Dossier: 

'Ik zag op tv iedereen uit Kosovo vertrekken en ben dan zelf ook weggegaan'

De Balkan werd pas vrij recent een transitroute, maar migratie is zeker geen nieuw gegeven. De laatste twee decennia waren de Balkanlanden belangrijke landen van herkomst. Vorig jaar nog verlieten tienduizenden Kosovaren in een paar maanden tijd hun land. Die migratiegolf stopte even plots als ze begonnen was.

Een duimdikke stapel documenten en vier pasjes voor het asielcentrum van Thalham, meer heeft het Europees avontuur niet opgeleverd voor Bojar Hoxha. Maar zijn ogen lichten op als hij vertelt over Oostenrijk.

Hij heeft het gezien, het Europa waar de straten er kraaknet bij liggen en de politie altijd vriendelijk is, het Europa waar werk degelijk betaald wordt en waar dokters in goed uitgeruste ziekenhuizen mirakels verrichten.

© Toon Lambrechts

Twee maanden, langer duurde het niet, zijn verblijf in Oostenrijk. Hij werd met zijn familie teruggezonden naar Kosovo, maar zal Oostenrijk niet licht vergeten.

‘Op 10 januari ben ik vertrokken met mijn vrouw en mijn twee kinderen, gewoon met de bus van Pristina (Kosovo) naar Belgrado (Servië). Hier is geen werk, en zonder baan is het aartsmoeilijk een gezin te onderhouden. We waren niet de enige die wegtrokken. Elke dag reden er zeker tien bussen, ik had zelfs geen plaats om te staan. In Belgrado hebben we de bus naar Subotica (Servische stad aan de grens met Hongarije, nvdr) genomen.’

Migratiehysterie

In minder dan vier maanden pakten minstens 25.000 Kosovaren, maar waarschijnlijk eerder 40.000 of meer, hun boeltje en vertrokken richting Europa.

Kosovo was altijd al een belangrijk herkomstland, maar eind november vorig jaar gebeurde er iets vreemd. Zonder duidelijke aanleiding stapten vele duizenden net als Bojar Hoxha in Pristina op de bus richting Belgrado om van daaruit verder te reizen naar de Hongaarse grens. Het busstation van Pristina werd overrompeld, zelfs extra bussen konden de mensenmassa niet aan.

In februari stopte de leegloop. In minder dan vier maanden pakten minstens 25.000 Kosovaren, maar waarschijnlijk eerder 40.000 of meer, hun boeltje en vertrokken richting Europa.

Niemand die een zinnige verklaring heeft voor de plotse, massale exodus. Ook Xhemajl Rexha niet, een Kosovaars journalist die de migratie-hype meermaals coverde. ‘Plots zag je honderden mensen in het busstation, gepakt om te vertrekken. Mannen, families met kinderen, iedereen vocht om een plek op de bussen richting Belgrado. Het was niet mooi om te zien. Eens in Subotica werden ze door taxichauffeurs naar de juiste hotels gebracht, de Albanese smokkelaars deden de rest. Vreemd genoeg maakten de Kosovaren gebruik van een apart netwerk dan bijvoorbeeld Syriërs of Afghanen, hoewel ze dezelfde route volgden.’

De instroom van duizenden Kosovaren alarmeerde al snel de rest van Europa. De grensbewaking aan de Hongaars-Servische grens werd opgevoerd. Enkele landen stelden een versnelde asielprocedure in voor mensen uit de Balkan. Want nergens in Europa maakt iemand uit Kosovo een ernstige kans om als vluchteling erkend te worden. Ondertussen keren er dagelijks uitgewezen Kosovaren terug op de luchthaven van Pristina, een illusie armer.

Bojar Hoxha gaat verder met zijn relaas. ‘In Subotica werden we benaderd door smokkelaars, maar ik heb zelf uitgezocht hoe de grens over te steken. De meeste doorkruisen de rivier de Tisza, maar dat zag ik niet zitten met mijn kinderen, het was zo al moeilijk genoeg. Eens de grens over, heb ik me aangegeven bij de politie. Dat leek me een goed idee, maar ik had het mis.’

Gedwongen asiel

De politie bracht Bojar, zijn gezin en nog dertig andere migranten naar een overdekte garage in Szeged (Hongarije). Daar begon een lijdensweg waar Bojar niet op voorbereid was. ‘Ik denk dat er zeker 150 mensen samen zaten. Enkele Syriërs en Afghanen, maar voor het overgrote deel Kosovaren. Er was niets, geen plek om te zitten of te slapen. In totaal bleven we 16 uur in die garage opgesloten.
Ik vroeg wat melk aan een agent voor mijn jongste kind, maar kreeg als antwoord een klap. De agent beet me toe waar ik het lef vandaan haalde om maar iets te vragen. Als ik wou drinken, moest ik maar uit het toilet drinken. Ook eten kwam er niet. Ik heb gezien hoe ze een man dwongen om op een been te gaan staan tot hij niet meer kon, gewoon om zich te amuseren.’

‘Als ik dorst had, moest ik maar uit het toilet drinken.’

‘Vervolgens werd iedereen in kleinere groepjes naar het politiestation afgevoerd voor registratie. Ook daar ging het er gewelddadig aan toe. Zelfs vrouwen en kinderen kregen slaag als het de agenten niet aanstond. Op een bepaald moment werd iedereen aan een controle onderworpen waarvoor je uit de kleren moest. Mannen, vrouwen en kinderen samen, in het zicht van iedereen. Er waren geen vrouwelijke agenten om de vrouwen apart te controleren. Nadat we geregistreerd waren kregen we onze spullen terug die we in het begin hadden moeten inleveren. Veel mensen waren hun geld, telefoons of andere waardevolle spullen kwijt. Maar wat moest je doen? Naar de politie gaan? Het waren net de agenten die ons bestolen hadden.’

Bojar had, net als de andere migranten, helemaal niet de intenties om in Hongarije asiel aan te vragen. Duitsland of Oostenrijk, daar lag zijn doel. Maar iedereen werd gedwongen een asielaanvraag in te dienen en zijn vingerafdrukken te geven.

‘Zelfs al word je na drie maanden uitgewezen, dan nog kan je misschien wat zwart werk vinden. En je hebt tenminste Europa gezien.’

‘Ze dreigden iedereen die geen asiel wou aanvragen in een detentiekamp op te sluiten voor twee maanden en dan terug de grens met Servië over te zetten. De vertaler zei ons dat ze dat ook effectief doen, dus veel keuze had ik niet.’ Nadat heel de procedure was afgerond, kreeg Bojar een kaart van Hongarije en het bevel zich naar het kamp in Debrecen te begeven. Wat hij uiteraard niet deed.

‘Ik vond een chauffeur die me voor 300 euro naar het treinstation van Boedapest zou brengen. De kerel werkte ’s nachts als politieagent, overdag hielt hij er een illegale taxidienst op na. Hij zette me een halte voor het hoofdstation af om controle te vermijden. Dat lukte, en zonder problemen namen we de trein naar Wenen. Daar heb ik asiel aangevraagd.’

‘Mijn familie kreeg een kamer in een kamp bij Thalham. We werden erg goed behandeld, het personeel was fantastisch. Maar het bleek al snel dat we als Kosovaren geen enkele kans op asiel maakte. Na twee maanden kwam er dan ook een negatieve beslissing. Ik besloot om vrijwillig naar Kosovo terug te keren. Het alternatief was een uitwijzing naar Hongarije waar mijn vingerafdrukken geregistreerd staan. Dat in alle geval niet.’

‘Allemaal leugenaars’

‘In Oostenrijk zag ik voor het eerst wat een echt ziekenhuis is, niet wat we hier in Kosovo een hospitaal durven noemen.’

‘Ik mis Oostenrijk. Het leven is er zo georganiseerd, alles is zo goed geregeld, iedereen wordt er gelijk behandeld. Mijn dochter had een probleem aan haar oog, ze moest enkele dagen naar het ziekenhuis. Daar zag ik voor het eerst wat een echt ziekenhuis is, niet wat we hier in Kosovo een hospitaal durven noemen.’ Bojar neemt het de Kosovaarse politici kwalijk dat ze zo weinig voor hun land doen. ‘Onze politici zijn in Oostenrijk komen verkondigen dat er niets mis was met het leven hier in Kosovo en dat we moesten terugkeren. Maar nu zit ik hier, en heb nog altijd geen werk. Het zijn beroepsleugenaars.’

Maar waarom juist nu vertrekken? De economische malaise in Kosovo sleept toch al jaren aan? ‘Ik zag op TV hoe er bussen vol mensen vertrokken, dus ook ik wilde mijn kans wagen. Van kennissen in Duitsland had ik gehoord dat de grens open was. Ik ben blij dat ik geprobeerd heb, maar ik zou niet opnieuw illegaal de grens oversteken, dat heeft geen zin. Hongarije was verschrikkelijk. Ik snap niet dat jullie dat land toegelaten hebben in de EU. Mocht het morgen zo zijn dat ik vrij kon reizen, ik vertrok meteen. Net zoals de rest van Kosovo waarschijnlijk.’

© Toon Lambrechts

Jong volk, weinig kansen

Kosovo’s Albanese bevolking heeft een sterkte traditie als het op migratie aankomt. Het lijkt vandaag onwaarschijnlijk, maar in de jaren zestig en zeventig was er in West-Europa een grote behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten. Vooral Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland keken naar wat toen nog Joegoslavië was en sloten akkoorden met Belgrado om hun nood aan gastarbeiders in te vullen.

Vooral het minst welvarende deel van de bevolking ging in op het voorstel om in het buitenland te gaan werken, en daar zaten heel wat etnische Albanezen tussen. De oorlogen die volgden op het uiteenvallen van Joegoslavië joegen vele tienduizenden mensen op de vlucht. Kosovo kreeg zijn deel van het oorlogsgeweld over zich, maar verwierf uiteindelijk de felbevochten onafhankelijkheid. Meer dan anderhalf decennia later is de hoop en het enthousiasme over de jonge staat volledig uitgedoofd. De onafhankelijkheid maakte haar beloftes niet waar.

‘We dachten altijd dat het beter zou gaan, maar het duurt te lang. Tja, dan stap je op de bus naar elders.’

Het is misschien het eerste wat opvalt in de straten van Pristina. Jonge mensen. Kosovo is niet alleen een piepjonge staat, de bevolking is evengoed bijzonder jeugdig. Maar liefst 44 procent van de bevolking is jonger dan 25 jaar, een cijfer dat erg uitzonderlijk is in Europa. Zelfs een sterk groeiende economie zou een dergelijk jonge bevolking niet zonder frictie kunnen opvangen in de arbeidsmarkt. In een fragiele economie zoals Kosovo, die sterk steunt op tewerkstelling door de overheid, wordt het al helemaal niets. De werkloosheidscijfers klokken af op 35 procent, de jongerenwerkloosheid zelfs op 55 procent.

‘Werk vinden is geen eenvoudige opdracht hier in Kosovo. Je hebt connecties nodig.’ Iliriana Kacakuni werkt voor KFOS, de Kosovo Foundation for an Open Society. Haar onderzoek spitst zich toe op de redenen waarom mensen ervoor kiezen weg te trekken uit Kosovo.

‘Een sociaal vangnet bestaat niet. Salarissen zijn te laag om een leven mee uit te bouwen. Mensen, en zeker jongeren, hebben de hoop verloren goed werk te vinden. Je hebt geen 500 levens om opnieuw te beginnen. Het geloof in meritocratie, in het feit dat je door inzet iets kan opbouwen, is vervlogen. We hebben al die tijd de verwachting gekoesterd dat het beter ging worden, maar het duurt te lang. Dus ja, dan stap je maar op de bus naar elders.’

Eenzaam eiland

Kosovo mag dan geen economisch succesverhaal zijn, de rest van de Balkan is dat evenmin. Toch kregen alle Balkanlanden de laatste jaren een opschorting van de verplichting een visum aan te vragen om naar Europa te reizen. Vandaar dat de andere Balkan-nationaliteiten haast niet meer voorkomen in de statistieken over illegale migratie. Alleen de Kosovaren zijn nog visumplichtig, en visa worden steeds moeilijker te verkrijgen, zegt Iliriana Kacakuni.

‘Het is voor Kosovaren erg moeilijk om te reizen, wat maakt dat er een sterk gevoel van isolatie heerst.’

‘Vorig jaar introduceerde Europa een nieuw, biometrisch visasysteem. Tegelijk werd het aantal aanvragen beperkt, zodat je erg lang moet wachten om nog maar een afspraak te versieren bij een ambassade. Bovendien liggen de erkenningen voor visa erg laag in Kosovo. Bijna 20 procent wordt verworpen, tegenover slechts 4,5 procent elders. Het is voor Kosovaren erg moeilijk om te reizen, wat maakt dat er een sterk gevoel van isolatie heerst. Zeker bij de jongeren, die ook wel eens iets anders willen zien dan dit kleine landje.’

Maar het gebrek aan economische mogelijkheden en het gevoel van isolatie zijn geen nieuwe ontwikkelingen. Vanwaar dan die plotse migratiegolf? Iliriana Kacakuni weet het ook niet. ‘Er moet ergens iets aan de grenzen gebeurd zijn waardoor het makkelijker werd illegaal over te steken.’

‘De prijs speelde zeker een rol. Een ticket naar Belgrado kost maar 25 euro, voor evenveel geld ben je in Subotica aan de grens met Hongarije. Een visa aanvragen kost meer. Zelfs al word je na drie maanden uitgewezen, dan nog kan je misschien wat zwart werk vinden. En je hebt tenminste Europa gezien.’

© Toon Lambrechts

Ook Xhemajl Rexha komt niet verder dan een paar mogelijke verklaringen voor de migratiepiek. ‘We hebben al eens een soortgelijke migratiegolf meegemaakt in Kosovo, namelijk in de zomer van 2013. Maar toen koste de trip 3000 euro. Nu was je voor 300 euro of zo in Hongarije. Het nieuws dat je zo goedkoop was heeft zeker meegespeeld. Het is moeilijk te begrijpen. Normaal zijn het vooral jonge mannen zonder werk die migreren, nu zagen we gezinnen hun koffers pakken, en zelfs mensen met een relatief goede job.’

Een van de mogelijke verklaringen klinkt bijzonder 21ste-eeuws. ‘Het ging gewoon viraal. Informatie verspreidt zich bijzonder snel tegenwoordig. Ook geruchten dat de grens open is en dat er een mogelijkheid is om asiel te krijgen gaan als een lopend vuurtje, al zijn ze nergens op gebaseerd. Evengoed zijn de verhalen vanuit de detentiecentra in Hongarije een reden waarom de exodus zo snel gestopt is. En ondertussen komen er elke dag mensen terug die uitgewezen werden, wat andere de zin ontneemt zelf te vertrekken. Want uiteindelijk is heel die uittocht een zinloze onderneming geweest.’

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist

    Toon Lambrechts is freelance journalist tegen beter weten in. Behalve in MO* Magazine en op MO.be is hij ook te lezen in onder andere Knack, EOS en Vice.