Hebben klimaattoppen en -akkoorden nog zin?

‘Ik weet niet of Parijs nu nog mogelijk zou zijn’

© Reuters / Yves Herman

Geen klimaattop dit jaar door corona, dat hoeft geen probleem te zijn. ‘Uitvoeren, die doelstellingen. Daar draait het om.’

Dat het klimaatakkoord van Parijs er is, is een van de grote successen van het multilateralisme. Dat het in een verbrokkelende wereld overeind blijft, is minstens even opmerkelijk. ‘Nu is het tijd om te doen wat op papier staat: de uitstoot daadwerkelijk verminderen.’

Het is verleidelijk te somberen over de slakkengang van het internationale klimaatbeleid. Hoe duidelijker de wetenschap, hoe morsiger de realiteit. Om de opwarming tot 1,5 graad te beperken, zoals afgesproken in het klimaatakkoord van Parijs, is het noodzakelijk dat in 2020 de mondiale uitstoot van broeikasgassen daalt. Tot nu steeg die, ieder jaar wat sneller dan het vorige. Als de curve in 2020 een dip vertoont, zal dat eerder te danken zijn aan de willekeur van een virus dan aan uitgekiende klimaatmaatregelen.

Nog door corona wordt 2020 het eerste jaar zonder klimaattop sinds de eerste officiële COP (Conference of the Parties) in 1995 in Berlijn. De COP26 zal pas in 2021 plaatsvinden in Glasgow. Het is niet ondenkbaar dat de Verenigde Staten, goed voor twintig procent voor de mondiale uitstoot, er dan niet langer bij zullen zijn. Als Donald Trump op 3 november de Amerikaanse presidentsverkiezingen wint, trekken de Verenigde Staten zich een dag later als eerste land ter wereld officieel terug uit het klimaatakkoord. Het zou het einde zijn van de zo gevierde eensgezindheid over Parijs.

Wat rest er van de hoop en de euforie die overheersten in de nacht dat het akkoord van Parijs afgeklopt werd?

Ondertussen zet de klimaatontwrichting in alle schokkende hevigheid door. In Bagdad steeg het kwik deze zomer tot een dodelijke 51 graden, door hevige stortregens staat een kwart van Bangladesh onder water, in België was het snakken naar regen in alweer een hittegolf, het ijs in het Noordpoolgebied smolt sneller dan ooit en we zouden bijna vergeten dat het jaar begon met allesvernietigende bosbranden in Australië. Dit is de verwoestende realiteit van een wereld die globaal gemiddeld 1,1 graad warmer is dan voor de industriële revolutie.

‘We’ll always have Paris’, waren de woorden waar de geliefden in de oorlogsfilm Casablanca zich aan vastklampten. Het is ook het mantra geworden van de internationale klimaatgemeenschap. Maar 2020 is niet 2015. Wat als Parijs ondanks alle beloftes dode letter blijft? Wat rest er van de hoop en de euforie die overheersten in de nacht dat het akkoord afgeklopt werd? Heeft het multilateralisme van het klimaatbeleid wel overlevingskans als grote landen als de Verenigde Staten, China, Brazilië en India zich steeds meer terugtrekken in nationalisme?

Iedereen aan boord

Op een terras in Leuven roert Jos Delbeke melk door zijn koffie. Bijna twintig jaar was hij als hoofd van het directoraat-generaal Klimaat Europees klimaatonderhandelaar. Hij kwam aan boord na de implosie van het Kyoto-protocol, zat op de eerste rij bij de flop in Kopenhagen in 2009 en boetseerde woord voor woord mee aan het Akkoord van Parijs.

‘Twee zaken’, zegt hij als begin van een antwoord op mijn twijfels en vragen. ‘Eén: Parijs is een belangrijk akkoord omdat het er is en omdat het de hele wereld omvat. Twee: we wisten met welke tegenkrachten we rekening moesten houden. Dat verklaart waarom het standhoudt. Ieder woord is gewikt en gewogen. Je zou kunnen zeggen dat alle voorgaande mislukkingen geleid hebben tot Parijs.’

Delbeke verklaart zich nader. ‘We wisten stilaan hoe het niet moest, wat niet werkte. De opsplitsing tussen industrielanden en minder ontwikkelde staten leidde permanent tot gekrakeel en vingerwijzingen. Opgelegde doelstellingen botsten op China en de Verenigde Staten, die geloven in multilateraal samenwerken zolang zij de baas zijn maar die geen inmenging in nationale politiek aanvaarden.’

‘We kenden de gevoeligheden en we beseften zeer goed dat je pas een akkoord hebt als iedereen aan boord is. China moest mee. De Verenigde Staten moesten mee. Ik heb daar een bescheiden rol in gespeeld, ja. Als je 195 landen mee wil krijgen, moet je met iedereen rekening houden en moet iedereen het gevoel hebben dat hij erbij wint. Wat heb je aan een akkoord als meer dan de helft van de landen het uiteindelijk niet ondertekent? Tot dan was dat de steeds terugkerende realiteit van internationale milieuakkoorden.’

‘Multilateralisme is nooit makkelijk geweest. Het is trouwens de reden waarom we het nogal, euh, ingewikkeld gemaakt hebben om uit het klimaatakkoord te stappen.’

Het is zijn grote verwijt aan, ja, zelfs ontgoocheling in Al Gore. Die was de Amerikaanse onderhandelaar in Kyoto en sleepte een overeenkomst uit de brand waarvan hij op voorhand wist dat de Amerikaanse Senaat ze nooit zou goedkeuren. Delbeke reisde nog naar de top van de G8 in het Japanse Hokkaido, om George W. Bush om te praten en te overtuigen het Kyoto-protocol toch te ratificeren. Een wanhoopspoging. Hij glimlacht bij de herinnering. ‘Een aimabel man, daar niet van. Maar hij wist van toeten noch blazen. Hij wuifde het weg met een grapje. “So great dat jullie dat willen. Maar, nee, we doen niet mee.” Dat was dat.’

‘Het was een belangrijke les: het is makkelijk ambitieus te zijn als je geen rekening houdt met de tegenkrachten. In Parijs wisten we heel goed hoe ver we konden gaan. Soms zijn dat details, een kwestie van woorden. Dat je wel ‘should’, maar niet ‘shall’ kan gebruiken. Het is ook de reden waarom er een flou artistique hangt rond de doelen. Maar ze staan er wel in. Opwarming beperken tot ver onder de 2 graden, met voorkeur voor 1,5 graad en een klimaatneutrale wereld in de tweede helft van deze eeuw. In minder dan negen maanden was het geratificeerd. Ook dat was ongezien.’

‘Sindsdien is de wereld veranderd, absoluut. Ik weet niet of Parijs nu nog mogelijk zou zijn. In 2015 waren de Verenigde Staten en China bereid hun nek uit te steken. Multilateralisme is nooit makkelijk geweest. Het is trouwens de reden waarom we het nogal, euh, ingewikkeld gemaakt hebben om uit het klimaatakkoord te stappen. Je moet minstens vier jaar wachten.’ Hij knipoogt. ‘Niet toevallig de duur van een Amerikaans presidentschap.’

© Reuters / Gonzalo Fuentes

Leiders van inheemse volkeren tijdens de kli-maattop in Parijs, 2015. ‘Wij drukken alle hoge vertegenwoordigers en juristen met de neus op de feiten: breng je daden in lijn met je woorden of wij sterven.’

De moeizame weg naar een streefdoel

Het is nooit makkelijk geweest. Dat bewijst het verleden van het internationaal klimaatoverleg. In 1989 viel de muur in Berlijn en werd het einde van de geschiedenis aangekondigd. Het was ook het begin van een lange reeks internationale klimaatonderhandelingen. In het voorjaar richtte de Britse eerste minister Margaret Thatcher toen een bede aan de wereld. Met alles wat men wist over de opwarming van de aarde was het noodzakelijk een conferentie te organiseren over de aanpak ervan. Men had het zelfs over een bindend verdrag over het bevriezen en op termijn verminderen van de uitstoot van broeikasgassen.

In november, drie dagen voor de val van de muur de naoorlogse wereld door elkaar schudde, kwamen vertegenwoordigers uit zestig landen samen in de Nederlandse badplaats Noordwijk. In Het verlies van de aarde. Een recente geschiedenis omschrijft de Amerikaanse journalist Nathaniel Rich de sfeer er als vrolijk en uitgelaten. De Amerikaanse president George Bush senior had verklaard dat de Verenigde Staten een vooraanstaande rol zouden spelen. Iedereen leek aan boord, en bereid een slotverklaring te ondertekenen waarin men beloofde de eigen uitstoot te stabiliseren.

Het draaide anders uit. De Verenigde Staten bespeelden achter de schermen de Sovjet-Unie, Japan en Groot-Brittannië om zich te verzetten tegen een bindende overeenkomst. Het zou de economie geen deugd doen, en bovendien waren zij toch soevereine staten? Ze zouden toch zelf beslissen wat goed voor hen was?

Het eindpunt van Noordwijk werd een sterk verwaterde versie van de beginambitie: ‘Veel landen ondersteunen de stabilisering van de uitstoot.’ Op iedere volgende, op voorhand als cruciaal omschreven klimaattop herhaalde het scenario zich. Het streefdoel van een bindend verdrag vormde het uitgangspunt en werd tegen het einde omgebogen in een tekst die wel iets zei, maar zelden genoeg.

De Aardetop in Rio de Janeiro in 1992 leidde tot het eerste raamverdrag over klimaatverandering. Het doel was ‘de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau dat de gevaarlijke inmenging van menselijke activiteiten in het klimaatsysteem moest verhinderen.’ Het Kyoto-protocol van 1997 schoof voor het eerst bindende reductiedoelstellingen naar voren. Enkel voor industrielanden.

Het resultaat was dat het grootste van de industrielanden, de Verenigde Staten, het akkoord naast zich neerlegde. Omdat zij het niet eerlijk vonden dat minder ontwikkelde landen geen verantwoordelijkheid moesten nemen. Ook dat is de realiteit van multilateralisme. Wat rechtvaardig is, is niet noodzakelijk haalbaar. Maar evengoed: fiasco’s ontpoppen zich op de lange termijn soms tot onverwachte successen.

De top in Kopenhagen in 2009 leverde bijna per ongeluk de grens van 2 graden opwarming op, in Parijs bijgesteld tot 1,5. Het Kyoto-protocol zette dan weer de lijnen uit van het Europees klimaatbeleid. Delbeke kreeg de taak om een interne koolstofmarkt uit te bouwen: ETS, het European Trading System. De Europese emissiehandel. Nu reist hij, vaker virtueel dan fysiek, de wereld rond om overheden te adviseren over zo’n koolstofmarkt en om hoge ambtenaren bij te scholen. China, Korea, India, Zuid-Afrika, allemaal willen ze het systeem kopiëren.

‘Is het perfect? Nee’, legt Delbeke uit. ‘Maar het is een van de weinige milieuakkoorden waarbij we de zware, energie-intensieve industrie in het systeem hebben getrokken. Als we dat niet hadden, hadden we niets. Maar het beste dat we gedaan hebben, is wat het Europees milieuagentschap doet: het traceren van de uitstoot. Nergens ter wereld is die zo gedetailleerd en accuraat. We weten precies hoeveel CO2 er uit welke fabrieksschoorsteen komt. Elk jaar wordt dat publiek gemaakt. Name and shame. Als je de cijfers hebt, wordt het duidelijk dat je geen steenkool kan blijven verstoken en denken dat je klimaatdoelstellingen zal halen.’

‘Oliestaat Texas is intussen de grootste producent van windenergie in de Verenigde Staten.’

Volgens hem zijn die bilaterale uitwisselingen van concrete kennis en kunde minstens zo fundamenteel als multilateraal onderhandelen. Misschien wel belangrijker, hier en nu, in deze wereld. Delbeke tweet niet vaak. Maar hij tweette wel dat het goed is dat de COP26 een jaar wordt uitgesteld.

‘Uitvoeren, uitvoeren, uitvoeren. Daar draait het om. Alle aandacht moet gaan naar de implementatie van de doelstellingen. Daarvoor hoef je niet ieder jaar met alle landen van de wereld samen te komen, daarvoor heb je overal goed beleid nodig. De klimaatconferenties zoals ze nu zijn, zijn monsters geworden. Ik hoop dat men de extra tijd gebruikt om een onderscheid te maken tussen wat politiek en wat technisch besproken moet worden. Nu Parijs er is, kan ik me voorstellen dat er om de twee à drie jaar een politieke top plaatsvindt met een check van wat gerealiseerd is en wat beter moet. Een verscherping van de doelstellingen zal om de vijf jaar gebeuren, dat is al beslist.’

‘Als het over implementatie gaat, kan je alle andere partijen erbij betrekken. De zogenaamde non-state actors. Bedrijven, regio’s, steden. Daar zit vaak de energie, de drijvende kracht. Kijk naar de Verenigde Staten: de dag waarop Trump het vertrek uit het Akkoord van Parijs aankondigde, verenig-den staten en bedrijven zich in de coalitie We’re still in. Zij voeren concreet klimaatbeleid omdat ze beseffen dat die tegenstelling tussen economie en ecologie volledig achterhaald is. Oliestaat Texas is intussen de grootste producent van windenergie.’

Plannen en profileringsdrang

Nigel Topping is een man die blaakt van optimisme en daadkracht. Hij is het aan zijn huidige titel verplicht: voor de COP26 in Glasgow is hij de UK High Level Climate Action Champion. Het is zijn rol alle zogenaamde non-state actors te verleiden en te motiveren tot doortastende en daadwerkelijke klimaatambities. Groot-Brittannië heeft ook iets te bewijzen op de COP26. Dat hun soortelijk gewicht op wereldschaal niet is afgenomen door de Brexit. Ook dat speelt mee in de coulissen van klimaatonderhandelingen: profileringsdrang.

‘Het is zoals de Britse minister van Binnenlandse Zaken onlangs aangaf: “Klimaatbeleid is de levensverzekering voor je economie.”’

Op de klimaattop van Glasgow is het aan de regering van Boris Johnson om te tonen dat het Groot-Brittannië ernst is met klimaatbeleid en dat het in staat is om mondiaal door te wegen. Topping legt vanuit zijn huiskamer lijnen naar de grote bedrijven, investeerders en regio’s in de wereld. Tijdens een webinar van de Britse, conservatieve denktank Conservative Environment Network maakte hij omstandig duidelijk dat steeds meer regio’s en bedrijven hun nationale overheden onder druk zetten om waar te maken wat ze in Parijs ondertekenden.

‘Zal Glasgow ons in 2021 op het pad naar 1,5 graad zetten? Ik denk het niet’, stelt hij. ‘Maar er is nu een alliantie van honderd landen die klimaatneutraal willen zijn tegen 2050. Toegegeven, de Verenigde Staten en China zijn daar niet bij. Zuid-Korea, een groot exporteur van steenkool, wel. En dan zijn er de investeerders en bedrijven.’

Hij somt er enkele op. Niet allemaal, het zijn er volgens hem te veel om op te noemen. ‘Mercedes, Rolls Royce, Maersk, Unilever, Amazon. Allemaal hebben ze plannen om klimaatneutraal te zijn tegen 2040 of 2050. Dat is een ongelooflijk momentum. We weten hoe industriële transformatie werkt. Het gebeurt niet geleidelijk, het gaat exponentieel. Wie nu niet mee is, dreigt achter te blijven of uit de boot te vallen. Het is zoals Dominic Raab, de Britse minister van Binnenlandse Zaken, onlangs aangaf: “Klimaatbeleid is de levensverzekering voor je economie.”’

Levensverzekering of mensenrecht?

Maar wat met landen en volkeren die altijd al uit de boot vielen? Topping heeft geen tijd om die vraag te beantwoorden. Toch is dat het bijzondere, soms onderschatte aspect van multilateralisme. Stemmen die elders geen gehoor vinden krijgen op een klimaattop wél een podium, en in het beste geval gehoor.

“Klimaatrechtvaardigheid”, het idee dat lusten en lasten eerlijk verdeeld moeten worden, is een expliciet onderdeel van het Akkoord van Parijs. Net zoals de erkenning van de kennis van inheemse volkeren over de aanpak van droogte, bodemverschraling, verlies aan biodiversiteit en de gevolgen van de klimaatcrisis.

‘De eerste keer dat ik naar een klimaattop ging, dacht ik: “Dit is de laatste keer. Ik kom nooit meer terug.” Ik zag alleen maar mensen door elkaar rennen, niemand had tijd, ze discussieerden over woorden, of het nu must of would of could moest zijn’, vertelt Hindou Oumarou Ibrahim. ‘Terwijl in mijn land mensen sterven aan de klimaatcrisis.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Het was 2007. Sindsdien heeft ze geen enkele COP gemist. Als vertegenwoordiger van de inheemse volkeren in Tsjaad leerde ze de taal van het multilateralisme spreken. Samen met andere inheemse leiders zette ze eisen op papier en dwong ze inspraak, spreekrecht en beslissingsmacht af. Hun volharding mondde uit in een eigen paragraaf in het Akkoord van Parijs. Paragraaf 7.5. De erkenning van inheemse kennis over hun omgeving.

‘Het is makkelijk de mens te vergeten op zo’n klimaattop. Het gaat over cijfers, over mechanismen, over wie wel iets wil doen en over wie niets wil doen. Als je zoals mijn mensen afhankelijk bent van de regen, dan ondervind je aan den lijve wat de klimaatcrisis betekent. Wij drukken alle hoge vertegenwoordigers en juristen met de neus op de feiten: breng je daden in lijn met je woorden of wij sterven. Sommigen noemen klimaatbeleid een levensverzekering voor de economie. Ik noem het een mensenrecht.’

Alleen dat al maakt de internationale klimaatconferenties de moeite waard. Omdat ze plaats ruimen voor kwesties die elders onderbelicht blijven. Natuurlijk is de kern van de zaak het terugdringen van uitstoot, maar dit is ondoenbaar zonder respect voor het leven op deze planeet. Zo ziet Oumarou het alvast. ‘Op een COP vraagt de civiele samenleving rekenschap aan de wereldleiders.’

De uitstootcijfers vormen het nuchtere bewijs hoe noodzakelijk dat is. Sinds de conferentie in Noordwijk in 1989 is er meer CO2 in de atmosfeer gepompt dan in de hele voorafgaande geschiedenis.

Dit artikel werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's