Kuifje trekt naar de Andes

Jan Flamend verkoopt verkoopstechnieken, ook aan boerencoöperaties, wijkorganisaties of andere basisbewegingen in het Zuiden. Voor een recente opdracht mocht hij naar Bolivia. Eerst werd hij uitgescholden voor wereldwinkelwijf, daarna aangestaard als buitenaards wezen.  En toen kwam alles goed.

© Jan Flamend

15 januari. Ik sta aan te schuiven aan de KLM desk in Zaventem. De dag dat de wereld Verviers leerde kennen, het verpauperde stadje aan de Vesder, waar Belgische jihadi’s thuis zijn.

Die dag vertrok ik naar  La Paz in Bolivia op een vredevolle missie. Eerst naar Amsterdam, dan naar Lima, en dan naar La Paz. Ik had al weken opgekeken tegen die 11 uur vlucht van Schiphol naar Lima, het logge lijf gekneld in een veel te krappe stoel en brandende kniëen en een voos gat. Niks zo erg als een voos achterste. Aan de gate in Schiphol vroeg ik aan een Indische dame in dat  trotse blauwe KLM uniform of ze me een exit seat kon bezorgen, voor wat beenruimte.

Vrank keek ze me aan: ‘En waarom wil U dat?’
‘Omwille van de wereldvrede,’ probeerde ik.
‘Nou, in dat geval gaan we u naar business upgraden, toch. Wereldvrede hebben we allemaal nodig.’

Totaal verbouwereerd nam ik plaats in een ruime en in alle standen beweegbare fauteuil, en een andere blauwe dame vroeg of ik een glas champagne wilde.  De leedvermakerige parvenu in mij  kon het niet laten om een blik op het economy vak te werpen, waar de drommels als schapen opeengepakt zaten, 11 uur aan een stuk. Gratis business upgrade, een cadeau van zomaar 1500 euro. Geniet ervan, wuifde ze. Leve de Indische Hollanders.

Wereldwinkelwijf

‘Ik ben Aurélie’, zegt de dame in de fauteuil langs  me en ze steekt haar hand uit. Evaluerende blik.
‘Ik ben Jan’, en ik schud haar hand. Ik kijk recht in haar ogen en zet mijn mechanische glimlach met pupilvergrotend effect op.
‘Lima?’, vraagt ze redelijk overbodig.
‘Yep!’
‘Wat ga je daar doen?’ ondertoon van ‘wat heb je daar verloren?’
‘Ik ga opleiding geven aan NGO’s in La Paz.’
‘Ben jij een van die wereldwinkelwijven?’
‘Wablief?’
‘Ja, van die moreel superieure wereldverbeterende westerlingen met geitewollensokken die aan ramptoerisme en povertysightseeing doen en de zieltogende Boliviaan als een kermisattractie benaderen om hem nog dieper in de stront te duwen?’
‘Euh.’ Ik ben sprakeloos.
‘Je ziet er niet als een ecobiolul uit.’
‘Euh.’

Ze vist ‘El negro en ik’, het bekroonde boek van Westerman op uit haar draagtas.

‘Met je Ralph Lauren hemdje. Een ngo-yup. Nog erger. Ken je het werk van Frank Westerman?’ Ze vist ‘El negro en ik’, het bekroonde boek van Westerman op uit haar draagtas. Westerman is een voormalige ontwikkelingswerker die een schitterende schrijverscarrière uitgebouwd heeft.
‘Heb ik gelezen. Erg goed boek.’ zeg ik naar waarheid.
‘De vreemdeling met het caritatieve voorwendsel, zo zien de Peruviaanse boeren hem als hij hen de les komt spellen over hun irrigatietechnieken. ‘

Ik heb echt geen zin in een discussie over  het nut van ontwikkelingswerk, en zeker niet met een astrant wicht dat haar comfortabele mening al kant en klaar heeft. ‘Ik bied mijn expertise aan waar die kan gebruikt worden.’ Ik zeg het zo droog mogelijk.
‘Welke NGO’s?’ vraagst ze quasi geïnteresseerd.
‘Mijn opdrachtgevers zijn Louvain Cooperation, de NGO van de Université Catholique de Louvain, die geeft technische ondersteuning aan plaatselijke NGO’s die rond voedselveiligheid, medische zorgen en economische ondersteuning werken. En Ondernemers voor Ondernemers, dat is een platform van Belgische ondernemers die projecten in het Zuiden steunen.’

‘En wat ga jij daar doen? Quinoa leren irrigeren met de befaamde druppeltechniek. Cocablaren leren verwerken tot meel. Biokazen in elkaar draaien?’’
‘Ik geef commerciële opleiding, ik hoop de mensen te leren hoe ze hun producten en diensten nog beter aan de man kunnen brengen.’
‘Dat heb je zeker van buiten geleerd.’

Ik houd bij gelegenheid wel van een pittige discussie, ook met een aantrekkelijke vrouw met priemende borsten in een strak T-shirt. Er komt evenwel een moment dat ik duidelijk moet maken wie hier de vent is.
‘En wie bent U, als ik vragen mag? En wat is Uw bijdrage aan het wereldgeluk? Mensen afzeiken?’
‘Ik ben Aurélie en ik maak vertalingen.’
‘Indrukwekkend.  Wat gaat U in Lima doen?’
‘Ik heb er een appartementje en ik ga er een paar maanden chillen. En je moet mij niet U-en.’
‘Waw.’
‘Dat is waarschijnlijk sarcastisch bedoeld.’
‘Je spreekt Spaans.’

De post-neo-koloniale kritiek klonk nogal belachelijk uit de mond van een meisje dat een luxeleventje op kosten van de staat geleefd heeft.

‘Yep, mijn vader was ambassadeur in verschillende Latijns-Amerikaanse landen en zo heb ik de taal geleerd. Ik vertaal Spaans, Engels en Nederlands. Kan ik overal doen. Een computer en een internetverbinding volstaan. Mijn pa was een fameus drankorgel. Die kon zijn lever elke ochtend aan de wasdraad hangen. En mijn ma, ja, dat was een sloerie. Big time.’
‘Een ongelukkige jeugd kan een goudmijn zijn voor je latere leven.’ Wat moet je anders zeggen.
‘Nog zo’n eikelstatement en ik ram je ballen in je reet.’
‘Is dat een belofte of een dreigement?’’ Ik kan ook gevat zijn, als het nodig is. Ze barst uit in een sprankelijke lach.

Het was mij niet duidelijk welke prestaties haar vrijpostige toon rechtvaardigden. De post-neo-koloniale kritiek klonk nogal belachelijk uit de mond van een meisje dat een luxeleventje op kosten van de staat geleefd heeft. Tenzij het gewoon aangeboren ambassadeursdochterbrutaliteit is. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze een onderzeeër is van de terroristen van Het Lichtend Pad, en dat ze wel geëngageerd is in een of andere anti-establishment strijd.

Elf uur lang Hollandse vrijpostigheid trotseren. Waar is de Temesta als je hem nodig hebt.

‘Wat ga je zoal doen, naast je verkoopspraatjes?’ Ze slaagt er in oprecht geïnteresseerd klinken.
‘Ik  wil zoveel mogelijk armoede en ellende zien. Daar voelen we ons goed bij. Lekkere foto’s nemen van vieze arme mensen.’
‘Dat heeft je wel geraakt, hé. Binnen de vijf minuten kan ik iemand z’n zwakke plek vinden.’
‘Dat moet een collossale genoegdoening geven.’
‘Belgen zijn veel lichtgeraakter dan Nederlanders.’
‘Wij hebben emoties.’
‘Ha ha ha. Da’s een goeie.’

4000 meter hoogte

El Alto, de zusterstad van la Paz, ligt op 4056 meter.  Ik was gewaarschuwd voor hoogteziekte door de ijle lucht. Neem Diamox en Viagra hadden bevriende geneesheren mij aangeraden.  Diamox is een waterafdrijver die de gevreesde hoofdpijn en misselijkheid van de Altiplano kan bezweren.  En Viagra, die zet de bloedvaten open, en  die laat de zuurstof vrijer vloeien in je lijf. Bij onze voortreffelijke apothekeres in Boutersem durf ik enkel de Diamox aan te schaffen.

© Jan Flamend

Ik arriveer rond 2 uur zaterdag morgen in de dinky toy luchthaven van El Alto, en Paolo Femia en Daniel Perez Cueto staan mij op te wachten. Ze dragen dikke jassen en wollen mutsen, want de zomernachten in La Paz zijn berekoud. Hartelijke begroeting. We zijn blij elkaar te zien en duiken de 4x4 in. Paolo is een extatische Italiaan en Daniel is een rustige Boliviaan die de Zuid-Amerikaanse werkzaamheden van Louvain Coopération leiden. 

Verkopen staat niet meteen in het handboek van de NGO’s, zegt Paolo, maar we hebben het wel nodig.

We spreken Frans, Engels, Italiaans en Spaans door elkaar, en ze dringen erop aan dat ik een paar dagen rust neem om me aan te passen. Maandag gaan we aan de slag en iedereen kijkt uit naar de opleiding. Verkopen staat niet meteen in het handboek van de NGO’s, zegt Paolo, maar we hebben het wel nodig. Wij noemen het marketing social.

Paolo is trots op het werk dat hij hier met zijn NGO’s verzet. ‘We bereiken 1500 gezinnen in Bolivia en in Peru, vooral arme boeren, en we hebben hun inkomen structureel doen stijgen. Hun kinderen kunnen naar school, en krijgen meer kansen.’

Die dunne lucht heeft toch wel een vreemd effect op mijn lichaam. Het is alsof een steen op mijn longen ligt, die me belet door de ademen. Wellicht ook een restant van een rokersverleden.

Via bochtige, steile wegen dalen we af naar La Paz, dat op 3600 meter ligt. Het gedacht alleen al geeft een opluchting voor mijn luchtwegen.  Ik word in een eenvoudig maar keurig hotel afgeleverd, en Paolo verzekert mij dat er wifi is.  De basisbehoefte van de hedendaagse reiziger. Niks doen, rusten, liggen. Morgen komt de dokter je onderzoeken. Het ontbijt in het hotel is prima. En geen alcohol. Niet goed voor de bloedvaten in je hoofd.  Veel water drinken en hard plassen. Paolo is zeer bezorgd om mijn welbevinden.

Inderdaad, zaterdagnamiddag staat Paolo in de kleine lobby met drie dames. Een bezorgd kijkende oudere dame, een prachtig jong meisje en een montere jongedame met wilde krullen. Alle drie buigen zich naar mij toe om mij te kussen. Aangenaam verrast bedenk ik dat de begroetingscodes in Bolivia ongegeneerder zijn dan bij ons.

Maria is de beloofde dokter die mijn vitale parameters wil checken en Lucia is de dochter van Paolo die de befaamde verkoopsprofessor in levende lijve wil zien. En Jeanne Chatelle is warempel een landgenote, uit Brussel, die voor Belgische Ontwikkelingssamenwerking aan milieu- en voedselprojecten werkt in La Paz. Alles blijkt in orde, en

Paolo zegt dat ik mag rondlopen en dat we morgen bij een bevriende Italiaan gaan eten.  En dat ik dan 1 pintje mag drinken, op voorwaarde dat het een Nastro Azurro van Peroni is. De buurt is veilig, je vindt geen criminaliteit op straat, en je kan rustig rondwandelen.

‘Het weer is onvoorspelbaar. Four seasons in one summer day in La Paz. We beginnen met een zacht lentebriesje, dan komt een knallende zon aan een kobalten hemel, donderwolken donkerblauw gieten korte stortbuien uit, en dan is de zon er weer, dan hagel en sneeuw, dan een briesje. Je kan best de teleferiek nemen om de stad te zien, zegt Jeanne. ‘Ik wil je graag voor een ritje meenemen.’

‘Teleferiek, zoals in skilift?’

‘Mi Teleferico. La Paz heeft drie grote telefericos, een groene, een gele en een rode. De kleuren van de Boliviaanse vlag. Zij zijn sinds vorig jaar in gebruik en het is een prachtig fenomeen. De langste ter wereld. Meer dan 10 kilometer. La Paz ligt in een hobbelige vallei met grote hoogteverschillen, en wegen bouwen is moeizaam en kostelijk.’

© Jan Flamend

‘Een metro is onmogelijk omdat er 200 ondergrondse rivieren zijn. Dus leek een skilift het ei van Columbus voor publiek transport.  Het is proper, het is veilig, het maakt geen geluid en je hebt een prachtig zicht op de stad in al haar rommelige glorie. En het is een zeer democratische manier van verplaatsing. Het is een geschenk van de staat aan de stad, bekostigd met de opbrengst van de nationalisering van de gasproductie.’ Jeanne weet waarover ze spreekt.

‘En wie heeft die telefericos gebouwd?

‘Een Oostenrijks skiliftenbedrijf, Doppelmayer. Voor hen maakt het niet uit of het het om skiërs of forenzen gaat.’

Supervoedsel quinoa

Maandagmorgen is het het moment van de waarheid. Paolo komt me om half acht ’s morgens ophalen om naar de het kantoor van LCO te rijden. Dat bevindt zich in een rustige buitenwijk, op een steenworp van de grijze Choqueyapu rivier. De deelnemers druppelen binnen. Mannen en vrouwen, allemaal met zwart haar, en bruine gezichten.

Blozend koper, zo zou ik hun tint omschrijven. Sommige met Indiaanse trekken, sommige lijken zo uit Spanje geïmporteerd.  De vrouwen die blijgemoed kussen. Meteen, op de beide wangen. De mannen doen een beduusde hug. Verwachtingsvolle blikken. Hartelijk gelach.

Ik spreek nauwelijks Spaans, maar Daniel doet dienst als vertaler.

We hebben drie plaatselijke NGO’s . Er is Aguas Soluciones van Sergio Calbimonte, de befaamde quinoa expert, dat rond voedselveiligheid werkt. Er is Aprosar, dat economische ondersteuning geeft in de achtergebleven gebieden Oruro en Tarija, en Esperanza Bolivia dat de toegang voor medische zorgen wil verbeteren en bewustzijncampagnes rond tienerzwangerschappen voert.  Allemaal erg gemotiveerde mensen die met diverse uitdagingen te kampen hebben.

Als ik vraag wat ze deze drie dagen opleiding willen leren, steekt Maria Cristina van Esperanze meteen van wal. ‘In Bolivia zijn vier op tien tienermeisjes zwanger. Wij willen hen via de scholen wijzen op contraceptie, maar hoe doen we dat als de scholendirecties ons de toegang ontzeggen?’

Voronov van de economische loketten zegt: ‘Hoe kunnen we jonge ondernemers overtuigen om meer gebruik te maken van onze diensten?’ Sergio zegt: ‘Hoe kunnen we de boeren overtuigen om te investeren in de nieuwe irrigatietechnieken die veel voordeliger en ecologischer zijn?’

Iedereen kijkt me aan alsof  ik een UFO ben. Hoe kan je nou zo wereldvreemd en zo stom zijn, lees ik in hun ogen.

In het verkoopshandboek valt dit onder de noemer ‘tegenwerpingen behandelen’, en ik beloof dat we daar rond zullen werken. En dan zeg ik iets heel stoms. ‘In België hoor ik dat de quinoa teelt in Bolivia door de regering bevorderd wordt om de boeren minder afhankelijk van de cocateelt te maken. Klopt dat?’

Iedereen kijkt me aan alsof  ik een UFO ben. Hoe kan je nou zo wereldvreemd en zo stom zijn, lees ik in hun ogen. Sergio beseft het precaire van de situatie, en hij neemt het woord.

‘Quinoa en coca hebben niets met elkaar te maken. Quinoa wordt op grote, koude en droge hoogtes verbouwd, en coca heeft lage, vochtige gronden nodig om te groeien.  Het ene kan niet voor het andere genomen worden. Wat de Amerikanen met hun cocaïneprobleem ook denken, coca is voor ons een essentieel landbouwproduct. Je zal straks cocathee drinken en je kan cocabladeren kauwen, en cocameel in je pannekoeken doen. Allemaal heel heilzaam, tegen diabetes, tegen cholesterol, tegen osteoporose, tegen depressie. Je mag niet vergeten dat onze president Evo Morales groot is geworden als vertegenwoordiger van de cocaboeren.’

‘Quinoa, dat is wonderbaarlijk voedsel met ongelooflijke kwaliteiten. Dat is nu ook in Noord-America en in Europa doorgebroken.  Bolivia is de grootste quinoaproducent ter wereld, naast Peru. Quinoa werd al 3000 jaar geleden in de Altiplano  verbouwd door de voorvaders van de Inca’s. Quinoa is een supervoedsel, het is een bron van eiwit en de mineralen koper en magnesium. Verder bevat Quinoa vezels, B-vitamines, vitamine E en ijzer. Het is glutenvrij. Je kan het in verschillende vormen eten, in korrelvorm, als meel. Zo heb je zwarte, rode, groene en blanke quinoa. Het smaakt allemaal heel lekker en het is waanzinnig gezond. Het is geen graan, want het is familie van de spinazie achtigen.’

De andere deelnemers protesteren en vinden dat Sergio teveel zendtijd opneemt met zijn quinoa commercial. Hij laat er zich weinig aan gelegen, en vervolledigt zijn verhaal.

‘Quinoa is het slachtoffer van zijn success in Bolivia. Er wordt teveel uitgevoerd, 30 miljoen ton wordt naar de VS en Europa geëxporteerd, en de prijs is zo hoog dat de boeren het zelf niet meer eten. Dat is het probleem: de productie voor eigen consumptie. Kinderen in de Altiplano die geen quinoa eten, worden ziek. Daar wil ik jouw verkoopstechnieken wel voor gebruiken.’

Het zijn drie wonderlijke dagen geworden, met veel plezier, discussies, oefeningen, leerpunten en actieplannen. En veel goede voornemens, om de waarde van hun producten en diensten goed in de verf te zetten, en een rugzak vol tips en tricks om hun gesprekspartners te overtuigen. Woensdagavond neem ik afscheid van mijn leerlingen met het dankbare gevoel iets bijgedragen te hebben.

Sergio kust me op beide wangen. ‘Ik ben heel blij met deze opleiding’, zegt hij ontroerd. Paolo belooft op zijn eerste communiezieltje dat hij het allemaal rigoureus zal opvolgen.

Die woensdagavond neemt Jeanne me mee voor het beloofde ritje op Mi Telefericos. Het is een heel aparte ervaring. Door de lucht gedragen te worden in wat we in skiligebieden ‘eikes’ plegen te noemen.  Het kost een prikje en je kan een nog voordeliger digitale abonnemenstkaart nemen. Jeanne trakteert, en we kijken naar de zich ongebreideld uitbreidende stad die tegen de heuvels van de machtige Andesbergen opklimt, en naar de maanlandschapachtige pieken die tussen de woonwijken verspreid liggen.  

We kunnen de  Illimani in de verte zien,  die de eeuwige wolken weggejaagd heeft, speciaal voor ons, twee Belgen. De Gouden Arend, 6458 meter hoog, die La Paz voor altijd in zijn greep heeft. ‘Hij is uitgeblust, onze vulkaan. De Bolivianen vereren hem als de koningin van de bergen’ , verzekert Jeanne me. ‘Het is een vrouwtje?’, vraag ik in een slappe poging tot humor.

© Jan Flamend

 

‘Ik ga er graag  klimmen, en trektochten doen, tot aan de sneeuwgrens, zegt Jeanne, mijn domme persiflage van onze gemeenschappelijke vorst negerend. Ze wijst naar twee mooie tienermeisjes met golvend zwart haar in onze cabine die druk bezig zijn met een iPhone op een uitschuifbare selfiestick, en zo vanop regelbare afstand foto’s van zichzelf en van elkaar aan het nemen zijn, met het diepe La Paz op de achtergrond. Ze gaan helemaal in zichzelf op en Jeanne mompelt dat de narcisme-industrie ook Bolivia bereikt heeft.

Vechtende Cholitas

In onze cabine zitten verder twee Cholitas, die ons vriendelijk maar wantrouwig bekijken. Cholitas is de verzamelnaam voor de robuuste Andesvrouwen met lange haartressen, dikke rokken, veelkleurige ponchos en draagdoeken en bolhoed.

‘Ze dragen die bolhoed als ze getrouwd zijn, en al die lagen kledij is tegen de koude. Ze zijn klein, maar stevig van stuk. Ze hebben een brede borst om de ijle berglucht stevig in te ademen. Ze zijn niet noodzakelijk arm. Dat kan je zien aan het goud in hun gebit’, weet Jeanne. ‘Je mag ze niet onderschatten, het is een  belangrijke groep in Bolivia.

Het zijn sterke inheemse vrouwen van Quechua en Aymara afkomst. Vroeger werden ze geweerd als armoezaaiers, ze mochten zelfs niet op de Plaza Murillo rond lopen, waar het presidentieel paleis is. Met de verkiezing van Evo Morales, de eerste inheemse president van Aymara afkomst, is een grassroots beweging op gang gekomen, waar de trotse cholitas een belangrijke rol spelen.

Ze zijn handige verkoopsters, en hun kledij is cool en in. Je kan trouwens aan de specifieke kleuren zien waar ze vandaan komen.  Er zijn nu zelfs modeshows van cholitakledij. Heel mooi.’

‘Ik heb gehoord dat ze goed kunnen vechten.’ Ik wil graag mijn grote eruditie tonen, maar Jeanne bekijkt me alsof ik een typisch mannelijk chauvinitische boertigheid verteld heb.

‘Er zijn inderdaad worstelpartijen tussen Cholitas. Een nepspetakel voor mislukte macho’s en toeristen met slechte smaak. Je vindt het vooral in El Alto. Kost je 1 dollar. Ik ga je niet vergezellen als je er naar toe wil. Het is berucht geworden door een Amerikaanse documentaire, The Fighting Cholitas. Kan je op YouTube zien, als je dat echt wil.’

Evo en zijn volk

De volgende dag, donderdag 22 januari, is het een nationale feestdag. Ik wil graag de San Francisco kerk en het Plaza Murillo in het stadscentrum bezoeken. Taxichauffeurs vertellen me dat het centrum onbereikbaar is omwille van het feest van Evo. Vandaag wordt de ‘kroning’ van Evo tot president in 2006 gevierd, en is het centrum verkeersvrij en zwaar beveiligd.

© Jan Flamend

Breng me dan zo dicht mogelijk bij het centrum, vraag ik. Ik wil het dubbele betalen. Dat werkt altijd en een kwartier later bevind ik me op het levendige Sucre plein aan de gevangenis van La Paz. Honderden mensen staan aan te schuiven om hun opgesloten familieleden te bezoeken. Vreemd zicht, zoveel vreugde en verdriet op honderd vierkante meter.

La Paz is eigenlijk geen mooie stad, en wel omdat veel koloniale gebouwen afgebroken zijn en vervangen zijn door snel verslijtende nieuwbouw. De San Francisco is jammer genoeg gesloten. Ik hou enorm van die theatrale Latijns-Amerikaans kerken waar bloederige heiligenbeelden met een vreemde wellust tentoon gespreid worden, en waar  talrijke gelovigen heel intens zitten te bidden.

Dan maar naar de Plaza Murillo, waar de grote optocht gehouden wordt. Tot meerdere eer en glorie van Evo Morales, de sympatieke inheemse peer die de Plurinationale Staat Bolivia al geruime tijd bestuurt.

Ik probeer de zijstraten van Plaza Murillo , maar word telkens door stevig bewapende politie en militairen teruggestuurd. Vriendelijk maar beslist. Tienduizenden feestelijk geklede mensen maken zich op om te paraderen en een paar keer word ik ei zo na door die volksmassa verpletterd.

Bij de laatste controlepost doe ik mijn stoute schoenen aan. Ik toon mijn Canon Ixus 150 fototoestel, 4 centimeter op 8, en zeg dat ik van de Belgische pers ben. Groot en aangenaam is mijn verbazing als ik beleefd doorgelaten word, en luttele minuten later bevind ik mij op de Plaza Murillo, op vijftig meter van de Boliviaanse president en zijn gevolg.

© Jan Flamend

Op het balkon van zijn vers geschilderd paleis groet hij welwillend de veelkleurige delegaties die uit de vier Boliviaanse windstreken gekomen zijn. Het is een prachtig spektakel, en het enthousiame van de mensen is aanstekelijk. Elke groep draagt een brede spandoek waarop de weldaden van Evo en zijn Moviemento Al Socialismo  bezongen worden voor de betreffende streek.

De herinnering aan Che Guevara is zeer levendig. Hij staat op elke spandoek naast Evo afgebeeld. De cocaboeren van Oruro, de mijnwerkers van Potosi, de quinoaboeren van Truijolo, het houdt maar niet op en Evo blijft onvermoeibaar wuiven. Het is zijn dag.

De economie van Bolivia is onder Morales sterk gegroeid, sociale voorzieningen en onderwijsinstellingen zijn uitgebreid, de inheemse volkeren hebben meer inspraak gekregen, en de cultuur van Madre Tierra, Moeder Aarde is in ere hersteld.  Toch is er veel gemor.

‘Hij hangt de inheemse socialist en de groene jongen uit, maar in werkeijkheid is zijn politiek neo-liberaal en erop gericht de rijken nog rijker te maken, en de armen armer’

Hij wil zich tot president voor het leven laten verkiezen, de oppositie is monddood, de corruptie is levendiger dan ooit, de internationale mijnbedrijven krijgen vrij spel en vernietigen flora en fauna, de wegen zijn in zo’n barslechte staat dat er elke dag wel een auto of een bus in een Andesravijn stort.

‘Hij hangt de inheemse socialist en de groene jongen uit, maar in werkeijkheid is zijn politiek neo-liberaal en erop gericht de rijken nog rijker te maken, en de armen armer’, zegt iemand die niet geciteerd wil worden. Dat klinkt bekend . ‘Ik wil niet in de gevangenis belanden. De relatie met de overheid is moeilijk, en we gaan het niet nog moeilijker maken door kritische uitspraken te doen. Evo heeft te veel van de macht geproefd en dat heeft zijn geest vergiftigd. Het gaat hem alleen nog om de macht, niet meer om de mensen.’

Ik blijf een paar uur genieten van de volksvreugde, en merk dat veel hoogwaardigheidsbekleders een krans van cocablaren dragen. Aan een van de standjes koop ik de biografie van Evo, die aan haar 25ste druk toe is, een zakje quinoa-meel en een zakje coca-meel dat ik het vaderland ga proberen binnen smokkelen. Goed voor diabetes, cholosterol en zwaarmoedigheid.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift