in de Hoorn van Afrika te verenigen in één staat.

In de negentiende eeuw, tijdens de zogeheten scramble for Africa, plaatsten verschillende Europese mogendheden grote delen van Afrika onder hun gezag. Voor de Somalische gemeenschappen betekende dit dat ze werden ondergebracht in vijf gebieden:

  • Italiaans Somaliland: de huidige (Federale Republiek) Somalië, met als hoofdstad Mogadishu;

  • Frans Somaliland, dat in 1977 de onafhankelijke republiek Djibouti werd;

  • de zuidelijke Somalische gemeenschappen, die in 1963 bij Kenia werden gevoegd;

  • de westelijke Somalische gemeenschappen, die na de Somalisch-Ethiopische oorlog (1977-78) opgingen in de Ogaden-regio in Ethiopië;

  • Brits Somaliland, nu de zelfverklaarde onafhankelijke republiek Somaliland.

Bijna twintig jaar later, tussen 1977-78, woedde een oorlog tussen Somalië en buurland Ethiopië om de omstreden regio Ogaden. In de nasleep van dat conflict leidde de toestroom van vluchtelingen tot grootschalige ontbossing. Hout was nodig voor brandstof en houtskool.

Internationale hulporganisaties probeerden het houttekort aan te pakken door de prosopis opnieuw te introduceren. ‘Maar deze keer gebeurde dat op grotere schaal’, vertelt klimaatdeskundige Awale. ‘Zaden werden verspreid en kwekerijen opgezet in vluchtelingenkampen.’

In 1988 werd Somalië opnieuw verscheurd door conflict. De bevolking van Somaliland kwam toen in opstand tegen het regime van dictator Siad Barre. Regeringstroepen reageerden met zwaar geweld, waarbij steden zoals Hargeisa grotendeels werden verwoest en honderdduizenden mensen op de vlucht sloegen, vooral naar Ethiopië.

Na de val van het regime in Somalië, in 1991, riep Somaliland eenzijdig zijn onafhankelijkheid uit. Sindsdien kent het gebied een relatieve stabiliteit. Het heeft een eigen vlag en munteenheid, en de 4,5 miljoen inwoners kiezen hun eigen president. Maar behalve door Israël, dat recent zijn eerste ambassadeur aanstelde, wordt het internationaal nog steeds niet erkend als een onafhankelijke staat.

Beluister de podcast over de Israëlische erkenning van Somaliland

‘In de vroege jaren 90, toen de burgeroorlog voorbij was, keerden veel Somalilanders terug naar hun woonplaatsen’, zegt Awale. ‘Daar zagen ze dat de prosopis zich overal had verspreid. De bevolking kende de soort niet en noemde haar daarom “garaanwa”, wat letterlijk betekent: “we weten het niet”.’

Sindsdien heeft de boom steeds meer ruimte ingenomen. ‘Volgens schattingen van onder meer de VN-landbouworganisatie FAO is inmiddels zo’n 550.000 hectare land overwoekerd’, zegt Awale. ‘Hij concurreert met inheemse soorten om water en voedingsstoffen, en zijn wortels kunnen tot zo’n 60 meter diep reiken om grondwater aan te boren.’

Wat ook niet helpt, zegt Awale, is dat nomadische gemeenschappen de zaden van de prosopis gebruiken als veevoer. Ze trekken naar gebieden waar de boom overvloedig groeit, verzamelen de langwerpige peulen en nemen die mee naar andere regio’s. Vaak zijn dat plekken waar de boom helemaal niet voorkwam.

‘Wanneer dieren de zaden opeten en weer uitscheiden, kan de kiemkracht oplopen tot zo’n 95 procent’, legt Awale uit. ‘Worden ze niet gegeten en vallen ze gewoon op de grond, dan is de kans op ontkieming veel kleiner. De nomadische gemeenschappen spelen dus onbewust een rol in de verspreiding van de boom.’

twee foto's naast elkaar. Links een close up van peulvormige zaden en een foto van een proposis, de struik die de zaden produceert

Bewustzijn vergroten

Op het terras van een gezellig koffiehuis in hartje Hargeisa ontmoet ik Omar Ali, die als freelanceconsultant gespecialiseerd is in plattelandsontwikkeling. In die hoedanigheid werkt hij nauw samen met de ministeries van Klimaatverandering, Landbouw en Veeteelt. Hij stond mee aan de basis van een aantal beleidsmaatregelen, zoals een wet op het gebruik van agrochemicaliën. 

Volgens Ali moet je vooral het bewustzijn van pastorale gemeenschappen vergroten als je hen wil beschermen tegen de klimaatschokken. ‘De overheid kan hen helpen inzien dat ze niet uitsluitend afhankelijk mogen zijn van veeteelt of kleinschalige handel. Ze zouden gebaat zijn bij een geïntegreerd levensonderhoud. Dat betekent dat je meerdere bronnen van inkomsten en economische activiteiten combineert.’

Vooral in afgelegen en moeilijk bereikbare regio’s ziet Ali hoe kwetsbaar gemeenschappen zijn als ze volledig afhangen van één enkele activiteit. ‘Zodra die inkomensbron getroffen wordt, bijvoorbeeld door langdurige droogte, verliezen mensen hun bestaansmiddelen en valt hun hele levensonderhoud weg.’

Volgens Ali lopen er vandaag verschillende initiatieven om gemeenschappen bewuster te maken van alternatieve manieren om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo worden ze aangemoedigd om kleinschalige landbouw rond hun woning op te zetten, bijvoorbeeld de aanleg van een moestuin. Daarnaast stimuleert de overheid nieuwe vormen van landbeheer, vooral in het oosten van Somaliland, waar uitgestrekte graslanden liggen.

Het idee is simpel, zegt Ali: ‘We leggen gemeenschappen uit dat iedereen een rol kan spelen in het beheer van gemeenschappelijke graasgebieden. Tijdens het regenseizoen blijft het gebied tussen de dorpen bijvoorbeeld afgesloten voor begrazing, terwijl het vee naar meer afgelegen zones trekt. Bij droogteperiodes blijft er zo gras beschikbaar dichter bij de dorpen. In Aroori, in de regio Togdheer, werkte dat systeem zo goed dat tijdens een droogte bijna 100.000 dieren konden grazen op beschermd land.’

Daarbij is het volgens Ali wel van belang dat zulke initiatieven niet top-down worden opgelegd, maar dat ook wordt geluisterd naar de gemeenschappen zelf. Zij beschikken over heel wat kennis waarmee ze zich al eeuwenlang weten stand te houden in harde omstandigheden.

Hij geeft een voorbeeld: ‘In Somaliland leeft een bepaalde hagedis, lokaal bekend als de Mas’agale. Wanneer er droogte op komst is, klimt het dier in bomen. Als mensen hem omhoog zien kijken, weten ze dat er geen regen zal vallen. Wanneer hij weer naar beneden komt, verwachten ze regen. Als je deze traditionele kennis combineert met moderne technologie kun je bijvoorbeeld een alomvattend waarschuwingssysteem ontwikkelen.’

Maar het allerbelangrijkste, besluit Ali, is dat je begint met kleinschalige projecten. Die hebben de grootste kans op slagen. Hij waarschuwt dat grootschalige en dure initiatieven net averechts kunnen werken. Mensen raken dan overweldigd of breken te snel met hun traditionele levenswijze.

‘Projecten die klein beginnen, bijvoorbeeld coöperaties rond houtskoolproductie, geven gemeenschappen de tijd om het idee te begrijpen en ermee vertrouwd te raken. Tegen de tijd dat je wil opschalen, zijn mensen klaar om het project mee te dragen.’

Hulp uit België

In het gehucht Haro Sheikh, in de schaduw van een breedgetakte boom, is een groep mannen hevig aan het discussiëren. Verdeeld in twee kampen praten ze, wild gesticulerend, bijna bekvechtend. Een oude man verheft zijn stem, een ander voert een lang betoog. Het is een verhitte discussie. Of zo lijkt het toch.

Dan staat Mahmoud Aden Musa op van een van de plastic stoelen die in een halve cirkel zijn gezet. Hij begint te praten. Langzaam keert de rust terug onder de mannen, en niet veel later barsten ze in lachen uit.

‘Ik heb hen uitgelegd dat we hen niets zullen wijsmaken en eerst grondig onderzoek zullen doen voordat we naar water boren’, vertelt Musa na afloop. ‘Dat heeft hen gerustgesteld, want ze hebben hier al het een en ander meegemaakt.’

Bijeenkomst van buurtbewoners in de schaduw van een grote boom

Musa werd geboren in de Somalische hoofdstad Mogadishu en verhuisde in 1996 naar ons land. In 2011 richtte hij de vzw The Diaspora op, waarmee hij de integratie van nieuwkomers uit de Hoorn van Afrika in België wil ondersteunen.

Eén ding heeft hem altijd beziggehouden, vertelt hij. ‘Elke keer dat ik naar Somaliland ga – en dat is bijna jaarlijks, want mijn familie woont hier nog – zie ik welke enorme impact de droogte heeft.’

Daarom lanceerde hij in 2022 het project BioBIYO (“biyo” betekent “water” in het Somalisch). Aanvankelijk wilde hij geld inzamelen voor de aankoop van een boormachine, maar intussen is het project uitgegroeid tot een breder initiatief over toegang tot water en duurzaamheid, met een meerkoppig team in Antwerpen en een partnerorganisatie in Hargeisa.

Een van zijn teamgenoten in Antwerpen is de gepensioneerde advocaat Toon De Pourck. Hij zorgt er onder meer voor dat het project op de rails wordt gezet. ‘Ik contacteer mensen, praat met professoren en onderzoek welke aanpak het beste resultaat oplevert voor de lokale bevolking. Maar als boerenzoon uit West-Vlaanderen probeer ik ook vooral het gezonde boerenverstand bij te brengen’, grapt hij.

Tot nu toe kon BioBIYO rekenen op beperkte publieke ondersteuning. De stad Antwerpen en de provincie West-Vlaanderen kenden in het kader van de 4de Pijler (ondersteuning van burgerinitiatieven voor mondiale solidariteit) verschillende subsidies toe. ‘In totaal haalden we ongeveer 30.000 euro op, verspreid over meerdere jaren’, verduidelijkt Musa. ‘Maar dat blijft onvoldoende, gezien de omvang van de noden.’

Daarom probeert hij de diaspora in België te mobiliseren om extra middelen bij elkaar te brengen, maar dat gaat niet zonder slag of stoot. ‘De opeenvolging van droogtes zorgt ervoor dat financiële inspanningen telkens verschuiven richting noodhulp, terwijl Somaliland nood heeft aan langetermijnoplossingen. Maar daar zien de bevolking en de geldschieters natuurlijk niet meteen resultaat van’, legt Musa uit.

Het idee leeft dat een boorproject meteen water oplevert. ‘In werkelijkheid is dat veel complexer’, zegt Musa. ‘Je moet rekening houden met onzuiver water, technische beperkingen en tal van andere factoren. Daar komt nog bij dat de bevolking intussen een beetje argwanend is. In Somaliland zijn al veel projecten begonnen die weinig hebben opgeleverd, vaak omdat ze onvoldoende grondig werden voorbereid.’

Daarom wil BioBIYO het anders aanpakken. Het doet grondig vooronderzoek, kijkt naar wat al voorhanden is, gaat in dialoog met de lokale bevolking om te luisteren naar hun noden, en heeft met het Nederlandse adviesbureau Practica extra kennis onder de arm genomen om testen uit te voeren.

wijds uitzich op een schaars begroeide open vlakte. Op de voorgrond enkele waterputten

Maar zelfs wanneer een boring op grote diepte succesvol zou en er voldoende water van goede kwaliteit wordt gevonden, zijn er uitdagingen, legt Paul Renier uit. Hij werkte meer dan 25 jaar voor de Europese Commissie en een jaar of zes voor FAO, de landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Vandaag is hij met pensioen, maar hij doet nog vrijwilligerswerk voor Ingenieurs zonder Grenzen en zet zijn jarenlange technische expertise in voor BioBIYO.

‘We focussen op vijf dorpen’, vertelt hij. ‘Die liggen op enkele kilometers van elkaar. Waar je water vindt, wordt bepaald door de geologische structuur van de ondergrond, niet de geografische ligging van de dorpen. Stel dat je bijvoorbeeld water vindt in of dicht bij één dorp, moet het water ook nog naar andere gemeenschappen worden geleid, wat de aanleg van kilometerslange leidingen vergt en de kosten verder opdrijft. Diepe boringen gecombineerd met een netwerk zijn zaken die voor BioBiyo te hoog gegrepen zijn, dat is te duur. En er is een hoog risico dat dieperliggende watervoerende bodemlagen een te hoog zoutgehalte hebben.’

Net zoals consultant Omar Ali ziet ook Renier heil in kleinschalige oplossingen. ‘We kiezen bewust voor handmatige, ondiepe boringen omdat lokale gemeenschappen die zelf kunnen uitvoeren en onderhouden. Ze zijn bovendien ook makkelijk te kopiëren op andere plaatsen. De bewoners hoeven daarvoor geen beroep te doen op dure machines of gespecialiseerde bedrijven. Bovendien raak je met een handmatige boor veel makkelijker op afgelegen plekken dan met zware installaties.’

Daarnaast wordt ook gekeken naar de rehabilitatie van bestaande aarden dammen. ‘Deze dammen verkeren vaak in slechte staat’, zegt Renier. ‘Je kunt ze uitgraven en herstellen, zogenaamde silt traps plaatsen om sediment tegen te houden, en ze omheinen zodat dieren gecontroleerd toegang krijgen tot water. Ook kun je ervoor zorgen dat bij intense regenval het water minder snel wegstroomt, bijvoorbeeld door stroomopwaarts van de dam greppels te graven dwars op de hellingsgraad.’

Voor deze ingrepen rekent het team van BioBIYO op samenwerking met het ministerie van Landbouw in Somaliland, omdat dat over de technische expertise beschikt. Het heeft niet alleen al talloze projecten begeleid, maar kent ook de bedrijven die de capaciteit hebben om gelijkaardige werken uit te voeren.

‘Vanuit België is het moeilijk om alles van nabij op te volgen’, zegt Renier. ‘We zitten hier te ver af en beschikken niet over een eigen technisch team dat samen met het ministerie de plannen verder kan uitwerken. Daarom leeft het idee om lokaal mensen met technische expertise aan te werven die, samen met de vrijwilligers van onze parallelle organisatie in Hargeisa, instaan voor de opvolging. Uiteindelijk is het de bevolking van Somaliland zelf die het project moet dragen.’

Geiten Somaliland
Een vrouw en een jongen hoeden een kudde geiten op een open vlakte
Kameel Somaliland

Compensatie rijke landen

Hoewel investeringen in wateropvang en toegang tot drinkwater noodzakelijk zijn, brengt het ook risico’s met zich mee. In Somaliland vormen clans de belangrijkste sociale en politieke structuur. Wanneer een waterput of boorproject wordt aangelegd, bevindt die zich meestal op grondgebied dat toebehoort aan één clan. Die draagt dan ook een grote verantwoordelijkheid voor het beheer ervan.

Als er goede relaties bestaan tussen clans, kunnen ze water en weidegronden met elkaar delen. Maar wanneer er spanningen of oude conflicten spelen, wordt dat veel moeilijker. Bovendien diept de klimaatverandering de spanningen nog verder uit. Door het tekort aan water en graasgrond worden gemeenschappen gedwongen om steeds verder te trekken, wat soms tot nieuwe conflicten leidt.

‘Mensen vragen zich af waarom anderen naar hun gebied komen. Als er heel veel mensen gewapend zijn, kunnen zulke confrontaties snel escaleren’, vertelt Ahmed Mahmoud Awad.

Awad is sultan, zeg maar een traditionele leider. In Somaliland spelen zij een belangrijke rol binnen de clanstructuren. Ze worden niet verkozen via een formeel politiek systeem, maar krijgen hun positie op basis van afkomst, reputatie en het vertrouwen van de gemeenschap. Sultans fungeren vooral als bemiddelaars bij conflicten tussen clans, en als bewakers van sociale vrede en traditionele afspraken, het zogeheten xeer-systeem.

Sultan Awad wordt naar eigen zeggen het vaakst geconsulteerd om te bemiddelen in conflicten tussen nomadische veehouders. ‘In steden komen confrontaties veel minder voor,’ zegt hij, ‘maar onder herdergemeenschappen draait veel rond toegang tot land, graasgebieden en waterbronnen. Wanneer die schaarser worden, neemt het aantal conflicten toe.’

Dat de klimaatopwarming de traditionele manier van samenleven steeds verder onder druk zet, ziet ook klimaatminister Geeljire. Hij doet dan ook een oproep aan de internationale gemeenschap om in de bres te springen. ‘Somaliland, en bij uitbreiding het Afrikaanse continent, is extreem kwetsbaar voor de klimaatverandering, terwijl het er zelf maar heel weinig aan bijdraagt. De landen die in feite de problemen veroorzaken, moeten ons helpen.’

‘Want vergis je niet,’ zegt hij, ‘dit is geen item in het journaal, het is ons dagelijkse leven. Deze landen moeten dat echt beseffen en ik nodig ze dan ook uit om zelf te komen kijken. Ze moeten naar onze stemmen luisteren en steun bieden, bijvoorbeeld via internationaal vastgelegde systemen zoals koolstofkredieten en andere initiatieven die we samen kunnen opzetten.’

Ook botanicus Ahmed Awale is van mening dat rijkere landen een morele verantwoordelijkheid dragen om de klimaatopwarming aan te pakken. Tegelijk benadrukt hij dat oplossingen ook lokaal moeten groeien. ‘Kijk bijvoorbeeld naar grootschalige herbebossingscampagnes in landen als Ethiopië en Kenia. Daar zie je dat lokale initiatieven echt een verschil kunnen maken. In Somaliland bestaan zulke campagnes ook, al zijn ze veel kleinschaliger. We kunnen niet afwachten en blijven zeggen dat we slachtoffers zijn. Wij moeten ook zelf stappen zetten.’

Word proMO*

Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in