FESPACO blaast vijftig kaarsjes uit

Een halve eeuw Afrikaanse film om de geesten te “dekoloniseren”

© Fespaco

Dit eerste artikel gaat over de boeiende ontstaansgeschiedenis van FESPACO: van filmweek onder vrienden in 1969 tot het huidige Staats-evenement dat minstens een half miljoen kijkers lokt. Deze genesis is er een waarin cinema, politiek, economie en ideologie nauw verstrengeld zijn.
Het tweede artikel biedt een focus op enkele films die in competitie lopen, en bevat interviews met de filmmakers. Het derde artikel kijkt naar de thematiek van het Anthropoceen doorheen de films van deze editie, en blikt daarmee op de toekomst. Immers, het Anthropoceen zoals dat nu reeds op het Afrikaanse continent beleefd wordt, zijn echo’s van onze toekomst.
De drie artikels zijn zo in lijn met de slagzin van het pan-Afrikaanse festival: Mémoire et Avenir des cinémas africains — geheugen en toekomst van de Afrikaanse cinemas.
FESPACO, het (Festival PanAfricain du Cinéma et de la télévision à Ouagadoudou), het belangrijkste filmfestival van het Afrikaanse continent, blaast dit jaar vijftig kaarsjes uit. Een uitgelezen moment om terug te blikken en vooruit te kijken. Matthias De Groof is ter plekke.

Genesis

Deze 26ste editie van het tweejaarlijkse festival telt 200 films, 450 projecties gedurende slechts acht dagen en 500.000 deelnemers. Op de eerste editie waren er slechts 24 films. Hoe en waarom is het zo in belang toegenomen? Het festival begon in 1969 als informele bijeenkomst rond Afrikaanse cinema. De keuze viel op Ouagadougou omdat het land economisch onbeduidend was en buiten de neokoloniale interessesfeer van Frankrijk bleef, en omdat het neutraal terrein was tussen de twee “vaders” van de Afrikaanse cinema: Ousmane Sembène en Jean Rouch.

Initieel was het festival bedoeld voor filmmakers om elkaar te ontmoeten en om in contact te komen met Afrikaanse publieken die “geintoxiceerd” werden door Westerse beelden (van Afrika) op het witte doek. Geïnspireerd op het FEPACI-manifesto (Fédération Panafricaine des Cinéastes), zou film de geesten “dekoloniseren”. Het begon klein en ideologisch, maar een “samenloop van vele verlangens, evenementen en fenomenen brachten daar grondige veranderingen in”, aldus filmmaker Gaston Kaboré.

De eerste editie van het festival kende reeds een succes door de deelname aan het festival van Sembène Ousmane, de belangrijkste Afrikaanse kunstenaar van vorige eeuw. Samen met andere pioniers zoals Oumarou Ganda en Moustapha Alassane, lokten ze veel publiek naar de zalen. De samenwerking met de Guineese cinematheek dankzij Seckou Touré, en met de Franse cinematheek, op initiatief van Claude Prieux, garandeerde dat een aantal Afrikaanse filmspoelen naar Ouagadougou werden overgebracht. Zo het gerucht gaat, zou Prieux later op de vingers getikt worden door de Franse regering omdat het festival “te Afrikaans en te weinig Frans was”.

De regering van wat toen Opper-Volta genoemd werd, wilde het succes van de eerste editie verderzetten. Ten opzichte van Senegal, Ivoorkust en Niger, bleef Opper-Volta immers verlegen van een levende filmscène. Het conflict in 1970 tussen de regering van Opper-Volta en Franse distributie en vertoningsmaatschappijen, vormde een katalysator. Een prijsverhoging van de tickets door maatschappijen Secma en Comacici resulteerde in de totaal onverwachte nationalisering van distibutie en vertoning.

‘Films naar Ouagadougou brengen om er de hoofdstad van Afrikaanse cinema van te maken is een daad van verzet tegen Franse dominantie.’
Ousmane Sembene

‘Wie zou denken, oppert Gaston Kaboré, dat een regering zo geïnteresseerd zou zijn in cinema?! De Fransen retalieerden door ons geen films meer te leveren, maar we kochten de films in Franstalige landen als België en Algerije. Het was als een kleine oorlog. De Fransen zagen zich uiteindelijk verplicht om de relaties te herstellen, maar deze evenementen gaven ons de reputatie van een klein land dat geïnteresseerd was in kunst en cultuur ondanks dat het éen van de armste ter wereld is. Veel sproot hieruit voort.’ Ousmane Sembene zei dan ook dat films brengen naar Ouagadougou om er de hoofdstad van Afrikaanse cinema van te maken een daad van verzet tegen Franse dominantie is.

Land van zij die oprecht zijn

Het volgende evenement dat het festival een enorme boost gaf, was de militaire coup in 1983 waardoor de 34 jarige Thomas Sankara aan de macht kwam. Sankara is de “Afrikaanse Ché”, de charismatische revolutionair. Hij veranderde Opper-Volta in Burkina Faso, wat zoveel betekent als het “land van zij die oprecht zijn”.

In een van zijn meest bekende redevoering op een algemene vergadering van de Afrikaanse Unie, zei hij dat het volstaat naar uw bord te kijken om neokolonialisme te begrijpen. Alles erin is geïmporteerd en de prijzen worden elders bepaald. Enkel een pan-Afrikaanse eenheid kan neokolonialisme doorbreken, en als ik er de volgende vergadering niet meer ben, is dat omdat sommigen onder jullie belang hebben bij verdeeldheid. Hij voorspelde zo zijn eigen moord.

In zeker zin had cinema het potentieel om een voortrekkersrol te spelen in Sankara’s ideologie. Een pan-Afrikaanse cinema zou zich ontwikkelen onafhankelijk van de neokoloniale mogendheden en zou een beeld geven dat het continent herstelt in zijn eer. Die cinema, gestoeld en voortspruitend uit Afrikaanse culturen, zou bijdragen tot de dialogen tussen de verschillende Afrikaanse culturen en in die zin pan-Afrikaans zijn. Maar cinema zou vooral een vector zijn van cultuur zelf. Als deel van de “derde cinema” wordt het zo een wapen, net als de koloniale mogendheden zich van deze technologie bedienden om volkeren te onderwerpen.

Afrikaanse filmmakers creëerden hoe langer hoe meer beelden van een Afrika dat voldeed aan eurocentrische verwachtingen. Hierdoor geraakten Afrikaanse kijkers nog meer vervreemd van Afrikaanse Cinema.

Burkina Faso zou het centrum worden van deze omwenteling, en Sankara omarmt dus volledig het FESPACO. Echter, vier jaar nadien wordt Sankara vermoord en opgevolgd door Blaise Compaoré. Revolutionaire cineasten als Haile Gerima weigerden vervolgens om nog naar het FESPACO te komen, omdat dat een verraad zou zijn aan Sankara’s idealen.

Desalniettemin ging FESPACO onverminderd door, evenals het neokolonialisme trouwens. Wat Afrikaanse cinema betreft, was dat neokolonialisme het meest zichtbaar in de de facto monopolieposities van niet-Afrikaanse distributeurs op het continent (tot de komst van videoproductie in de jaren 90); de quasi onmogelijkheid om Afrikaanse films te zien op eigen bodem en de afhankelijkheid van Europees subsidiegeld om films te maken.

Bijgevolg creëerden Afrikaanse filmmakers hoe langer hoe meer beelden van een Afrika dat voldeed aan eurocentrische verwachtingen. Hierdoor geraakten Afrikaanse kijkers nog meer vervreemd van Afrikaanse Cinema, en kreeg het begrip “Afrikaanse Cinema” een pejoratieve bijklank of werd als onbestaande verklaard. De Afrikaanse publieken vonden vermaak in Hollywood, Bollywood, Kung-Fu (en nadien Nollywood en haar variaties).

Epicentrum van “la conscience Africaine”

Dit scenario wordt echter tweejaarlijks opgeheven in Ouagadougou op het FESPACO. Na twee jaar wachten wordt er eindelijk een belangrijke hoeveelheid films vanuit het hele continent aan de Burkinees gebracht, en schaarste doet verlangen. De publieken zijn meer dan in staat om de politieke boodschap van vele films te ontwaren die zich verschuilt achter een charmante “supplément d’âme” voor de westerse cinéfiel, en interageren met de films op een manier dat elke westerse conventie van bioscoopbezoek tart. Cinema is inderdaad wat zich afspeelt tussen kijker en scherm. In de levendige interactie met het scherm wordt het FESPACO een groot hedendaags ritueel.

Tegelijk vormen de films maar een ingrediënt van dat ritueel met vele internationale spelers waartegenover het FESPACO zich zo professioneel mogelijk wil profileren. Dat ritueel geraakt soms verzeild in een nationalistische dramaturgie van een Burkinese staatsmacht die de realiteit van Burkina Faso maskeert. Het ritueel dreigt ook van films handelswaar te maken wier financiering gegarandeerd moet worden doorheen de vele cocktail party’s, formele en informele ontmoetingen, en “nuits chaudes”: feestjes die eindigen na de persscreening ‘s anderendaags.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

FESPACO is meer dan de optelsom van de films. Het is ook spektakel en markt, een plek waaruit toeristische uitstapjes worden georganiseerd en waar Afro-Amerikanen die op zoek zijn naar hun roots een “homecoming” ervaren. Maar het is ook een plek vol colloquia, debatten, conferenties en forums. Filmmakers en critici van Algerije tot Zuid-Afrika debatteerden er hevig over de problemen van Afrikaanse cinema en de te volgen strategieën. Zo wordt Ouagadougou eind-februari van elk oneven jaar even het epicentrum van la conscience africaine, en dat reflexieve kritische bewustzijn verloopt via cinema. Er is geen plek op aarde dan Afrika waar het moeilijker is om films te maken, en er is geen plek op aarde waar cinema zo cruciaal is.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur