Dossier: 

De paria’s van Duinkerke

MO*reporter Johannes Decat hielp een week lang mee als vrijwilliger in het vluchtelingenkamp in Grande-Synthe, nabij Duinkerke. Hij hielp er de humanitaire hulp bij de juiste personen te krijgen, wat niet vanzelfsprekend is met de taalproblemen en het sectaire favoritisme in het kamp.

  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © James Fisher © James Fisher
  • © Johannes Decat Havaal, Koerdisch vluchteling uit Erbil © Johannes Decat

Voor de ingang van het vluchtelingenkamp in Grande-Synthe staan zeven politiemannen. Ze zijn gewapend en controleren het komen en gaan van vluchtelingen en bestelwagens met hulpgoederen. Ons busje rijdt hen voorbij. Aan onze linkerkant staat een rij villa’s met neergelaten rolluiken, aan de rechterkant een rij bomen met daarachter gehavende tentjes die als klonters in de modder liggen.

‘De buurtbewoners zijn niet opgezet met het kamp. De waarde van hun huizen is gekelderd’, zegt Fréderic, onze chauffeur die al sinds augustus voor de Britse hulporganisatie Calais Aid in het kamp werkt. Hij vervoert hulpdonaties van het sorteercentrum in Calais naar Duinkerke.

Helemaal achterin de laadruimte liggen de tenten. Die zijn sinds kort verboden, want de gemeente wil niet dat het kamp nog verder uitbreidt. Ze zijn nochtans hard nodig. ‘Elke dag komen hier 60 vluchtelingen toe, en gaan er 20 weg.’ De populatie van het kamp is in drie maanden tijd verdriedubbeld. De teller staat nu op meer dan 2500 personen, waaronder veel gezinnen.

© James Fisher

Fréderic dropt ons met een volgepropte rugzak aan hulpgoederen op een nabijgelegen parkeerterrein alvorens terug te rijden naar de hoofdingang van het kamp. Zowel wagens als vrijwilligers moeten geregistreerd zijn bij de politie om het kamp binnen te mogen. Wij zijn niet geregistreerd, dus legt Fréderic uit hoe we het kamp toch binnenkomen. ‘Als de politie even de andere kant op kijkt, loop dan hier het bosje in. Blijf dan diagonaal rechtdoor lopen, en je komt vanzelf bij de hoofdweg van het kamp uit.’

Zo trekken we met een rugzak vol warme joggings het kamp in. De modder is enkeldiep. Een brandgang naast een gracht is bezaaid met menselijke uitwerpselen. Er is maar één toilet per 70 personen.

Tussen de bomen staan kriskras tentjes opgesteld. Overal branden houtvuurtjes die volledige gezinnen verwarmen. De tenten zijn volgestouwd met dekens. Kinderen ploeteren vol overgave in de modder, terwijl moeders wezenloos voor zich uit staren. We worden al van ver opgemerkt. ‘Wat heb je daar? Joggings!’ Een groepje jongemannen neemt gretig de warme broeken aan. ‘Heb je deze niet in het grijs?’ vraagt iemand in een kitscherige trui waar een leeuw op staat te brullen. ‘Anwar, dit is hier geen supermarkt,’ antwoordt zijn vriend laconiek.

© James Fisher

In dit deel van het kamp zitten vooral Arabieren uit Irak. 75 procent van de kampbewoners zijn Koerden. Het distributiecentrum in het kamp wordt gerund door de hulporganisatie Salaam en stelt enkel Koerden te werk. Dat werkt favoritisme in de hand, volgens Fréderic. ‘De Koerdische meerderheid in het kamp krijgt meer van de hulpgoederen dan de andere vluchtelingen.’ Hierdoor voelen de hulporganisaties zich verplicht individueel goederen te leveren aan specifieke bevolkingsgroepen.

Vietnamezen

De medewerkers van Artsen Zonder Grenzen zijn in de wolken als ze vernemen dat een van de vrijwilligers een beetje Vietnamees spreekt. ‘Sinds een maand hebben we hier een twintigtal onbegeleide minderjarigen uit Vietnam. Ze spreken geen woord Engels. Ze voelen zich benadeeld door de Koerden in het distributiecentrum en wantrouwen de hulporganisaties.’

De vrijwilliger is Jae Jun Lee, een jonge Zuid-Koreaan die zijn studies filosofie afmaakt in Londen. De vluchtelingencrisis raakte hem diep en daarom besloot hij tijdens zijn kersvakantie vrijwilligerswerk te doen in de kampen van Noord-Frankrijk.

© James Fisher

Een half uur later komt Jae Jun terug met een lach op zijn gezicht. ‘Ze zijn allemaal in goede gezondheid. Tot nu toe gingen ze met het beetje geld dat ze hebben eten kopen in de supermarkt.’ In een schriftje heeft hij alles genoteerd wat de Vietnamezen nodig hebben: warme kleren, dekens, schoenen in de juiste maten, zeep en tandenborstels.

‘Ze zijn eerst naar Rusland gevlogen. En dan te voet en al liftend tot Duinkerke. Ze volgden meestal gewoon de andere vluchtelingen.’ Hun eindbestemming is Engeland. Daar kunnen ze bij familie terecht en mee klussen in hun manicuresalon. Veel vluchtelingen willen naar Engeland, omdat het er als illegaal makkelijker is werk te vinden..

Die middag staat een groepje Vietnamezen in de rij aan te schuiven voor een busje dat water uitdeelt, één fles per gezin. Jae Jun Lee glundert.

Ondermaatse voorzieningen

© James Fisher

Een studie die de universiteit van Birmingham in oktober 2015 maakte over een gelijkaardig vluchtelingenkamp in Calais toont aan dat de ‘internationaal overeengekomen normen voor het verstrekken van hulp en bescherming in vluchtelingenkampen nergens te vinden zijn rond Calais.’

Volgens de studie worden sommige basisbehoeftes, zoals voldoende sanitaire voorzieningen, straal genegeerd. Artsen Zonder Grenzen heeft pas deze maandag douches geïnstalleerd in het kamp in Grande-Synthe.

De Franse krant Le Monde maakte vorige week donderdag bekend dat er een nieuw kamp komt. Het zou gaan om verwarmde huisjes voor een totaal van 2500 vluchtelingen. Het project staat gepland voor midden januari en zou 1,5 miljoen euro kosten, betaald door de Franse staat.

Hassan Abaoud, medewerker van Artsen Zonder Grenzen in het kamp in Grande-Synthe, zegt echter dat weinig vluchtelingen er iets voor voelen om naar het nieuwe kamp te verhuizen. ‘Ze willen de vluchtelingen er met bussen heen brengen. Veel vluchtelingen die een oorlog hebben meegemaakt wantrouwen dit. Het is moeilijk om ze te overtuigen. Daarbij, het huidige kamp ligt dicht bij de autosnelweg, en dus op de route naar Groot-Brittannië.’

Artsen Zonder Grenzen werkt samen met de gemeente Grande-Synthe aan het kamp dat moet voldoen aan de normen van de VN Vluchtelingenorganisatie. De burgemeester van Grande-Synthe noemde het huidige kamp onlangs nog ‘het kamp van de schande’. Een nieuw kamp zou eindelijk een einde kunnen betekenen voor deze onmenselijke situatie in het midden van Europa. Een officieel, goed georganiseerd kamp zou niet alleen de humanitaire voorzieningen voor de vluchtelingen verbeteren, maar ook het sectaire favoritisme onder de vluchtelingen kunnen temperen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift