Financiële logica cruciaal om klimaatverandering tegen te houden

Investeren in fossiele bedrijven is een brandverzekering nemen zonder de bom onder je huis weg te halen

Alan Wheelan / Trocaire (CC BY 2.0)

 

De snelste weg om klimaatverandering tegen te gaan, is geld weghalen uit fossiele brandstoffen. Toch bestaan er amper pensioenfondsen die desinvesteren. Als huisarts werkt Anneleen De Bonte aan een duurzaam alternatief. ‘Welke zin heeft het dat ik me als arts dagelijks uit de naad werk om mensen te genezen en bij te dragen aan de gezondheid als het geld dat ik opzij zet voor mijn pensioen precies het omgekeerde doet?’

Het viel haar als huisarts steeds zwaarder. Dagelijks zag Anneleen De Bonte mensen met burn-out in haar spreekkamer. Ze had het gevoel dat ze niet meer kon doen dan hen oplappen en terugsturen naar hetzelfde, maar nu met een dikker vel en wat meer haar op de tanden. De oorzaak van de aandoening lag volgens haar analyse buiten het bereik van haar artsenpraktijk.

Voor interpretatie vatbaar

‘Vooreerst niet schaden’, stelt de eed van Hippocrates die De Bonte aflegde toen ze tien jaar geleden afstudeerde. Voorkomen is altijd beter dan genezen, klinkt dat als volkswijsheid. Maar aan die epidemie van burn-out die ze dag in dag uit in de ogen keek, kon ze niets anders doen dan symptomen bestrijden.

Hoe dieper ze erover nadacht, hoe meer ze erover las en opzocht, hoe duidelijker het werd dat het financiële stelsel het puzzelstuk vormt tussen wat ze in haar praktijk meemaakte en de overkoepelende, planetaire problemen. De vraag is: waar gaat het geld heen? Wat gebeurt er met het geld? Wat wordt gestimuleerd? Wat niet?

‘We zijn mensen human ressources gaan noemen. Net als natuurlijke grondstoffen raken ze uitgeput door een exploitatief economisch systeem.’

‘We zijn mensen human resources gaan noemen. Net als de natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen raken zij uitgeput door een exploitatief economisch systeem waarvoor maar een wet lijkt te gelden: meer en hoger. In de reële wereld is zo’n permanente, exponentiële groei onmogelijk.

Er is altijd een fysieke grens. Tegelijk is alles gebouwd op dat waanidee. Ons geldwezen jaagt die groeiobsessie aan. De gevolgen worden steeds duidelijker: klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, obesitas en mensen die mentaal afhaken’, vertelt De Bonte.

Op een dag maakte ze een rekensom. Ze vermenigvuldigde de ruim 65.000 artsen in Vlaanderen met de bijdrage die het Riziv jaarlijks uitgeeft aan premies voor hun –en ook haar– vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) in ruil voor conventionering. Het product was zo’n honderdvijftig miljoen euro. Ondertussen ontvangen ook zelfstandige thuisverpleegkundigen en logopedisten deze RIZIV-toelage en is het bedrag opgelopen tot 200 miljoen euro. Per jaar. Geld dat dertig jaar lang vaststaat en de economie voedt.

Ze kon enkel hopen dat al dat geld in bedrijven en sectoren geïnvesteerd werd die ervoor zorgden dat het leven op de planeet voor iedereen beter werd, de gezondheid van mens, plant en dier ten goede kwam. Maar of dat het geval was?

Ze stuurde een mail naar haar pensioenfonds. ‘Hoe ver staan jullie met een duurzaam en klimaatvriendelijk investeringsbeleid?’ Er volgde een beleefd maar nietszeggend antwoord. De Bonte herhaalde haar vraag, benadrukte dat ze als arts haar geld graag wilde beleggen in bedrijven die meewerken aan oplossingen in plaats van de problemen te veroorzaken en verergeren. Ze dacht daarbij aan investeringen in ontginning, transport en verbranding van fossiele brandstoffen, maar ook aan frisdrankgiganten die er niet voor terugdeinzen waterbronnen te privatiseren.

Toen schreef de CEO terug. De toon was zalvend. Enigszins paternalistisch. En ook een tikje hautain. De Bonte moest hen vertrouwen. Ze kenden hun vak. Als professionele fondsbeheerders moesten ze rekening houden met risico’s, met de nodige spreiding van sectoren binnen hun portefeuilles. Bovendien kon niemand de toekomst voorspellen en ethiek, beste mevrouw De Bonte, is dat niet voor interpretatie vatbaar?

Maar ze waren ook bereid een toegeving te doen. Mocht het haar geruststellen, ze zouden werk maken van ecologische, sociale en bestuurkundige criteria, in het jargon een ESG-beleid.

Geen beleid

Voor De Bonte was het het begin van de zoektocht naar een pensioenfonds voor artsen dat geen geld stort in de ontginning van fossiele brandstoffen of wapenhandel. De eerste vaststelling was even verrassend als ontnuchterend: geen enkel fonds had hierover een beleid. Wat ze zocht, bestond niet. Nog niet. Ze besloot ervoor te zorgen dat het zou opgericht worden. ‘Vooreerst niet schaden’ was de eed die ze had afgelegd. Voor haar was dat nooit een formaliteit geweest.

‘Welke zin heeft het dat ik me als arts dagelijks uit de naad werk om mensen te genezen en bij te dragen aan de gezondheid als het geld dat ik opzijzet voor mijn pensioen precies het omgekeerde doet? Hoeveel meer puffers tegen astma gaan we voorschrijven als tegelijkertijd ons geld belegd wordt in steenkoolcentrales? Hoe leg je uit dat je pensioengeld van artsen investeert in de grootste producent van diabetesmedicatie en dat op het volgende lijntje van je investeringsportfolio de grootste producent van suikerhoudende dranken staat?

Financieel is dat ongetwijfeld geniaal, maar als het je echt om de gezondheid van mensen te doen is, kan je het geld van artsen veel beter besteden. Desinvesteren, daar gaat het om. Je pensioengeld uit fondsen met fossiele brandstoffen weghalen en overbrengen naar investeringen in pakweg hernieuwbare energie’, aldus De Bonte.

Ze schoof haar dokterspraktijk voor onbepaalde tijd aan de kant om er via Fairfin voor te zorgen dat het er zou komen: een pensioenfonds voor medisch personeel dat op alle vlakken duurzaam is. Meer dan driehonderd, vooral jonge, artsen lieten weten dat ze haar steunen. Ook architecten zijn geïnteresseerd. Ze zou graag met tweeduizend zijn. ‘Dat lukt wel.’

Onbekend en angstaanjagend terrein

Divestment. Het is een term die de Amerikaanse journalist en milieuactivist Bill McKibben in 2012 in een artikel in Rolling Stone noteerde en lanceerde. Ook hij had een som gemaakt. Een van drie getallen. 2 graden Celsius –zo veel mag de gemiddelde temperatuur op aarde maximaal stijgen voordat we voor de menselijke beschaving onbekend en angstaanjagend terrein betreden– 565 gigaton CO2 –het fossiele budget, zo veel koolstofdioxide kunnen we nog in de atmosfeer pompen om de kritieke grens van 2 graden niet te overschrijden– en 2795 gigaton de hoeveelheid CO2 die we zouden uitstoten als we alle gekende reserves van fossiele brandstoffen opbranden.

Het verschil is simpel: de fossiele industrie zit op een zeepbel van vijf maal meer CO2 dan we de lucht in mogen jagen willen we het leven zoals we het kennen beschermen. Als pensioenfondsbeheerders het hebben over risicoanalyses, stelde McKibben, dan vergeten ze dat het grootste risico zit in deze ‘koolstofbubble.’ De Shells en Exxons van deze wereld zijn overgewaardeerd. Het kapitaal dat in hun boekhouding staat, kunnen ze niet benutten zonder de planeet finaal te verwoesten. De fossiele brandstoffen die de waarde van hun aandelen bepalen, moeten in de grond blijven. Het zijn dode investeringen.

Hoe verstandig is het om blijvend geld in een industrietak te pompen die toch zou verzuipen?

‘Keep it in the ground’, werd de eenvoudige boodschap van de Divestment-beweging. Ze zwaaiden niet langer met hun vuisten tegen Shell en Exxon, maar bewerkten hun financiers: hoe verstandig was het om blijvend geld in een industrietak te pompen die toch zou verzuipen?

Men spoorde overheidsinstellingen, universiteiten en andere institutionele beleggers aan hun beleggingen ‘fossielvrij’ te maken. Investeren in de toekomst betekende vooral niet investeren in sectoren waarvan de schade voor mens en milieu bewezen was. De eerste universiteit die zijn geld terugtrok uit fossiele investeringen was het kleine Unity College in Maine. In november 2012 haalde het 13 miljoen dollar weg uit olie- en gasaandelen.

De nieuwe beweging had alvast de geschiedenis aan haar kant. In de jaren zeventig ondermijnde een gelijkaardige georganiseerde economische boycot de legitimiteit van het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Ook daar was de redenering geweest: moraliseren is prima, maar de geldkraan dichtdraaien heeft meer effect. Wat toen gelukt is, moest nu ook lukken met de fossiele industrie.

Herkenbare vijand

‘De klimaatbeweging heeft een duidelijke, herkenbare vijand nodig’, schreef McKibben in 2012 in Rolling Stone. ‘Dat zijn de oliebedrijven.’ Alvast één nakomeling van de olie-industrie gaf hem gelijk. Het filantropisch fonds van wijlen oliebaron John D. Rockefeller haalde een vermogen van 860 miljoen dollar weg uit fossiele beleggingen. De bijbehorende verklaring was veelzeggend en klonk als een heldere waarschuwing aan de industrie. ‘We zijn ervan overtuigd dat als hij (John D. Rockefeller) vandaag nog zou leven hij als een scherpzinnig zakenman met oog voor de toekomst zijn geld weg zou halen uit fossiele brandstoffen en zou investeren in schone, hernieuwbare energie.’

Divesteren was niet alleen een kwestie van ethiek maar ook en vooral van economische voorzienigheid

Divesteren was niet alleen een kwestie van ethiek maar ook en vooral van economische voorzienigheid. Het Noorse pensioenfonds, opgebouwd uit winsten gemaakt op de verkoop van fossiele brandstoffen en het Franse AXA schoven met hun investeringsportefeuille en schrapten ‘fossiel’ uit het pakket.

In totaal trokken 220 instellingen, steden en gemeenten wereldwijd al 6 miljard dollar weg uit fossiele brandstoffen. Omdat studenten op campussen het eisten, maar ook omdat analisten dat de veiligste weg naar de toekomst vonden. Vorige week nog publiceerde Nature Climate Change een onderzoek dat stelt dat de dalende prijs van hernieuwbare energie steenkool, olie en gas aan sneltempo uit de markt duwt.

Amundi, een van de grootste vermogensbeheerders van Europa meent dat investeerders op een kantelpunt staan. ‘Als ze nu ophouden de fossiele industrie mee te financieren, dan kunnen ze hun verliezen nog beperken.’

De veilige huisvaderaandelen van de klassieke energiereuzen van weleer zijn niet meer.

Niet zo maar een vorm van activisme

In de kantoren van The Shift, vier hoog in de Brusselse Hoogstraat, met uitzicht op een modernistische woontoren die men neerpootte op de plek waar het Volkshuis van Horta werd gesloopt, toont Bart Corijn me de grafiek van de aandelenkoersen van RWE en E.ON, twee Duitse energiereuzen die als onverwoestbaar golden. ‘Steil omlaag’, zegt hij. ‘Mensen die zeggen: zo’n vaart zal het wel niet lopen, kijk goed, dit is hoe snel het gaat.’

Hij tikt met zijn wijsvinger op het computerscherm. ‘Dit is niet zo maar een vorm van activisme, van eisen dat steden, gemeenten, universiteiten hun investeringen fossielvrij maken. Dat gaat over goed financieel beheer. Een verzekeringsinstelling die hier niet mee bezig is, heeft een groot probleem. Toch kom ik ze nog tegen, de verzekeraars die maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven gelijkstellen met het witten van muren in een verzorgingstehuis. Het is een trage sector.’

Als voormalig bankmedewerker en risicobeheerder begeleidt hij nu een groep van zeven institutionele beleggers, verzekeraars en pensioenfondsen in de uitwerking van een stappenplan om te desinvesteren. Al heeft Corijn het liever over klimaatvriendelijk investeren. Divestment, heeft hij gemerkt, klinkt voor zijn gesprekspartners te activistisch en te negatief.

‘In een keer alle aandelen in ontginning van fossiele brandstoffen afstoten? Dat is net iets te veel gevraagd voor de meeste investeerders. Ze zijn aan rendementsoverwegingen gebonden en vragen zich ook af wat ze moeten doen met fossiele bedrijven die ook de energietransitie ondersteunen? Wij zeggen niet: “Je moet dit doen”, maar wel: “Bespreek dit op het hoogste niveau.” Dat is wat wij willen bereiken. Dat de vraag in het hart van het bedrijf wordt aangekaart’, vertelt Corijn.

Hij wijst naar de lege stoelen rond de vergadertafel. Over wie er vier keer per jaar samenkomt om de weg naar fossielvrij investeren te bespreken, kan hij niet veel kwijt. Door de afgesproken confidentialiteit. Vijf van de zeven houden deze oefening liever achter gesloten deuren. De Leuvense universiteit zegt: ‘Ja, we zijn erbij’ als je er expliciet naar vraagt, enkel de universiteit van Gent pakt hiermee uit. ‘Wij willen onze publieke voorbeeldfunctie uitspelen’, klinkt het daar.

Weten waar de klepel hangt

Corijn bekijkt het pragmatisch. ‘Als we samenkomen, zit hier een paar miljard samen. Als zij met hun bevriende miljarden praten, dan breng je iets op gang, dan verschuift er iets. We hebben er bewust voor gekozen te overleggen met de financiële managers, zij die aan de knoppen zitten en mee de beslissingen nemen. Dat heeft ons best wat overredingskracht gekost. Aan de managers die instaan voor verantwoord ondernemen, de zogenaamde CSR-managers, moet ik dit niet uitleggen. Die zijn al lang overtuigd. Maar die zitten binnen hun bedrijven al te vaak op een eiland.’

Men wil best beleggen in sociaal verantwoorde en ecologische sectoren, maar wat als dat meer kost en minder opbrengt?

Een woord voedt de twijfel over de stap naar fossielvrij. Rendement. Dat is de vraag die in het gesprek over divestment altijd als eerste opduikt. Men wil best beleggen in sociaal verantwoorde en ecologische sectoren, maar wat als dat meer kost en minder opbrengt? De vraag hoe je opbrengst definieert en of je wel van winst kan spreken als bedrijven vooral sterk zijn in het externaliseren van kosten, blijft bewust buiten het vergaderlokaal.

‘We doen niet aan moraliteit. We laten de cijfers spreken. En die vertellen eenzelfde verhaal’, zegt Corijn. Hij opent een document en toont een rapport van BlackRock, wereldwijd een van de grootste vermogensbeheerders. Zij hebben fictieve berekeningen gemaakt en het verschil gemeten tussen het rendement op lange termijn van een portefeuille met en zonder fossiele producten.

Het resultaat is dat er geen verschil is. Rendement is niet het probleem, wel het gebrek aan aanbod. ‘Grote groene investeringen zijn er nog onvoldoende. Een verzekeraar heeft geen zin om hier een half miljoen, daar een miljoen te beleggen. Die moet enkele tientallen miljoenen kunnen onderbrengen. Het is aan de banken om hier het normale aanbod van te maken en geen aanbod dat je enkel krijgt als je er speciaal naar vraagt. Ik word er ongelukkig van als men banken die hier nu al mee bezig zijn beschrijft als nichebanken. Dit is geen niche. Deze banken weten waar de klepel hangt’, verklaart Corijn.

Op lange termijn niet houdbaar

Toen Jeroen Vanden Berghe als financieel beheerder van de UGent in december 2013 naar zijn Raad van Bestuur stapte om het kader van de universitaire beleggingen tegen het licht te houden en de fossiele investeringen eruit te filteren, gebruikte hij onbewust de argumenten die McKibben in Rolling Stone had geschreven.

‘Als je kijkt naar het klimaatakoord van Parijs en de fossiele reserves die er vandaag nog zijn, dan weet je dat die reserves niet aangeboord mogen worden. Het betekent ook dat bedrijven die op die reserves zitten, overgewaardeerd zijn en dat vroeg of laat hun waarde fors zal dalen. Ook al is dat bedrijf bezig met zich te heroriënteren, hun waardering is op lange termijn niet houdbaar. Je kunt er beter uitstappen.’

Gent was de eerste universiteit die zich boog over een mogelijk ‘divestment-beleid’. Luik zou als tweede volgen. De drie externe fondsbeheerders van de UGent kregen de vraag een duurzame beleggingsportefeuille uit te bouwen. Voor elk van die beheerders ging het over een pakket van ongeveer 75 miljoen euro, geld dat bedoeld is om in de toekomst de renovatie van gebouwen of onderzoeksprojecten te financieren en dat de universiteit in afwachting belegd. ‘In totaal gaat het over 240 miljoen euro, verdeeld over drie beheerders, waarvan het grootste deel in Europese overheidsobligaties zit.

Tussen twintig en dertig procent wordt via aandelen en obligaties in bedrijven belegd. Die wilden we duurzaam maken’, legt Vanden Berghe uit. ‘Ik moest dit niet echt verdedigen, nee’, gaat hij verder. ‘Duurzaamheid is voor de Gentse universiteit een vanzelfsprekendheid geworden. We mogen en willen daar ambitieus in zijn. Als we iets moeten verdedigen, dan wel het feit dat we dat in het verleden niet hebben gedaan.’

Maar duurzaam in theorie bleek een pak makkelijker dan duurzaam in de praktijk. Na een jaar stelde elk van de fondsbeheerders een duurzaam pakket voor. Op dat moment had zich aan de universiteit een commissie ‘duurzaam beleggen’ gevormd. Naast enkele professoren en een externe expert van Fairfin zat hierin ook een vertegenwoordiger van de studentengroep Fossil Free Ghent.

‘Op een dag stonden ze voor mijn kantoordeur met een scherp pamflet. Ik heb ze niet wandelen gestuurd, ik heb ze mee rond de tafel gezet. Hun kritische blik was verfrissend, uit het duurzame voorstel van de fondsbeheerders, pikten ze de fossiele bedrijven er zo uit. In totaal ging het om 1,5 procent dat nog in fossiele bedrijven zat. Een peulenschil. Maar iedereen was het erover eens: ook dat is te veel’, stelt Vanden Berghe.

Omdat de externe beheerders er niet in slaagden zichzelf te reguleren, legde de universiteit haar eisen op tafel. De eerste was het rendement. Geen verlies, luidde het devies. De tweede formuleerde duidelijke uitsluitingscriteria: naast de klassiekers als wapenhandel, pornografie, tabak en kansspelen scherpte de universiteit de lijst aan met ‘bedrijven die zoeken naar steenkool, olie en gas, ze bovenhalen, raffineren en vervoeren of die investeren in elektriciteitsopwekking op basis van fossiele brandstoffen.’

En dan was er een derde eis. Die ging over wat moest. ‘Als je de fossiele sector uitsluit, moet je je richten op hernieuwbare energie. We willen dat tien tot vijftien procent van onze aandelenportefeuille bestaat uit bedrijven die bezig zijn met wind, zon, aërothermie, geothermie, biogassen, biomassa, waterkracht, energie uit oceanen, energie-opslag en circulaire economie,’ verklaart Vanden Berghe.

Hoog mikken mag

Twee van de fondsbeheerders ontwikkelden een product op maat van het ambitieniveau van de universiteit dat beschikbaar moet zijn voor alle geïnteresseerde investeerders. ‘Het fonds voldoet bijna volledig aan ons ambitieniveau. Het ligt nu ter goedkeuring voor bij de FMSA, de Autoriteit voor Financiële Markten en Diensten, dat zou in september rond moeten zijn. We hebben gemerkt dat je best hoog mag mikken, dat je als klant kunt doorduwen. Ondertussen krijgen we ook vragen van banken bij wie we geen klant zijn over hoe ze zo’n fondsen moeten oprichten en samenstellen. Dat is onze taak als universiteit: tonen dat het kan. Die publieke pioniersrol willen we vervullen’, besluit Vanden Berghe.

‘We hebben gemerkt dat je best hoog mag mikken, dat je als klant kunt doorduwen. Ondertussen krijgen we ook vragen van banken bij wie we geen klant zijn over hoe ze zo’n fondsen moeten oprichten en samenstellen’

Het is een opvallend verschil tussen Gent en Leuven. Hoe actief de eerste hierover communiceert, zo terughoudend is de laatste hierover. ‘We vinden het niet wenselijk om ons financieel beleid op het politieke forum te voeren’, zegt Paul Jolie hierover. Als directeur van financiële diensten kreeg hij in januari 2017 een open brief van driehonderd professoren en studenten te lezen. Ze vroegen de universiteit om te desinvesteren. Tweeduizend studenten ondertekenden een petitie met eenzelfde eis en ook de studentenraad had voor gestemd. Niet unaniem. De burgerlijke ingenieurs waren tegen.

‘Hun studentenvereniging, VTK, wordt nogal royaal gesponsord door Exxon. Dat zal wel meegespeeld hebben’, vertelt Gert-Jan Vanaken, laatstejaarsstudent geneeskunde en actief bij de campagne KULeuven Fossil Free.

De universiteit reageerde opvallend positief en zegde prompt een portfolio op die exclusief uit een oliefonds bestond. ‘Maar er is nog steeds 100 miljoen waarvan zo’n vijf procent in fossiele bedrijven belegd is’, vertelt Vanaken. ‘En dan is er nog het pensioenfonds.’

‘We zijn ermee bezig’, stelt Jolie. ‘Nogmaals: we geven de voorkeur aan concrete, effectieve maatregelen volgens onze beleidslijn ‘Klimaatvriendelijk investeren’, buiten de schijnwerpers. We poneren niet met alle stelligheid dat we volledig uit fossiele investeringen stappen. Het is een permanente evolutie en we voelen niet de behoefte met de vlag voorop te lopen. Het gaat om een bedrag van 100 miljoen euro.’

‘In 2015 was vijf procent belegd in fondsen met een duurzaamheidsfocus, dat is in 2016 gestegen tot zestien procent en naar veertig in 2017. We trachten onze portefeuilles bij de tijd te houden, maar we moeten ook oog hebben voor risico en rendement. Ik weet dat studies aantonen dat het rendement niet daalt, maar ik zie wel een stijging van de kosten. Dat moet je toch ook grondig bekijken.’

De brandverzekering en de bom

Het gebeurt wel vaker. Dat de techniciteit van financieel beheer, het jargon dat er rond geweven is, het diepere debat rond het hoe en waarom van divestment overwoekert. Op haar zoektocht naar een duurzaam pensioenfonds, heeft De Bonte alle tegenargumenten, aarzelingen, twijfels, technische modaliteiten of rendementsafwegingen al gehoord. Telkens legt zij de ethiek op tafel.

En die ene vraag: hoe kunnen beleggingen in de financiële wereld risico-arm zijn als de bedrijfsactiviteiten in de echte wereld duidelijk risicovol zijn? Het is de cognitieve dissonantie van de financiële wereld. Risico wordt er op z’n smalst geïnterpreteerd. Als mogelijk waardeverlies.

Tot vervelens toe duwt De Bonte haar vinger in die contradictie.

‘Het is mijn rol’, zegt ze. ‘Als ik het niet doe, wie doet het dan wel? Ik heb het ESG of SRI-beleid doorgelicht, de duurzaamheidseisen van banken bekeken. Ze hanteren het goede-leerling-principe, maar wat als de beste in de klas nog niet goed genoeg is? Dat is de situatie. Vertrouwen op de labels die banken uitschrijven, is niet voldoende. Ze gaan niet ver genoeg. Je hoeft niet ver te speuren om in duurzame pakketten toch nog sporen van fossiele investeringen te ontdekken. Hun interpretatie van risicospreiding is als die van een verzekeringsmakelaar die jou een brandverzekering aanbiedt en tegelijkertijd een bom onder je huis plaatst.’

Ook het product dat ze nu mee aan het ontwikkelen is, komt nog lang niet tegemoet aan al haar eisen en dromen. ‘Binnen de sector is het een van de weinige praktijkoefeningen’, vertelt De Bonte. ‘Dat is positief. Het is een pilootproject. Het is een pilootproject binnen de huidige wetgeving en zo kunnen we alle obstakels in kaart kunnen brengen. Dat je verplicht bent om met beursgenoteerde bedrijven te werken, bijvoorbeeld.’

Maar ze weet ook steeds beter wat ze het liefst van al met haar pensioengeld zou doen tot aan haar pensioen. ‘Stel je voor dat je het zou kunnen investeren in lokaal verankerde projecten die gaan over voedsel, water, gezondheid, die echt het verschil maken. De pijnlijke ironie is dat die toekomstgerichte projecten binnen de sector als uitermate risicovol worden beschouwd. Dan weet je: de kloof tussen de financiële wereld en de echte wereld is veel te groot om gezond te zijn.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's